Psalmen en antifonen
PSALM 4
Als ik U roep, geef mij ántwoord, *
God, die mij récht verschaft.
Gij, die mij redt uit verdrúkking, *
wees mij genadig, verhoor mijn gebéd! –
Vrienden, hoe lang blijft uw hart nog geslóten, *
hecht gij aan voosheid en zoekt gij bedróg?
Zie hoe de Heer zijn getrouwen begúnstigt: *
altijd luistert Hij als ik Hem róep. –
Vreest Hem en hoedt u voor zonde, °
wat ge bedenkt in doorwaakte náchten *
spreekt het niet úit.
Offert uw gaven met zuiver gewéten, *
stelt uw vertrouwen op Gód. –
Als velen zeggen: ‘Wie geeft ons hoóp?’, *
toon ons dan, Heer, het licht van uw áanschijn.
Gij hebt mijn hart met vréugde vervuld, *
meer dan een rijke oogst mij kan géven.
Als ik mij neerleg, slaap ik in vréde, *
Gij, Heer, alleen geeft mij véilige rust.
PSALM 5
Heer, luister naar wat ik U zéggen wil, *
sla acht op mijn smartelijk zúchten.
Aanhoor de stem die uw aándacht vraagt, *
want Gij zijt mijn God en mijn kóning. –
Met aandrang wend ik mij, Heer, tot U, °
reeds vroeg in de morgen hoort Gij mijn stém, *
reeds vroeg mijn hoop en verlángen.
Gij zijt toch geen God die ónrecht verdraagt, *
bij U kan geen booswicht vertóeven;
Geen zondaar kan U in de ógen zien, *
Gij haat hen die ónrecht bedrijven. –
Die leugentaal spreken verniétigt Gij, *
Gij gruwt van bloeddorst en wréedheid.
Maar ik, door uw rijke genáde, *
mag binnengaan in uw húis.
Ik werp mij neer voor uw témpel *
in eerbied voor U, mijn Gód. –
Leid mij in uw gerechtigheid, Heer, °
ten spijt van die mij weerstréven; *
maak mij bekend met uw wég.
Hun woorden zijn niet te vertróuwen, *
hun hart is een broedplaats van kwáad.
Een open graf is hun kéel, *
zij spreken met gladde tóngen. –
Gelukkig degenen die hopen op Ú, *
hun vreugde zal eeuwig dúren.
Gij zult hen beschermen, zij júichen om U, *
zij die uw Naam bemínnen.
Gij zegent de rechtváardige, Heer, *
uw gunst zal hem als een schild beschérmen.
PSALM 16
Behoed mij, God, tot U neem ik mijn toevlucht; °
Gij zijt mijn Heer, ik erkén het, *
ik vind geen geluk buiten Ú.
Met alle godvrezenden in zijn lánd *
voel ik mij innig verbónden.
Maar hij stort zichzelf in het óngeluk *
die vreemde afgoden náloopt.
Ik zal ze geen plengoffers brengen van blóed, *
hun naam komt niet over mijn líppen. –
De Heer is mijn erfdeel, mijn dronk uit de béker, *
Hij heeft mijn lot in zijn hánd.
Een heerlijk land is mij tóegemeten, *
mijn erfdeel is al wat ik wéns.
Ik dank de Heer die mij altijd geléid heeft, *
Hij spreekt ook des nachts in mijn hárt.
Steeds houd ik mijn ogen gericht op de Héer, *
ik val niet, want Hij staat náast mij.
Daarom ben ik rustig en blij van hart °
en zonder zorg is mijn géest, *
mijn lichaam kan veilig rústen. –
Mijn ziel laat Gij niet aan het dódenrijk over, *
Gij geeft uw dienaar niet prijs aan bedérf.
Gij zult mij de weg van het leven wijzen °
om heel mijn vreugde te vinden bij Ú, *
bestendig geluk aan uw zíjde.
PSALM 31
I
Bij U, Heer, zoek ik mijn tóevlucht, *
stel mij toch nimmer teléur.
Rechtvaardige God, bevríjd mij, *
aanhoor mij en red mij met spóed.
Wees mij een rots waar ik vlúchten kan, *
een sterke burcht waar ik veilig kan tóeven. –
Want altijd zijt Gij mijn rots en mijn vésting, *
uw Naam is mijn leider en gíds.
Het net dat de mensen mij heimelijk spánnen, *
ontkom ik door U die mij altijd beschérmt. –
Heer, in uw handen beveel ik mijn géest, *
Gij zijt mijn verlosser, getrouwe Gód.
