Toelichting bij de ingebruikneming van kerkgebouwen
Aanvang van de bouw
De dienst vindt plaats in de open lucht. Dit betekent dat men afhankelijk is van weersomstandigheden. In het algemeen zal het om een bijeenkomst gaan die niet te lang duurt.
De gemeente verzamelt zich op het bouwterrein. Daar zijn ook de bouwlieden actief, die ingeschakeld moeten worden bij de werkzaamheden.
De handelingen die nodig zijn bij het begin van de bouw van een kerk zijn afhankelijk van de plaatselijke bodemgesteldheid. Ofwel bestaan deze uit het slaan van de eerste paal, ofwel uit het leggen van de eerste fundamenten.
De orde van dienst is eenvoudig opgebouwd. Na de bemoediging wordt er een kort openingswoord gehouden, waarin de aanleiding wordt geschetst tot deze bijeenkomst. Daarna zingen de aanwezigen – zo mogelijk begeleid door enkele musici, bijvoorbeeld koperblazers – een psalm of gezang. Vervolgens vindt er een korte schriftlezing plaats, die met de te voltrekken bouwhandeling in verband kan worden gebracht. De voorganger bidt dan een zegengebed. Als er een eerste paal in de grond wordt geslagen, kunnen de aanwezigen daarop hun namen schrijven. Na het slaan van de eerste paal of het leggen van de eerste fundamenten eindigt de bijeenkomst met de voorbede, een gezang en de zegen.
Leggen van de eerste steen
De dienst vindt plaats in de open lucht. Dit betekent dat men afhankelijk is van weersomstandigheden. In het algemeen zal het om een bijeenkomst gaan die niet te lang duurt.
De gemeente verzamelt zich op het bouwterrein. Daar zijn ook de bouwlieden aan het werk, die ingeschakeld moeten worden bij het leggen van de eerste steen.
Bij deze handeling is het belangrijk te bedenken welke tekst men daarop aanbrengt. In elk geval ontbreekt het teken van het kruis niet en hoort de datum en het jaartal op de steen. Een schrifttekst kan iets weergeven van het eigene waar dit kerkgebouw voor staat. Het is eveneens zinvol de naam van het kerkgebouw op de eerste steen te vermelden.
Ook bij het leggen van de eerste steen is sprake van een eenvoudige orde van dienst. Het moment van het leggen van de eerste steen staat vanzelfsprekend centraal. Het metselen van deze steen zal gebeuren door een daartoe van tevoren aangezochte persoon. Het is een oud gebruik om onder de steen een oorkonde te leggen en eventueel andere tijdsdocumenten die het nageslacht zullen doen herinneren aan dit moment. Te denken valt bijvoorbeeld aan munten, een krant van de dag, het kerkblad, de orde van dienst voor deze viering of van de afgelopen zondag.
Ingebruikneming van een kerkgebouw
Verschillende stappen
De ingebruikneming van een nieuw kerkgebouw verloopt volgens een aantal stappen. Wanneer het gebouw eenmaal door de bouwonderneming is voltooid, wordt er eerst een besloten bijeenkomst gehouden, waarin de juridische overdracht plaatsvindt aan het college van kerkrentmeesters. In deze bijeenkomst wordt dankgezegd aan allen die bij de bouw van de kerk betrokken waren: bouwonderneming, architecten, gevers van giften, bouwcommissie, enzovoort. Vervolgens vindt in een feestelijke, openbare eredienst de officiële ingebruikneming van het kerkgebouw door de kerkelijke gemeente plaats. Andere publieke bijeenkomsten, zoals een openingsconcert en verdere festiviteiten, vinden pas plaats ná de officiële ingebruikneming.
Liturgische kleur
De liturgische kleur van deze feestelijke dienst is wit.
Vorm van de ingebruikneming
Voor de ingebruikneming van een kerkgebouw kan men kiezen uit een uitgebreide of een korte vorm.
