Plaatsbepaling en uitgangspunten
Plaatsbepaling en uitgangspunten
Plaatsbepaling
God staat aan het begin
en Hij komt aan het einde.
Zijn woord is van het zijnde
oorsprong en doel en zin.
(Jan Wit, Liedboek voor de Kerken, Gezang 1 vers 4)
Op de weg tussen oorsprong en doel van het leven van ieder mens is God aanwezig en begeleidt Hij ons. Op verschillende momenten hebben mensen het besef dat zij niet alleen gaan. Daarom zoeken zij op hoogte- en dieptepunten in hun leven de ontmoeting met God en met elkaar.
De aandacht voor rituelen op de levensweg is in onze tijd niet slechts in de kerk aan de orde, maar doortrekt onze gehele cultuur. Binnen en buiten de kerk blijkt behoefte te bestaan aan rituelen die op ingrijpende momenten de vragen naar zin en samenhang van het leven begeleiden. De kerk ontwikkelde in haar tradities heel eigen vormen waarin de ontmoeting met God op de levensweg gestalte kreeg. Deze kerkelijke vormen sluiten niet vanzelfsprekend aan bij vormen buiten de kerk, maar oriënteren zich wel mede aan deze vormen. Juist ten aanzien van rituele momenten in het leven lijkt in onze tijd te gelden wat Paulus aan de gemeente in Athene voorhield: ‘Want toen ik in de stad rondliep en alles wat u vereert nauwlettend in ogenschouw nam, ontdekte ik ook een altaar met het opschrift: “Aan de onbekende god”. Wat u vereert zonder het te kennen, dat kom ik u verkondigen.’ (Handelingen 17:23).
De inbedding en verworteling van de liturgie in het leven van mensen is wereldwijd in de kerken aan de orde. Zo hebben in de afgelopen jaren zowel de World Alliance of Reformed Churches (WARC) als de Lutheran World Federation (LWF) zich bijvoorbeeld bezig gehouden met de vormgeving van het doopritueel. Zij bepleiten een nadrukkelijk verband tussen deze liturgie en de cultuur waarin zij gestalte krijgt.
Om dit zoeken naar de ontmoeting met God op de levensweg te ondersteunen en richting te geven, publiceerden kerken voor en na de Reformatie min of meer uitgewerkte liturgieën voor de doop, de trouwviering, de uitvaart, de ziekentroost, alsmede ook huisgebeden. Ook de dienstboeken van de hervormde, gereformeerde en lutherse kerken uit de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw bevatten, naast de orden voor de zondagse eredienst, orden en gebeden voor de specifieke momenten op de levensweg. In vervolg op deze dienstboeken en in samenhang daarmee verschenen enkele voorlopige liturgische handreikingen van de hervormde, gereformeerde en lutherse kerken met nieuwe orden en gebeden voor zowel de zondag als bijzondere gebeurtenissen in het leven van de gemeenteleden. De gezamenlijke synoden van de Samen op Weg-kerken besloten in 1985 tot de publicatie van een reeks Proeven voor de Eredienst, die het kader zou kunnen vormen voor de eredienst van de gemeente en het persoonlijke leven van de gemeenteleden.
De eerste aflevering van de Proeven voor de Eredienst verscheen in 1987. Het betrof ‘Liturgie in dagen van Rouw’. Later volgden de proeven voor de ‘Bevestiging van ambtsdragers’ (1989) en ‘Doop en belijdenis’ (1993). Deze proeven hebben een brede respons opgeroepen en zijn in dit deel van het Dienstboek op grond van evaluaties soms ingrijpend herzien. Ten slotte verscheen in de reeks tot nu toe het DIENSTBOEK – een proeve, deel I, Schrift – Maaltijd – Gebed, waarin de orden voor de ‘Zondag, feest- en gedenkdagen’ en het ‘Dagelijks gebed’ zijn opgenomen. Bij de orden voor de Maaltijd van de Heer ontbraken nog orden voor de viering van het heilig Avondmaal in bijzondere omstandigheden. Deze zijn nu in dit DIENSTBOEK – een proeve, deel II opgenomen.
In het gesprek over de liturgische formulieren uit de gereformeerde traditie deden zich in de afgelopen jaren enkele opmerkelijke ontwikkelingen voor. In brede kring werd de behoefte gevoeld aan een hertaling die deze formulieren opnieuw zou doen klinken in de oren van de huidige generaties. In 2000 verscheen daartoe een proeve: ‘Klassieke liturgische formulieren. Een hertaling. Voorlopige uitgave vanwege de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk’ (Hellevoetsluis, z.j.). Kerkenraden en individuele gemeenteleden hebben zich in deze proeve verdiept. In vele gemeenten is de proeve ook gebruikt. Dit alles heeft geleid tot een groot aantal reacties. Deze hebben bij het opstellen van de definitieve tekst door een gezamenlijke werkgroep van de Redactie Dienstboek en de Gereformeerde Bond een belangrijke rol gespeeld.