Gij haat hen die nietige góden vereren, *
maar ik stel op U mijn vertroúwen, Heer.
Ik mag mij verheugen in uw erbármen, *
Gij ziet mijn ellende, Gij helpt mij in nóod.
Gij levert mij niet aan mijn víjanden over *
maar geeft mijn voeten ruim báan.
II
Heer, toon uw barmhartigheid nu ik in nóod ben, *
mijn oog is door tranen vertróebeld.
In kommer en angst gaat mijn leven voorbíj, *
mijn jaren slijt ik met zúchten.
Mijn krachten verdwijnen, bepróefd als ik word, *
heel mijn gebeente is zíek. –
Mijn vijanden drijven de spót met mij, *
mijn buren lachen mij uít.
Mijn vrienden schrikken als zij mij zíen, *
op straat ontlópen zij mij.
Men is mij vergeten als was ik dóod, *
ik ben als gebroken húisraad.
Ik hoor ze fluisteren om mij héen. *
aan alle kanten bedréiging.
Zij smeden te zamen een plán tegen mij *
om mij het léven te nemen. –
Toch blijf ik op U vertróuwen, Heer, *
steeds zeg ik: ‘Gij zijt mijn Gód’.
Gij hebt mijn lot in uw hánd, *
bevrijd mij van mijn vervólgers.
Laat over uw dienaar uw áanschijn lichten, *
red mij door uw genáde.
III
Hoe groot zijn uw wéldaden, Heer, *
die Gij hebt bestemd voor hen die U vrézen.
Gij schenkt ze aan ieder die tót U komt, *
voor alle mensen waarnéembaar.
De glans van uw aanschijn beschérmt hem altijd *
als mensen zich tégen hem keren.
Gij neemt hem op in uw tént, *
beschut tegen kwade tóngen. –
Gezegend de Heer, want zijn wondere góedheid *
heeft mij beschermd als een véstingstad.
Verslagen en moedeloos heb ik gezégd: *
‘Gij hebt mij geheel uit het oóg verloren’.
Maar neen, Gij hebt mijn sméken gehoord, *
mijn stem die luid tot U ríep. –
Bemint dan de Heer, al zijn vrómen, *
de Heer behoedt al wie tróuw blijft aan Hem.
Maar wie zich in hoogmoed tégen Hem keert *
betaalt Hij met woeker terúg.
Schept moed en weest onverschrókken, *
gij allen die hoopt op de Héer.
PSALM 51
God, ontferm U over mij in uw barmhártigheid, *
delg mijn zondigheid in uw erbármen.
Was mijn schuld volkomen van mij áf, *
reinig mij van al mijn zónden. –
Ik erken dat ik misdréven heb, *
altijd heb ik mijn vergrijp voor ógen. –
Jegens U alleen heb ik gezóndigd, *
wat U tegenstaat heb ik gedáan.
Dus zijt Gij rechtvaardig in uw oórdeel, *
is het vonnis dat Gij velt gegrónd. –
Ach, met schuld belast werd ik gebóren, *
schuldig was ik toen mijn moeder mij ontvíng.
Maar Gij hebt behagen in opréchtheid, *
Gij hebt mij geleerd in eigen hárt te zien. –
Sprenkel mij met hysop dat ik réin word, *
was mij dat ik witter word dan snéeuw.
Maak mij weer ontvankelijk voor blijde klánken, *
geef mijn gekastijde lichaam nieuwe lévensmoed. –
Wend uw ogen af van mijn gebréken, *
scheld mij al mijn schulden kwíjt.
Schep in mij een zuiver hart, mijn Gód, *
geef mij weer een vastberaden géest. –
Wil mij niet verstoten van uw áanschijn, *
neem uw heilige Geest niet van mij wég.
Geef mij weer de weelde van uw zégen, *
maak mij sterk in edelmoédigheid. –
Dan zal ik de dwalenden uw wégen leren, *
alle schuldigen terugvoeren tot Ú.
Houd mij ver van bloedschuld, God mijn rédder, *
dan bezingt mijn tong uw wijs beléid. –
Heer, maak Gij mijn líppen los, *
dat mijn mond uw lóf kan zingen.
In geschenken hebt Gij geen behágen, *
wat ik U ook bied, Gij wílt het niet.
Wat ik offer, God, is mijn boetváardigheid, *
een vermorzeld en vernederd hart wijst Gij niet áf. –
Wees ook Sion in uw goedheid weer genádig, *
bouw de muren van Jeruzalem weer óp.
Dan ontvangt Gij alle offers die Gij hebt bevólen, *
dan komt men weer offeren op uw áltaar.