In de uitgebreide vorm (orde I) is sprake van een processie van ofwel de gehele gemeente (opening A), ofwel een vertegenwoordiging daarvan in voorganger en kerkenraad (opening B). Onder een processie (van het Latijnse procedere = voort- of vooruitgaan, voorwaarts schrijden) verstaan we een meer of minder geordende optocht van (een deel van) de gemeente buiten of binnen het kerkgebouw onder gezang en gebed. De processie verbeeldt vanouds het als pelgrim onderweg zijn van het volk van God naar zijn koninkrijk. Het kerkgebouw kan immers gezien worden als een zekere voorafschaduwing daarvan. In de Bijbel is het voortgaan of opgaan naar het huis van de Eeuwige een vertrouwd beeld (vergelijk Ps. 84: 8; 122: 4; Jes. 2: 3; 60: 3; Mi. 4: 2; zie ook Lied 799, waarin de aard van het pelgrimerend voortgaan van de gemeente verwoord wordt).
De korte vorm (orde II) is bedoeld voor een sobere vormgeving van de ingebruikneming van het kerkgebouw.
De ingebruikneming van het kerkgebouw vindt bij voorkeur plaats in een volledige dienst van Schrift en Maaltijd. Het huis van de Heer wordt immers aan Hem toegewijd, als daar de Schriften worden verkondigd en de sacramenten gevierd. De ingebruikneming kan evenwel ook geschieden in een dienst van Schrift en Gebed. Deze zal dan uiteraard minder langdurig zijn. Kiest men voor een dienst van Schrift en Gebed, dan zal men op de eerstvolgende zondag de Maaltijd van de Heer vieren.
Tijdstip
Als datum voor de ingebruikneming van een kerkgebouw zal men gewoonlijk kiezen voor een weekdag. Doorgaans vindt de dienst dan plaats in de avond of op zaterdag, zodat zoveel mogelijk gemeenteleden en gasten aanwezig kunnen zijn.
Orde I
Opening (A en B)
De processie naar het kerkgebouw, ofwel van de gehele gemeente dan wel van een vertegenwoordiging daarvan, is, zoals gezegd, een beeld van het als pelgrim onderweg zijn van de gemeente.
De overdracht van de sleutel is nodig om de verandering van ‘eigenaar’ te markeren. Door de rite van de sleuteloverdracht wordt bevestigd dat het ‘bezit’ van het kerkgebouw overgaat van het college van kerkrentmeesters naar de gemeente, vertegenwoordigd door haar kerkenraad. Daarnaast spelen in het beeld van de sleutel ook allerlei bijbelse motieven mee. Deze klinken door in het gebed dat de voorganger bidt, nadat de gemeente de naam heeft geroepen van haar kerkgebouw.
De opening van de deur verwijst naar Christus die van zichzelf gezegd heeft, dat Hij de deur van de schapen is; wie daardoor binnenkomt, zal behouden worden, in- en uitgaan en weide vinden (Joh. 10: 7-9).
Zoals hierboven is aangegeven, kan men voor de ingebruikneming van een kerkgebouw kiezen uit een uitgebreide of een korte vorm:
Opening A
De plaats waar de gemeente zich verzamelt om op te trekken naar haar nieuwe kerkgebouw, is geheel afhankelijk van de omstandigheden. Men kan denken aan een naburig wijkgebouw, buurthuis of een school. Wanneer het weer het toelaat, is een plek in de open lucht ook denkbaar.
Na groet, bemoediging, een kort inleidend woord waarin de reden tot deze bijzondere samenkomst onder woorden gebracht wordt en de beurtspraak zetten allen zich in beweging. Een mogelijke volgorde voor de processie is: voorop enkele musici (bijvoorbeeld koperblazers), daarna voorganger en kerkenraad, gevolgd door de gemeente. Om de zang tijdens de processie te ondersteunen, kunnen leden van de cantorij zich mengen onder de gemeenteleden.
In de processie worden door van tevoren daartoe aangezochte personen liturgische voorwerpen meegedragen. Daartoe behoren in ieder geval:
- licht in de vorm van de brandende paaskaars;
- (nog niet brandende) kaarsen die op of naast de avondmaalstafel en bij de lezenaar gezet kunnen worden;
- water in een kruik, dat bestemd is voor de doopvont;
- de Bijbel;
- het avondmaalsgerei, bestaande uit schaal en bekers;
- de antependia voor de lezenaar en de altaartafel.
Voorop gaat iemand die de sleutel van het kerkgebouw meedraagt.
De paaskaars zal zo mogelijk branden, maar wanneer dit vanwege de weersomstandigheden niet haalbaar is, zal men haar aansteken wanneer men bij het kerkgebouw is aangekomen.
Afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden kan er een omgang rond de kerk plaatsvinden.
De overdracht van de sleutel vindt plaats vóór de ingang van de nieuwe kerk.
Bij alle teksten die in de open lucht worden uitgesproken, lette men op de verstaanbaarheid. Desgewenst zorgt men voor extra geluidsversterking.
Opening B
De gemeente bevindt zich hier reeds in de in gebruik te nemen kerkruimte. Buiten, vóór de ingang van de kerk stellen de voorganger en de leden van de kerkenraad en het college van kerkrentmeesters zich op. Zij vertegenwoordigen plaatsvervangend de gemeente bij het ritueel van het binnentrekken in het kerkgebouw.
De gemeente in het kerkgebouw staat en blijft staan tot en met de toewijding van de doopvont.
Ook hier lette men op de verstaanbaarheid van de onderdelen die bij de ingang van de kerk of achterin de kerkruimte zullen plaatsvinden.
Met het binnentrekken van de gemeente (opening A) of haar vertegenwoordigers (opening B) in het kerkgebouw achter de brandende paaskaars aan wordt evenals in de paasnacht uitgedrukt dat de opgestane Heer in alles zijn gemeente vóórgaat. Hij neemt ons mee in zijn huis. Hij leidt ons daarbinnen.
De paaskaars zal in de buurt van de doopvont gezet worden, omdat de gemeente door het sacrament van de doop deelt in de dood en opstanding van haar Heer.
Toewijding van doopvont, orgel (of ander muziekinstrument) en lezenaar
Met de onderdelen die nu volgen, de toewijding van achtereenvolgens doopvont, orgel (of een ander muziekinstrument) en lezenaar, krijgt de gemeente gaandeweg het kerkgebouw tot haar beschikking. Het wordt haar stapsgewijs toevertrouwd, opdat zij er de handelingen mag verrichten die haar tot gemeente van God maken: de doop in het bad van de wedergeboorte, de lofzang van haar Schepper en Bevrijder, het horen van zijn Woord (en verderop in de dienst: de viering van de Maaltijd).
De toewijding van de doopvont bestaat uit een gedachtenis waarin de betekenis van deze plaats wordt aangeduid. Vervolgens wordt er het water in gegoten, dat in de processie is meegedragen, en bidt de voorganger een zegengebed. De besprenkeling met water van de aanwezigen is facultatief. De besprenkeling, zo mogelijk met palmtakken, is een herinnering aan de eigen doop. Ook de besprenkeling van de kerkmuren, lezenaar en avondmaals- of altaartafel is facultatief. Zij onderstreept het zegenkarakter van dit moment. Het gebouw dat de gemeente wordt toevertrouwd, is immers een bijzonder gebouw, omdat het wordt toegewijd aan de dienst aan God en aan elkaar. Het besprenkelen met water betekent ook een reiniging (vergelijk het lied ‘Dit huis, gereinigd en versierd’ in de bundel Zingend Geloven I/II, 64).
In de toewijding van het orgel of een ander muziekinstrument speelt degene die het instrument bespeelt, de (cantor-)organist, uiteraard een rol. Hij of zij zet de beurtspraak in. Vervolgens zegt de voorganger het zegengebed. Dit onderdeel eindigt met het inzetten van een lofzang: een psalm of gezang of het Gloria.
De toewijding van de lezenaar wordt ingezet met een beurtspraak door een ouderling, lector of gemeentelid. Daarna wordt het antependium over de lezenaar heen gehangen (in de kleur van deze dienst: wit) en legt de voorganger de Bijbel erop. Eventueel worden er brandende kaarsen naast gezet, die met een hulpkaarsje zijn ontstoken vanaf de paaskaars. Het zegengebed van de voorganger is tegelijk het collectagebed dat de opmaat vormt voor de dienst van de Schriften.
Dienst van de Schriften
De dienst van de Schriften verloopt op de gebruikelijke wijze. Er kan voor twee of drie schriftlezingen gekozen worden. Zie de aangegeven suggesties. Na de geloofsbelijdenis kan de litanie van alle heiligen gezongen worden om uit te drukken dat de in dit gebouw samengekomen gemeente is opgenomen in een groter geheel: de kerk van alle tijden en alle plaatsen. Wanneer niet gekozen wordt voor de litanie, zinge men een ander passend lied. Hierna wordt de dienst voortgezet, ofwel met de Maaltijd van de Heer, ofwel met de dienst van gebeden en gaven.