In de afgelopen decennia groeide, mede onder invloed van de hierboven geschetste ontwikkelingen in de samenleving, de vraag naar
nieuwe orden en gebeden voor uiteenlopende pastorale situaties
in het leven van de gemeente. Nieuw is de mogelijkheid voor de
zegening van kinderen en volwassenen op weg naar de doop of
de dankzegging bij geboorte of adoptie. Ook nieuw zijn naast de
orden voor de inzegening van het huwelijk de orden voor de zegening van andere levensverbintenissen. In het pastoraat ontstond behoefte aan orden en gebeden bij de bediening van de
verzoening evenals voor de zegening en zalving van zieken. In aansluiting bij het ‘Dagelijks Gebed’ in deel I van DIENSTBOEK – een
proeve wordt in dit deel van het Dienstboek aandacht gegeven
aan het geloofsleven van de gemeenteleden thuis. Met name worden gebeden aangeboden voor gemeenschapsvieringen rond de
huiselijke tafel. Onder meer door gemeenteleden die zich ook tot
migrantenkerken rekenen, werd gevraagd om orden voor de ingebruikneming van een nieuwe woning. Voor wie een belangrijke
tocht in hun leven gaan ondernemen is een reiszegen te vinden.
Door de voortgaande kerkbouw, de vernieuwing of restauratie van kerkgebouwen, maar ook door het samengaan van gemeenten en het teruglopende kerkbezoek kwam er opnieuw vraag naar orden voor de (her)ingebruikneming of buitengebruikstelling van kerkgebouwen. De betreffende orden vormen de neerslag van de bezinning op de functie van een kerkgebouw in het leven van de gemeente. Eén van de aangeboden orden sluit nauw aan bij het Dienstboek NHK (1955).
Het is de pastorale taak van de kerk en van al haar leden om de ontmoeting met God en de naaste te zoeken op de weg naar doop en avondmaal, in het dagelijks leven, op momenten van specifieke toewijding, bij de viering van trouw en in dagen van rouw, in vreugde en verdriet, thuis en onderweg. Het DIENSTBOEK – een
proeve, deel II, Leven – Zegen – Gemeenschap biedt voor deze bijzondere pastorale momenten een liturgische handreiking, met behulp waarvan mensen zich bemoedigd kunnen weten door de trouw van God, de liefde van Christus en de kracht van de heilige Geest.
Uitgangspunten
Doop en belijdenis, Maaltijd van de Heer
Dan zul je begrijpen dat ik in mijn Vader ben,
dat jullie in mij zijn en dat ik in jullie ben.
(Johannes 14:20)
Door de doop worden mensen opgenomen in de gemeente van Christus. Zo worden zij ledematen van zijn Lichaam en delen zij in de onvoorwaardelijke genade van God.
In de viering van de Maaltijd van de Heer wordt de band met de opgestane Heer iedere keer weer vernieuwd en versterkt. Het heilig avondmaal geeft de leden van de gemeente een waarachtige gemeenschap met Hem en in Hem met elkaar. Door de werking van de heilige Geest sterkt de Heer zijn gemeente met het hemelse brood als voedsel op haar pelgrimsweg naar Gods koninkrijk.
Ambt en bedieningen
In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk,
ten bate van de gemeente.
(1 Korintiërs 12:7)
De heilige Geest roept mensen tot geloof en heiligt hen met zijn gaven. Hij rust hen toe opdat zij in woord en daad getuigen van Gods liefde en barmhartigheid. Hij schenkt de gemeente een verscheidenheid van genadegaven, van ambten en bedieningen, maar steeds zijn ze bedoeld tot verkondiging van het evangelie en tot opbouw en toerusting van het Lichaam van Christus.
Bediening van de verzoening
Daarom ook is iemand die één met Christus is,
een nieuwe schepping.
Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen.
Dit alles is het werk van God.
Hij heeft ons door Christus met zich verzoend
en ons de verkondiging daarover toevertrouwd.
(2 Korintiërs 5:17-18)
God is de bron van alle barmhartigheid. Waar mensen tekort schieten tegenover God en elkaar, is het Christus die verlossing schenkt met zijn vergevende genade. In de gemeente is de dienst van de verzoening erop gericht dat geschonden relaties hersteld kunnen worden en mensen gereinigd en vernieuwd kunnen leven voor Gods aangezicht.
Zegeningen
De HEER zegene u en behoede u;
de HEER doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig;
de HEER verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede.
(Numeri 6:24-26)
God, onze God, zegent ons,
zodat men ontzag voor hem heeft
tot aan de einden der aarde.
(Psalm 67:7-8)
Zegen, opdat u ook zelf zegen ontvangt,
want daartoe bent u geroepen.
(1 Petrus 3:9)
Het leven van mensen staat onder Gods zegen. Dat God mensen zegent, zullen zij in dankbaarheid ontvangen. Het antwoord op Gods zegen is lofzang en gebed. Daarin zullen zij God groot maken, zijn Naam prijzen, Hem zegenen.