PSALM 63
God, – mijn Gód zijt Gij, *
ik zoek U reeds bij het óchtendgloren.
Naar U dorst mijn ziel en hunkert mijn hárt *
als dorre akkers naar régen.
Zo zie ik omhoog naar de plaats waar Gij wóont, *
beschouw ik uw macht en uw glórie.
Meer waard dan het leven is mij uw genáde, *
mijn mond verkondigt uw lóf. –
Ik zal U prijzen zolang ik léef, *
mijn handen uitstrekken naar Ú.
Mijn ziel wordt verzadigd met voedzame spíjs, *
mijn mond zal U jubelend dánken.
Wanneer ik op mijn bed aan U dénk, *
dan blijf ik wakend over U péinzen.
Want Gij zijt altijd mijn beschérmer geweest, *
ik koester mij onder uw vléugels. –
Met heel mijn hart houd ik vást aan U, *
het is uw hand die mij stéunt.
PSALM 90
Gij, Heer, zijt steeds onze tóevlucht geweest *
voor ieder geslacht opnieúw.
Voordat de bergen geboren waren, °
voordat de aarde was vóortgebracht, *
zijt Gij, God, van eeuwig tot éeuwig. –
Wat sterfelijk is vergaat weer tot stóf, *
Gij zegt: ‘Keer terug, kind van Ádam!’
Voor U zijn duizend jaren één dag, °
als gisteren dat al voorbíj is, *
een uur van slaap in de nácht. –
Ons leven breekt af als een droom in de óchtend, *
kortstondig is het als gras op het véld.
Des morgens ontkiemt het en schiet het óp, *
des avonds is het verwélkt. –
Wij worden verzengd door de gloed van uw tóorn, *
de storm van uw gramschap jaagt over ons héen.
Gij hebt onze schulden te vóorschijn gehaald, *
ons heimelijk kwaad voor het licht van uw áanschijn. –
Nu gaan onze dagen somber voorbíj, *
en zuchtend verstrijken de járen.
De maat van ons leven is zéventig jaar, *
of als wij heel sterk zijn táchtig.
Het meeste daarvan is nog kwelling en zórg, *
en snel komt het uur van vertrékken.
Wie onzer beseft de macht van uw tóorn, *
uw ontzagwekkende grámschap?
Leer ons onze dagen naar wáarde te schatten, *
en zo te komen tot wijsheid van hárt. –
Laat af, Heer, hoelang nog píjnigt Gij ons? *
wees toch uw dienaars genádig:
schenk ons in de ochtend volop uw zégen, *
dan jubelen wij heel de dag van gelúk.
Vergeld nu met vreugde de dagen van léed, *
de jaren dat het ons slécht ging. –
Laat zien aan uw dienaars waartoe Gij in stáat zijt, *
en toon aan hun zonen uw héerlijkheid.
Uw luister, Heer God, moge over ons strálen, *
bestuur onze handen bij al wat zij dóen.
PSALM 91
Hij die de bescherming geniet van de Allerhóogste, *
die in de schaduw van de Almáchtige woont,
hij zegt tot de Heer: ‘Mijn toevlucht, mijn búrcht, *
mijn God, op wie ik vertróuw’. –
Want Hij maakt u los uit de strik van de jágers, *
behoedt u voor de kwaadaardige tóng.
Hij zal u met zijn vleugels beschermen, °
onder zijn wieken vindt gij een tóevlucht, *
zijn trouw is uw pantser en schíld.
Geen nachtelijk onheil hoeft ge te vrézen, *
geen pijl bij klaarlichte dág;
geen ziekte die sluipt in de dúisternis, *
geen kwaal in de gloeiende zón. –
Al vallen er naast u duizend neer, °
tienduizend man aan uw zíjde, *
u zal het onheil niet déren.
Het zal gebeuren onder uw ógen, *
ge zult de straf van de zóndaars zien.
De Heer is immers uw tóevlucht, *
de Allerhoogste uw búrcht. –
Het kwaad zal u niet beréiken, *
de ramp blijft ver van uw tént.
Hij heeft zijn engelen lást gegeven *
op al uw wegen u te bewáken. –
Zij zullen u op hun hánden dragen, *
geen steen zal uw voeten kwétsen.
Gij kunt op slangen en ádders trappen, *
leeuwen en draken trotséren.
Wie op Mij rekent zal Ik verlóssen, *
beschermen zal Ik wie Mij erként.
Wanneer hij Mij aanroept zal Ik hem horen, °
hem bijstaan in iedere nóod, *
hem redden en aánzien schenken.
Zijn levensdagen zal Ik vervúllen, *
mijn zegen zal hij erváren.
PSALM 95
Komt, laat ons de Heer met gejubel begróeten, *
juichen wij toe de Rots van ons héil.
Laat ons verschijnen voor Hem met een lófzang, *
Hem met liederen éren. –
Een machtige God immers is de Héer, *
koning is Hij over alle góden.
De aarde ligt uitgespreid in zijn hánd, *
aan Hem behoren de toppen der bérgen.
De zee is van Hem, Hij heeft haar gemáakt, *
zo goed als het land, door zijn handen gevórmd. –
Komt, werpen wij ons aanbiddend ter áarde, *
knielen wij neer voor Hem die ons schíep.
Hij is onze God en wij zijn vólk, *
Hij is de herder en wij zijn kúdde. –
Luistert heden dan naar zijn stem: °
‘Weest niet halsstarrig als eens in Mériba, *
zoals in Massa in de woestíjn;
waar uw vaderen Mij wilden tárten *
ofschoon zij mijn daden hadden gezién.’ –
‘Veertig jaar stond dit volk mij tegen; °
Ik sprak: zij zijn toch een dolend vólk, *
zij kennen mijn wégen niet.
Daarom heb ik in gramschap gezwóren: *
nimmer vinden zij rúst bij Mij.’
PSALM 110
De Heer spreekt tot mijn heer: ‘Zit aan mijn réchterhand; *
Ik leg uw vijanden als voetbank voor uw vóeten’. –
Uit Sion reikt de Heer de scepter van uw mácht: *
heers nu te midden van uw tégenstanders.
Een vorst zijt gij, wanneer gij u vertoont °
met macht bekleed, in glans van héiligheid; *
Ik heb u vóór de dageraad verwékt. –
Gezworen heeft de Heer, Hij neemt het niet terúg: *
‘Voor eeuwig zijt gij priester als Melchisédek’.
De Heer staat aan uw zíjde, *
die vorsten neerslaat in zijn tóorn. –
Hij laaft zich uit de bergstroom langs de wég, *
dan gaat hij voort met opgeheven hóofd.
PSALM 111
De Heer wil ik danken uit heel mijn hárt, *
te midden der vromen, voor heel de geméente. –
Geweldig is alles wat Hij verrícht, *
de aandacht boeiend van elk die het nágaat.
Mildheid en majesteit spreekt uit zijn dáden, *
eeuwig blijft Hij rechtvaardig en tróuw.
Wonderen deed Hij om nooit te vergéten, *
minzaam en liefdevol toont zich de Héer.
Voedsel geeft Hij aan die Hem veréren, *
altijd herinnert Hij zich zijn verbónd. –
Hij toonde zijn volk de kracht van zijn dáden *
en gaf hun het heidense lánd in bezit.
Het werk van zijn handen is goed en betróuwbaar, *
al wat Hij besluit staat onwrikbaar vást.
Het blijft door de eeuwen en altijd van krácht, *
het is doordacht en rechtváardig.
Hij heeft zijn volk verlossing gebracht, °
voor eeuwig met hen zijn verbónd gesloten; *
heilig en hooggeëerd is zijn Náam. –
De vrees voor God is begin van wijsheid, °
verstandig doet ieder die Hem veréert; *
in eeuwigheid moet men Hem lóven.
PSALM 112
Gelukkig de mens die ontzág heeft voor God, *
die vreugde vindt in zijn gebóden.
Zijn kroost zal machtig zijn in het lánd, *
gezegend zal zijn het geslacht van de vróme.
Welvaart en rijkdom sieren zijn húis, *
hij zal zijn gerechtigheid nooit verlíezen.
Hij is voor de vromen een licht in de nácht, *
weldadig, barmhartig, rechtváardig. –
Goed gaat het de mens die weggeeft en léent, *
die eerlijk zijn zaken behártigt.
In eeuwigheid staat de rechtvaardige stérk, *
men blijft hem voor eeuwig gedénken. –
Voor slechte tijding is hij niet báng, *
hij blijft ongeschokt op de Heer vertróuwen.
Standvastig en zonder vrees zet hij dóor *
tot hij op zijn vijanden néerziet.
Met mildheid deelt hij aan ármen uit, *
hij zal zijn gerechtigheid nooit verlíezen. –
Zijn macht en zijn aanzien verméerderen steeds; *
de zondaar zal het met afgunst aanschóuwen.
Hij knarst met de tanden, verteerd van níjd, *
het streven van zondaars zal fálen.
PSALM 113
Looft nu, dienaars des Héren, *
looft de Naam van de Héer.
De Naam van de Heer zij geprézen *
vandaag en in éeuwigheid. –
Van ochtendgloren tot ávondrood *
moet ieder die Naam aanbídden.
Want boven de volkeren troont de Héer, *
zijn glorie beheerst de hémel.
Wie is als de Heer onze Gód, *
hoog boven de sterren gezéten?
Die van omhoog overzíet *
het hemelgewelf en de áarde; –
die machtelozen tilt uit het stóf, *
van vuilnishopen de armen wéghaalt;
om hen in de kring van de vórsten te plaatsen, *
te midden der machtigen van zijn vólk; –
die de onvruchtbare plaats geeft in húis *
als blijde moeder van kínderen.
PSALM 114
Toen Israël uit Egýpte vertrok, *
Jakob het brabbelend volk ontvlúchtte,
toen koos Hij in Juda zijn héiligdom, *
werd Israël zijn doméin. –
De zee zag Hem komen en sloeg op de vlúcht, *
en steigerend week de Jordaán;
de bergen sprongen als rammen óp, *
als lammeren dansten de héuvels. –
Wat is het toch, zee, dat u vlúchten doet? *
Jordaan, waarom wijkt ge terúg?
Gij bergen, wat springt ge als rammen óp, *
gij heuvels als lámmeren? –
De aarde beeft voor het aanschijn des Héren, *
zij siddert voor Jakobs Gód,
die rotsige grond tot een wáterpoel maakt *
en harde steen tot een brón.
PSALM 115
Niet ons, Heer, niet ons, maar uw Naam komt de éer toe, *
want Gij zijt barmhartig en tróuw.
Waarom moeten vreemde volkeren vrágen: *
‘Waar is toch Israëls Gód?’
De God van Israël is in de hémel, *
Hij handelt zoals Hij verkíest. –
Hun afgodsbeelden zijn zilver en góud, *
door mensenhanden verváardigd.
Zij hebben een mond maar zij spréken niet, *
zij hebben ogen en zíen niet;
zij hebben oren maar hóren niet, *
zij hebben een neus maar zij rúiken niet;
zij hebben handen en tasten niet, °
zij hebben voeten en lópen niet, *
er komt geen geluid uit hun kéel.
Al even onnozel is hij die ze máakt *
en die nu vertrouwt op hun mácht. –
Israëls volk vertrouwt op de Héer, *
Hij is hun helper en schíld.
Aärons stam vertrouwt op de Héer, *
Hij is hun helper en schíld.
Al wie God vreest, vertrouwt op de Héer, *
Hij is hun helper en schíld. –
De Heer zal ons altijd indáchtig zijn, *
Hij zal ons zijn zégen schenken.
Hij zegent het volk van Ísraël, *
Hij zegent Aärons stám;
Hij zegent alle godvrézenden, *
geringen en mensen van áanzien. –
De Heer zal uw aantal verméerderen, *
van u en uw nágeslacht.
Gezegend zijt gij door de Heer onze Gód, *
die hemel en aarde gemáakt heeft. –
De hemel is eigen domein van de Héer, *
de aarde deelde Hij toe aan de ménsen.
Niet zij die gestorven zijn lóven de Heer, *
geen mens die het dódenrijk inging;
Maar wij, die leven, wij zégenen Hem *
vandaag en in éeuwigheid.
PSALM 116
I
De Heer heb ik lief, want Hij lúistert, *
Hij hoort mijn smekende stém;
Hij heeft mij aándacht geschonken *
telkens als ik tot Hem ríep. –
De dood hield mij al in zijn strikken °
het net van het schimmenrijk viel op mij néer, *
ik ging onder zorgen gebúkt.
Toen riep ik de naam van de Héer aan: *
‘Ach, red mij, Heer, van de dóod!’ –
De Heer is goed en rechtváardig, *
barmhartig is onze Gód.
Eenvoudigen biedt Hij beschérming; *
Hij heeft mij gered uit de nóod. –
Mijn ziel, wees niet meer onrústig, *
de Heer draagt zórg voor u.
Hij heeft mijn ziel ontrukt aan de dood, °
de tranen gedroogd in mijn ógen, *
voor struikelen mij behóed.
Ik mag weer leven onder Gods óog *
in ’t land van de lévenden.
II
Ik bleef vertrouwen, al sprák ik: *
‘Ik ben gebroken van smárt’.
Al zei ik in mijn verwárring: *
‘Arglistig is ieder méns.’ –
Hoe kan ik mijn dánk betuigen *
voor al wat de Héer mij gaf?
De beker des heils zal ik némen, *
aanroepen de naam van de Héer. –
Ik zal mijn geloften volbréngen *
waar heel zijn volk het zíet.
Want kostbaar is in het oog van de Héer *
het sterven van zijn getróuwen. –
O Heer, ik ben uw dienaar, °
uw knecht, de zoon van uw diénstmaagd, *
Gij hebt mijn bóeien geslaakt.
U zal ik een lófoffer brengen, *
aanroepen de naam van de Héer. –
Ik zal mijn geloften volbréngen *
waar heel zijn volk het zíet,
op ’t voorplein van uw témpel, *
in u, Jerúzalem.
PSALM 117
PSALM 118
I
Brengt dank aan de Heer, want Hij is genádig, *
eindeloos is zijn erbármen! –
Herhaalt het, stammen van Ísraël: *
eindeloos is zijn erbármen!
Herhaalt het, zonen van Aáron: *
eindeloos is zijn erbármen!
Herhaalt het, dienaren van de Héer: *
eindeloos is zijn erbármen! –
Ik riep tot de Heer vanuit mijn ellénde, *
Hij heeft mij gehoord en bevríjd.
De Heer is met mij, ik ben niet bevréesd; *
wat kan een mens mij nog kwáad doen?
De Heer is met mij, mijn bóndgenoot, *
ik zie mijn bestrijders bescháamd staan. –
Want beter is het te gaan tot de Héer, *
dan op een méns te vertrouwen;
en beter is het te gaan tot de Héer, *
dan te vertrouwen op vórsten.
II
Ik werd omsingeld door vreemde vólken, *
ik heb ze verjaagd door de naam van de Héer.
Zij sloten mij in van alle kánten, *
ik heb ze verjaagd door de naam van de Héer.
Als bijen zwermden zij om mij heen, °
zij vlamden op als vuur in de doórnen, *
ik heb ze verjaagd door de naam van de Héer.
Zij stootten mij weg en sloegen mij néer, *
maar Hij heeft mij onderstéund.
Mijn kracht is de Heer en mijn lófzang: *
Hij heeft mij rédding gebracht! –
Nu klinkt er gejuich van feest en gelúk *
in alle tenten der vrómen.
De Heer greep in met krachtige hand, °
de hand van de Heer heeft mij ópgericht, *
de hand van de Heer was máchtig. –
Ik zal niet sterven maar blijven léven *
en alom verhalen het werk van de Héer.
Geslagen, getuchtigd heeft mij de Héer, *
maar niet ten dóde gedoemd.
III
Maakt open de poort der geréchtigheid, *
daarbinnen wil ik de Heer gaan dánken. –
Dit is de poort van de Heér, *
de vromen treden er bínnen.
Ik dank U, dat Gij mij verhóord hebt *
en dat Gij mij hebt geréd. –
De steen die de bouwers hebben versmáad, *
die is tot hoéksteen geworden.
Het is de Heer, die dit heeft gedáan, *
een wonder voor onze ógen.
Dit is de dag, die de Héer heeft gemaakt, *
wij zullen hem vieren in blíjdschap. –
Ach Heer, geef Gij ons uw héil, *
ach Heer, geef Gij ons vóorspoed!
Gezegend die komt met de naam van de Heer; °
wij zegenen u uit het huis des Héren; *
de Heer is God, Hij verlícht ons.
Begeeft u in optocht met lóvertakken *
tot bij de horens van het áltaar. –
Mijn God zijt Gij en ik dánk U, *
mijn God, ik verkondig uw róem.
Brengt dank aan de Heer, want Hij is genádig, *
eindeloos is zijn erbármen.
PSALM 121
Omhoog naar de bergen richt ik mijn ógen: *
vanwaar kan ik húlp verwachten?
Mijn hulp zal komen van God de Héer, *
die hemel en aarde gemáakt heeft. –
Hij zorgt dat uw voet niet strúikelt, *
Hij slaapt niet, die wáakt over u.
Hij sluimert niet en Hij sláapt niet, *
die over Israël wáakt. –
De Heer is het die u behóedt, *
Hij staat als een wacht aan uw zíjde.
Bij dag zal de zon u niet déren, *
bij nacht doet de maan u geen kwáad;
de Heer bewaart u voor ónheil, *
uw leven houdt Hij in stánd.
De Heer is bezorgd voor uw komen en gáan *
op deze dag en áltijd.
PSALM 130
Uit de diepte róep ik, Heer, *
luister naar mijn stém.
Wil aandachtig hóren *
naar mijn sméekgebed. –
Als Gij zonden blijft gedénken, *
Heer, wie houdt dan stánd?
Maar bij U vind ik vergéving, *
daarom zoekt mijn hart naar Ú.
Op de Heer stel ik mijn hóop, *
op zijn woord vertróuw ik.
Gretig zie ik naar Hem úit, *
meer dan wachters naar de óchtend. –
Want de Heer is steeds barmhártig, *
zijn genade onbepérkt.
Hij zal Israël verlóssen *
van zijn ongeréchtigheid.
PSALM 134
Komt de Heer nu lóven, *
gij, dienaars van de Héer.
Die staat in de tempel des Héren *
wanneer de dúisternis valt.
Strekt naar het heiligdom uit uw hánden *
en brengt aan de Heer uw lóf. –
Uit Sion zegene u de Héer *
die hemel en aarde gemáakt heeft.
PSALM 141
Heer, ik roep U aan, kom mij toch hélpen, *
luister naar mijn stem als ik U roép.
Laat mijn bidden tot U opstijgen als wiérook, *
mijn geheven handen U een ávondoffer zijn. –
Stel een wacht, Heer, voor mijn mónd *
en bewaak de drempel van mijn líppen.
Laat mijn hart niet tot het kwáde neigen, *
niet boosaardig zinnen op bedróg;
dat ik niet met slechte liéden omga *
en niet aanzit aan hun welvoorziene dís.
Laat de vrome voor mijn bestwil mij kastijden, °
maar de balsem op mijn hoofd van zondaars wéns ik niet; * ik blijf bidden bij het leed dat zij mij áandoen. –
Op een rots gestoten zijn mijn réchters, *
die mij hoorden spreken zonder bítterheid.
Als gesteente op een omgeploegde ákker *
ligt nu hun gebeente voor de héllepoort. –
Maar ik richt op U, Heer God, mijn ógen, *
tot U vlucht ik, pleng mijn leven niét!
Hoed mij voor het net dat zij mij spánnen, *
voor de strikken door de zondaars úitgezet.
PSALM 146
Loof nu, mijn ziel, de Heer; °
ik zal Hem loven mijn léven lang, *
mijn God zal ik al mijn dagen bezíngen. –
Vertrouwt op geen vorst, die mens is als wíj *
hij kan het geluk niet schénken.
Eens geeft hij de geest, keert terug naar de áarde, *
dan is het gedaan met zijn mácht. –
Gelukkig wie hulp zoekt bij Jakobs Gód,
zijn hoop stelt op God de Héer;
op Hem die hemel en aarde gemáakt heeft, *
de zee met al wat daar léeft.
De Heer doet altijd zijn woord gestánd, *
verdrukten verschaft Hij récht.
De Heer geeft brood aan wie hónger heeft, *
gevangenen geeft Hij de vríjheid. –
De ogen van blinden ópent de Heer, *
gebrokenen richt Hij weer óp.
De Heer bemint de rechtváardigen, *
de Heer behoedt de onthéemden.
De Heer geeft wees en weduwe stéun, *
maar zondaars laat Hij verdwálen. –
De Heer is koning in éeuwigheid, *
uw God, Sion, heerst over alle gesláchten.
PSALM 14
Looft de Heer vanuit de hémel, *
looft Hem in den hóge!
Looft Hem, al zijn éngelenscharen, *
loof Hem, heel zijn légermacht. –
Zon en maan, verhéerlijkt Hem, *
prijst Hem, stralende stérren.
Looft Hem, hoogste hémeltransen, *
water dat boven het úitspansel staat. –
Laat hen nu prijzen de naam van de Héer, *
want zijn bevel heeft hen allen geschápen.
Hij bepaalde hun plaats voor éeuwig, *
gaf hun een wet die voor àltijd geldt. –
Looft de Heer vanaf de áarde, *
draken en krochten der zée;
bliksem en hagel, nevel en snéeuw, *
stormen, volvoerders van zijn beslúiten;
berggevaarten en heuvels rondóm, *
bomen die vrucht draagt en hoge céders;
wilde beesten en vee op het véld, *
kruipend en vliegend gediérte; –
vorsten der aarde met al uw vólken, *
heren en rechters in heel het lánd;
jonge mannen en jonge méisjes, *
grijsaards en kinderen, allen bijéen:
laat hen nu prijzen de Naam van de Héer. *
want deze Naam alleen is verhéven. –
Roemrijk is Hij boven aarde en hémel, *
roemvol maakte Hij ook zijn vólk.
Dat is de lofzang van al zijn getróuwen, *
Israëls kinderen, Hem zo nabíj.
PSALM 149
Zingt voor de Heer een nieuw gezáng, *
zijn lof weerklinke te midden der zíjnen.
Israël juiche zijn Schépper toe, *
laat Sions volk zijn kóning begroeten.
Looft zijn Naam in een heilige dáns, *
bespeelt voor Hem tamboerijn en cíter.
Want onze Heer, die zijn volk bemínt, *
omkranst de verdrukte met zégekransen. –
Jubelt dus, heiligen, om uw triómf, *
viert feest in uw légerplaatsen.
Gaat met het lied van God in uw mónd, *
het vlijmscherpe zwaard in uw hánden.
Trekt met uw wraak door het heidense lánd, *
bestraft de vijandige vólken.
Neemt hun vorsten geboeid met u mée, *
hun leiders in ijzeren klúisters.
Voltrekt aan hen het vonnis van Gód, *
glorievol is dit voor al zijn getróuwen.
PSALM 150
Looft de Heer in zijn paléis, *
looft Hem in zijn hoge hémel.
Looft Hem om zijn grote dáden, *
looft Hem om zijn májesteit. –
Looft Hem met bazúingeschal, *
looft de Heer met harp en cíter.
Looft Hem met timpaan en réidans, *
looft Hem met gitaar en flúit.
Looft Hem met geklep van bekkens, °
looft Hem met cimbáal-gerinkel: *
al wat ademt: looft de Héer!
Cantica
Antifonen (met aanduiding van psalmtoon) blz. 1070-1090
Lucas 1:46-55
Lofzang van Maria
Hoog verheft nu mijn ziel de Héer, *
verrukt is mijn geest om God, mijn Verlósser.
Zijn keus viel op zijn eenvoudige díenstmaagd: *
van nu af prijst ieder geslacht mij zálig.
Wonderbaar is het wat Hij mij déed, *
de Machtige, groot is zijn Náam!
Barmhartig is Hij tot in lengte van dágen *
voor ieder die Hem erként. –
Hij doet zich gelden met krachtige árm, *
vermetelen drijft Hij uitéen;
machtigen haalt Hij omlaag van hun tróon, *
eenvoudigen brengt Hij tot áanzien;
behoeftigen schenkt Hij óvervloed, *
maar rijken gaan heen met ledige hánden. –
Hij trekt zich zijn dienaar Israël áan, *
zijn milde erbarming indáchtig;
zoals Hij de vaderen heeft belóofd, *
voor Abraham en zijn geslacht voor áltijd. –
Eer aan de Vader en de Zóon *
en de heilige Géest,
zoals het was in het begin en nu en áltijd *
en in de eeuwen der eeuwen. Ámen.
Lucas 1:68-79
Lofzang van Zacharias
Geprezen zij de Heer, de God van Ísraël, *
omdat Hij omziet naar zijn volk en het bevríjdt.
Een redder heeft Hij ons verwékt *
in het geslacht van David, zijn getroúwe;
zoals Hij reeds van oudsher had verkláard *
bij monde van zijn heilige proféten:
verlossing uit de macht van onze víjanden *
en uit de hand van allen die ons háten.
Zo zal Hij onze vaderen barmhártig zijn, *
zijn heilige verbond gestánd doen;
de eed aan onze vader Abraham gezwóren *
ons eenmaal te verlénen,
om aan de greep van vijanden ontrúkt *
Hem zonder vrees te díenen;
in vroomheid en geréchtigheid *
al onze dagen voor zijn áanschijn. –
En gij, kind, zult profeet zijn van de Allerhóogste, *
want gij gaat voor de Heer uit om zijn wég te banen.
Gij zult zijn volk de boodschap van verlóssing brengen *
door de vergeving van hun zónden;
dank zij de innige barmhartigheid van onze Gód, *
die als een nieuwe dag voor ons zal ópgaan;
om licht te brengen in het duister en de schaduw van de dóod *
en onze voeten te geleiden op een weg van vréde.
Eer aan de Vader en de Zóon *
en de heilige Géest,
zoals het was in het begin en nu en áltijd *
en in de eeuwen der eeuwen. Ámen.
Lucas 2:29-32
Lofzang van Simeon
Laat nu, Heer, volgens uw wóord *
uw dienaar in vrede héengaan.
Mijn ogen hebben uw heil aanschóuwd *
dat Gij hebt bereid voor de vólken:
Het licht dat voor alle heidenen stráalt, *
de glorie van Israël uw vólk. –
Eer aan de Vader en de Zóon *
en de heilige Géest,
zoals het was in het begin en nu en áltijd *
en in de eeuwen der eeuwen. Ámen.