Viering van de Maaltijd van de Heer
Kiest men voor de viering van de Maaltijd van de Heer, dan begint deze met de toewijding van de altaar- of avondmaalstafel. (Deze termen, afkomstig uit respectievelijk de lutherse en calvinistische traditie zijn synoniem; ze worden in de orde afwisselend gebruikt.) Na de beurtspraak, ingezet door een diaken, spreekt een ouderling een tekst uit, waarin de betekenissen van de altaartafel in de vorm van een gedachtenis geduid worden. Vervolgens wordt de avondmaalstafel ‘aangekleed’ met antependium, brandende kaarsen (ontstoken aan de paaskaars), schaal en bekers. Ten slotte spreekt de voorganger weer het zegengebed uit.
Daarna vindt de viering van de Maaltijd plaats op de gebruikelijke wijze. Voor de prefatie van het tafelgebed worden drie mogelijkheden aangeboden. Elk op eigen wijze roepen zij bijbelse beelden op, die het kerkgebouw en de gemeente die daarin samenkomt, zin en richting geven.
Overzicht orde I (uitgebreide vorm)
OPENING A. Wanneer de gehele gemeente de kerk binnentrekt | OPENING B. Wanneer de gemeente zich reeds in de kerk bevindt. |
|---|---|
Groet |
Groet |
Toewijding van de doopvont Toewijding van het orgel of ander muziekinstrument Toewijding van de lezenaar
DE HEILIGE SCHRIFT zoals gebruikelijk Prediking Geloofsbelijdenis of litanie van alle heiligen
MAALTIJD VAN DE HEER of GEBEDEN EN GAVEN Toewijding van de avondmaalstafel en het avondmaalsgerei [Dankzegging en] voorbede etcetera
ZENDING EN ZEGEN |
Orde II (korte vorm)
In deze korte orde van ingebruikneming van het kerkgebouw is het gezang ‘Hoe goed, o Heer, is ’t hier te zijn’ (Lied 972) het ordenend beginsel voor de handelingen die plaatsvinden. Voorganger, dienstdoende kerkenraadsleden en eventueel een aantal gemeenteleden komen de kerkruimte binnen, terwijl de liturgische voorwerpen worden meegedragen, die al gaande op hun bestemde plaats worden neergezet of -gelegd.
De paarsgewijze strofen van het lied kunnen desgewenst worden onderbroken met schriftteksten die de betekenis van de diverse plaatsen in de kerkruimte – doopvont, avondmaals- of altaartafel en lezenaar – aanduiden. Na de bemoediging eindigt de ingebruikneming met een gebed van toenadering, dat zijn bewoordingen grotendeels ontleent aan het gebed van koning Salomo bij de inwijding van de tempel (1 Kon. 8: 23v.). De dienst verloopt dan verder op de gebruikelijke wijze.
Heringebruikneming van een kerkgebouw
Orde I (uitgebreide vorm)
Het voornaamste verschil met orde I voor de ingebruikneming van een kerkgebouw is dat de zegengebeden hier zijn weggelaten. Het gaat immers om een gebouw dat eenmaal reeds is toegewijd aan de dienst van God en de gemeente, maar dat nu – na restauratie of renovatie – weer in gebruik wordt genomen. Een verschil is ook dat de handeling van de sleuteloverdracht ontbreekt. Het kerkgebouw is namelijk niet onteigend, maar steeds bezit van de gemeente gebleven.
Het gebouw wordt dus gaandeweg in gebruik genomen, doordat de gemeente in processie langs de diverse plekken (doopvont, orgel of ander muziekinstrument, lezenaar, avondmaalstafel) in de ruimte trekt. Een zegening in strikte zin van deze elementen ontbreekt, omdat ze in feite indertijd, bij de ingebruikneming, reeds gezegend zijn.
Mochten echter na de restauratie of renovatie ook doopvont, orgel of ander muziekinstrument, lezenaar en altaartafel vernieuwd zijn, dan worden deze elementen uiteraard wel gezegend. Zie voor de betreffende teksten orde I voor de ingebruikneming van een kerkgebouw.
Orde II (korte vorm)
De structuur van deze korte orde voor de heringebruikneming van een kerkgebouw is in wezen gelijk aan orde II voor de ingebruikneming. Vormt in deze laatste orde, Gezang 318 uit het Liedboek voor de kerken de leidraad voor de gang door het kerkgebouw, het eigene van deze orde is dat de gemeente met andere passende schriftteksten en daarop aansluitende liederen opnieuw wordt toevertrouwd aan het gebouw.
Het is niet de bedoeling de aangegeven liederen integraal te zingen. Dat zou de dienst ‘topzwaar’ maken. Veelal kan gekozen worden voor één of meer geschikte strofen.
Ingebruikneming van klokken
De ingebruikneming van klokken vindt plaats als een zelfstandige dienst of als onderdeel van een zondagse kerkdienst. In dit laatste geval beperkt de ritus van de zegen zich tot een inleidend woord en het zegengebed. Deze vormen dan een onderdeel van de dienst van de gebeden.
Voor de ingebruikneming verzamelt de gemeente zich rond de klokken die zich vóór of in (de hal van) de kerk bevinden. Meestal zijn zij op een houten staander geplaatst.
Het kan voorkomen dat de klokken eigendom zijn van de burgerlijke gemeente, een stichting of een andere instelling. In dat geval zal er eerst gelegenheid zijn voor een kort woord door een vertegenwoordiger van deze instantie. Na het zegengebed kunnen de klokken worden aangeslagen. Na de zegen worden de klokken omhoog gehesen en in de klokkenstoel geplaatst.
Ingebruikneming van een orgel of ander muziekinstrument
De ingebruikneming van een orgel of een ander muziekinstrument vindt plaats als een zelfstandige dienst of als onderdeel van een zondagse kerkdienst of een vesperdienst.
Vindt de ingebruikneming plaats in het kader van de zondagmorgendienst, dan beperkt de ritus van de zegen zich tot een inleidend woord en het zegengebed. Deze maken dan deel uit van de dienst van de gebeden.
Wordt het orgel of het andere muziekinstrument tijdens vespers in gebruik genomen, dan gebeurt dit aan het begin van de dienst. Na een openingsvers of de bemoediging volgen het inleidend woord en het gebed. Na het eerste orgelspel (of de eerste bespeling van het instrument) zet men de vesper voort met hymne, psalmgebed, schriftlezing, enzovoort.
Ingebruikneming van avondmaalsgerei
De zegening van het nieuwe avondmaalsgerei vindt plaats tijdens een zondagse kerkdienst waarin de Maaltijd van de Heer gevierd wordt. Aan het begin van de dienst kunnen schaal en beker(s) door diakenen worden meegedragen en op de avondmaals- of altaartafel worden neergezet. Voorafgaand aan of volgend op de dienst van de gebeden vindt in een enkel woord een toelichting plaats op het in gebruik te nemen avondmaalsgerei. Daarna bidt de voorganger, staande achter de tafel, het zegengebed. De dienst wordt voortgezet met de voorbede of met de inzameling van de gaven en het klaarmaken van de tafel.
Ingebruikneming van liturgische kleding
Wanneer de voorganger voor het eerst het nieuwe gewaad draagt, kan daarvan in een inleidend woord melding worden gemaakt. Eventueel wordt daarbij verwezen worden naar schriftteksten als Jes. 61: 10, Ef. 4: 24 of Gal. 3: 27, waarin gesproken wordt over het bekleed worden met de mantel der gerechtigheid, de nieuwe mens, Christus. In de voorbede kan de diaken om zegen vragen voor de predikant en de gemeente. Zie daarvoor bij wijze van suggestie de aangegeven formulering. Wanneer de cantorij nieuwe liturgische gewaden in gebruik neemt, kan ook voor haar gebeden worden.
Ingebruikneming van antependia
De zegening van nieuwe in gebruik te nemen antependia vindt plaats in het kader van de gebeden, bijvoorbeeld voorafgaand aan de voorbede. Ook denkbaar is een moment aan het begin van de dienst. Bij de intrede kunnen de nieuwe kleden worden meegedragen door een of meer diakenen, die ze op een aparte tafel neerleggen.
Voorafgaand aan de dienst van de gebeden kan in een enkel woord een toelichting gegeven worden bij de afbeeldingen op de antependia en de betekenis van de kleuren. Een of meer diakenen nemen de antependia van de tafel waarop deze zijn neergelegd, en komen voor of terzijde van de voorganger staan. Na het zegengebed kunnen de antependia voor de betreffende dag over de lezenaar en/of altaartafel worden gehangen. Hierna volgt de voorbede.
Het is uiteraard mogelijk dat niet alle antependia tegelijk in gebruik worden genomen. In het geval dat slechts één antependium aan de eredienst wordt toegewijd, zal de tekst van het zegengebed worden aangepast.
Wanneer de nieuwe antependia de oude vervangen, zullen de oude vóór het uitspreken van het zegengebed worden weggehaald.
Ingebruikneming van een kunstwerk
De ingebruikneming van een kunstwerk vindt plaats tijdens de zondagse eredienst in het kader van de gebeden. Het kunstwerk bevindt zich zo mogelijk op een zichtbare plaats in de gemeente. Het is ook mogelijk dat de gemeente zich begeeft naar de plek waar het kunstwerk zich bevindt (bijvoorbeeld in het geval van een venster). In een enkel woord kan een toelichting gegeven worden op de betekenis van het kunstwerk. Na het zegengebed wordt de dienst vervolgd met de voorbede.
Buitengebruikstelling van een kerkgebouw
Het buiten gebruik stellen van een kerkgebouw vindt plaats aan het eind van een zondagse eredienst. Als gebed van toenadering wordt een gebed aangereikt, dat het ‘voor de laatste keer hier bijeen zijn’ benoemt en eindigt met een acclamatie die in het afscheidsritueel als refrein zal klinken.
Na de Maaltijd van de Heer (of na gebeden en gaven) wordt op diverse plaatsen gedenkend en biddend stilgestaan: waar de maaltijd is gevierd, waar gelezen en verkondigd is, waar gedoopt is, waar geknield werd, waar de kist met de gestorvene stond, enzovoort. Elk gebed eindigt met de acclamatie ‘Blijf in ons midden, ga met ons mee.’ Dan worden de draagbare voorwerpen (zoals de bijbel) aan gemeenteleden of ambtsdragers gegeven om ze straks de kerk uit te dragen. Er zijn hierbij twee volgordes denkbaar.
Een dienst van de heilige Schrift en de Maaltijd van de Heer eindigt bij de tafel. Daar begint orde I. De rondgang gaat van de tafel die wordt afgeruimd, via de ‘knielplek’ naar de kansel of lezenaar, de doopvont en de paaskaars. Orde II maakt de beweging andersom: van de paaskaars naar de tafel terug. Dit heeft te maken met de manier van opstellen voor de stoet die straks de kerk uitgaat. Of men voor orde I of II kiest, zal ook afhangen van de mogelijkheden die het gebouw biedt.
In orde I blijven de dragers op de plek staan, waar zij het voorwerp in handen krijgen, te beginnen met de voorwerpen van de ontruimde tafel en eindigend met de paaskaars. Dan staan alle dragers voorin de kerk klaar. Zending en zegen leiden de uittocht in. Tijdens het slotlied gaan de dragers door het middenpad naar buiten, met de paaskaars voorop; daarna de cantorij, alle ambtsdragers en ten slotte de gemeente.
In orde II begeeft ieder die een voorwerp in handen krijgt, zich direct naar het einde van het middenpad en stelt zich alvast op voor de stoet. Omdat de paaskaars voorop zal gaan, wordt hiermee begonnen en eindigt deze rondgang bij de tafel die wordt ontruimd. Na zending en zegen zet de stoet zich in beweging; ook hier sluiten cantorij, ambtsdragers en gemeente zich bij de dragers aan.
Als iedereen buiten staat, draait de voorzitter van de kerkenraad de deur op slot en overhandigt die aan de voorzitter van het college van kerkrentmeesters. Dit is het spiegelbeeld van de orde bij de ingebruikneming van de kerk: daar geeft de voorzitter van het college van kerkrentmeesters (verantwoordelijk voor het gebouw) de sleutel aan de voorzitter van de kerkenraad (verantwoordelijk voor de daar te houden erediensten), die de deur opent. Hier wordt de sleutel teruggeven aan degene die moet zorgdragen voor wat er met het kerkgebouw gaat gebeuren.
Na het sluiten van de kerk begeeft de gemeente zich naar het nieuwe (al of niet tijdelijke) onderkomen, waar een verwelkoming kan plaatsvinden.