God stelt de mens tot zegen. Het is de roeping van de gemeente en van elk lidmaat een zegen te zijn van Godswege. Er zijn vele momenten in een mensenleven waarbij deze zegen geschonken en ontvangen mag worden: bij de geboorte of adoptie van een kind, het betrekken van een nieuwe woning, het aanvaarden van een belangrijke reis of pelgrimstocht of tijdens de dagelijkse maaltijd. In heel het menselijk bestaan doet Christus zijn geliefden Gods aanwezigheid ervaren door de invloed van zijn heilige Geest. Zij mogen zich gezegend weten door de Gezegende die komt in de naam van de HEER. In de zegen wordt Gods menslievendheid zichtbaar. Hij wendt zijn lieflijk aangezicht tot de mens en maakt zijn Naam waar, die is: Ik zal er zijn voor u.
Maar hij was het die onze ziekten droeg,
die ons lijden op zich nam;
zijn striemen brachten ons genezing.
(Jesaja 53:4a.5b)
De Heer is liefdevol en barmhartig.
(Jakobus 5:11d)
In ziekte en pijn, in aanvechting en gebrokenheid wordt aan mensen Gods weldadige zegen niet onthouden. De zegen van de Heer krijgt in dergelijke omstandigheden een bijzondere betekenis: die van ondersteuning, bemoediging, kracht, heelwording. Christus, die zelf geleden heeft, staat de zieke in zegen en zalving bij met de genade van zijn heilige Geest en doordringt hem/haar met zijn heilzame aanwezigheid.
Vanuit Christus groeit het hele gebouw, steen voor steen,
uit tot een tempel die gewijd is aan hem, de Heer,
in wie ook u samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door zijn Geest.
(Efeziërs 2:21-22)
De gemeente is hier op aarde als een volk van pelgrims op weg naar Gods koninkrijk. Op die weg mag zij op gezette tijden op adem komen in het huis van de Levende. Het kerkgebouw is het huis van de gemeente, waar de Schriften opengaan en de heilsgeheimen worden gevierd. Tegelijk is het kerkgebouw het huis van God, een bijzondere plek waar zijn Geest de gemeente heiligt tot het lichaam van Christus. Wanneer een kerkgebouw door de gemeente in gebruik wordt genomen, wordt dit gaandeweg als een gave aan haar toevertrouwd. Het wordt met al haar elementen toegewijd aan de dienst van God en de dienst van mensen. Het deelt in de zegen van de Allerhoogste die er zijn Naam doet kennen en zijn volk wil ontmoeten.
Inzegening van een huwelijk en zegening van andere levens-
verbintenissen
De HEER, onze God, heeft bij de Horeb
een verbond met ons gesloten.
(Deuteronomium 5:2)
Trouw en waarheid omhelzen elkaar,
recht en vrede begroeten elkaar met een kus,
uit de aarde bloeit de waarheid op,
het recht ziet uit de hemel toe.
(Psalm 85:11-12)
Draag mij als een zegel op je hart,
als een zegel op je arm.
Sterk als de dood is de liefde.
(Hooglied 8:6ab)
God is de God van het verbond. De wereld en die haar bewonen, gaan Hem ter harte. Hij heeft hen lief en in zijn trouw rust Hij niet voordat gerechtigheid en vrede voorgoed gevestigd zijn.
Gedragen door het verbond van God met mensen sluiten mensen ook een verbond met elkaar. Zij hebben elkaar lief, vertrouwen elkaar en beschouwen vrede, vreugde en geluk als een gave die zij van elkaar ontvangen en als een opgave voor elkaar. Dit verbond van mensen met elkaar is een verbond van liefde en trouw voor Gods aangezicht en staat onder zijn zegen. Daarom wordt in de kerk het huwelijk van man en vrouw ingezegend, zoals ook andere levensverbintenissen gezegend worden.
Uitvaart en rouw
Dus of we nu leven of sterven, we zijn altijd van de Heer.
Want Christus is gestorven en weer tot leven gekomen
om te heersen over de doden en de levenden.
(Romeinen 14:8b-9)
God zelf zal als hun God bij hen zijn.
Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen.
Er zal geen dood meer zijn, geen rouw,
geen jammerklacht, geen pijn.
(Openbaring 21:3-4)
De gemeente van Christus is aanwezig in het leven van haar leden door hen bij te staan met liefde, aandacht, zorg en gebed. Wanneer een dierbare door de dood is weggenomen, wordt in woord en gebaar tot uitdrukking gebracht dat God trouw blijft, over de grens van de dood heen. In hun pijn en verdriet om het gemis is Hij de nabestaanden nabij met zijn troost en zegen. Het afscheid van en de rouw om een gestorvene worden getekend door de verbondenheid in Christus die de dood voorgoed heeft overwonnen. Wie met Hem is gestorven, zal met Hem opstaan tot nieuw en eeuwig leven.
Voor de Redactie Dienstboek: