Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud
Vindplaats van geloof, hoop en liefde
subline-curl
Dienstboek

Inleiding (algemeen)

Bewerk hoofdstuk Split hoofdstuk

Inleiding Zegeningen

 

Woordgebruik

In ons taalgebruik komen nog tal van uitdrukkingen en zegswijzen voor, die herinneren aan wat mensen als een zegen hebben beleefd: een gezegende (= hoge) leeftijd, een vrouw in gezegende omstandigheden (= zwanger). Mensen geven elkaar de ruimte met een mijn zegen heb je en als iets maar niet wil lukken, zegt men: er rust geen zegen op. Elkaar gelukwensen, bijvoorbeeld op een verjaardag of bij een geboorte. is een vorm van zegenen. Met de jaarwisseling wensen we elkaar veel heil en zegen. Be-

groeting en afscheid zijn van origine zegenwensen. In formuleringen als God bless you, grüß Gott, adieu, adiós, sjaloom en goodbye – een samentrekking van God be with you – is dit nog

goed te horen.

 

Het woord zegen kan in meerdere betekenissen gebruikt worden. Ten eerste kan het de aanduiding zijn van wat wel genoemd wordt een taalhandeling: de woorden die worden uitgesproken, gaan in de regel gepaard met bepaalde gebaren. Woord en handeling vormen een twee-eenheid. Gedacht kan worden aan de zegening van de gemeente aan het einde van een kerkdienst, waarbij de voorganger de armen opheft en een zegen uitspreekt (Numeri 6:22-26). De zegen blijft soms beperkt tot een spreuk. In het boek Genesis lezen we bijvoorbeeld dat Jakob zijn zonen zegent, ieder met een eigen zegen (Genesis 49:1-28). Het gaat hier onmiskenbaar om de bewoordingen waarin de zegen vervat is. Er wordt niet vermeld dat deze woorden gepaard gaan met een handoplegging, al kan dat verondersteld zijn. Ook het omgekeerde komt voor. De zegen wordt woordloos voltrokken in de vorm van een symbolische handeling: het slaan van een kruis.

In de tweede plaats kan met het woord zegen de werkzame

tegenwoordigheid van God worden bedoeld: in zijn liefdevolle ontferming is de Eeuwige mensen nabij, Hij is God-met-ons. De

zegen is een gebeuren dat God en mens ‘bij elkaar brengt’. Het

zegenen is gericht op het in contact brengen van de mens met

God, op een overbrengen van de mens in het krachtenveld en in

de tegenwoordigheid van God. De zegen duidt ook datgene aan,

waarop de zegen als taalhandeling gericht is: het binnentreden en

verblijven in de heilzame tegenwoordigheid van de genadige God.

Ten derde kan zegen staan voor het goede dat uit Gods heilzame toenadering en tegenwoordigheid voortvloeit. Waar mensen die in de bijbelse verhalen een rol spelen, zich bewust zijn van hun gezondheid en welzijn, waar ze zich realiseren hoe machtig ze zijn, waar ze tot het besef komen dat zij veilig kunnen wonen en reizen – het ervaren van sjaloom – daar spreken zij van zegen (bijvoorbeeld Genesis 14:18-20; 24:34-36; Deuteronomium 28:2-14). Ook tastbare zaken als brood, schapen, geld, kinderen kunnen ervaren worden als een geschenk uit de hemel en daarom worden aangeduid als zegen.

 

Een onderbelicht thema

In de geschiedenis van het protestantisme heeft het thema

zegen/zegenen weinig of geen aandacht gekregen. Slechts incidenteel, zoals bij een huwelijk, konden mensen een persoonlijke zegen

ontvangen. In het algemeen is men in de protestantse wereld op

dit punt zeer terughoudend geweest. Pas zeer recentelijk lijkt zich

geleidelijk een kentering af te tekenen. De blinde vlek die de protestantse theologie eeuwenlang heeft gekenmerkt, is sterk historisch bepaald. Aan het eind van de Middeleeuwen is een praktijk

gegroeid, waarbij het mogelijk is geworden werkelijk alles en iedereen te zegenen. Een oud rituelenboek vermeldt niet minder dan

177 verschillende zegeningen voor van alles en nog wat. De reformatoren hebben de middeleeuwse uitwassen van het te pas en te

onpas zegenen als bijgeloof afgewezen. Een nieuwe impuls kreeg

deze afwijzing in de tijd van de Verlichting. Iedere zweem van magie

probeerde men uit te bannen. De zegen werd nadrukkelijk gepresenteerd als een zegenbede om tot uitdrukking te brengen dat niemand over de zegen kan beschikken. Ook de kerk of ambtsdragers

niet. Waar gezegend wordt, gebeurt dit op hoop van zegen. Wanneer

gekozen wordt voor de omschrijving zegenbede is dat in de lijn

van de reformator Bucer, die de zegen typeerde als toegepaste

voorbede. Toch is het nodig hier te specificeren. Dat brengt ons bij

de vraag waarin, ondanks een zekere verwantschap, het onderscheid tussen zegen en voorbede gelegen is.

 

Voorbede en zegen

Als uitgangspunt nemen we de derde brief van Johannes. In deze brief, gericht aan Gaius, geeft de schrijver te kennen dat hij Gaius een goed hart toedraagt. Hij spreekt de wens uit dat het hem goed gaat en dat hij gezond is, zoals zijn ziel gezond is (3 Johannes 2). De tweerelatie wordt echter verbreed tot een driehoeksverhouding op het moment dat Johannes opmerkt dat hij voor zijn vriend Gaius bidt dat het hem goed gaat. Daarmee krijgt de wens het karakter van een voorbede. Bij een zegen wordt God eveneens als Dritte im Bunde voorondersteld. Degene die de zegen uitspreekt, verwijst daarbij naar God: Hij is het die de zegen verleent. Kenmerkend voor een gebed is dat de gelovig(en) zich richt(en) tot God. Bij een zegening wordt het woord gericht tot degene(n) die de zegen ontvangt (ontvangen). De blikrichting is bij een zegen dus net omgekeerd: de Heer zegent mensen.

 

De belofte van het evangelie

Daarom is de zegen eerder te beschouwen als een vorm van (uiterst geconcentreerde) woordverkondiging. Luther stelt in zijn commentaar op de Galatenbrief dat de zegen niets anders is dan de belofte van het evangelie. De zegen wordt bijgevolg niet óver mensen uitgesproken, maar tot mensen gericht. Dit impliceert dan ook dat bij een zegening degene(n) die gezegend wordt (worden) lijfelijk aanwezig moet(en) zijn, terwijl dit bij een voorbede geen voorwaarde behoeft te zijn. Met het verkondigde evangelie heeft de zegen gemeen dat het een toezegging is dat God heilzaam aan mensen handelt. Wanneer van het woord van de Heer gezegd kan worden dat het niet ledig, niet onverrichter zake tot Hem zal terugkeren, maar zal volbrengen waartoe Hij het zendt (Jesaja 55:11), dan gaat dit ook op voor de zegen. De zegen is niet slechts het uitspreken van een belofte, maar in de zegening voltrékt zich de belofte van heil. Door het uitspreken van de zegen gebeurt er iets aan en met mensen. Het laat zich vergelijken met de rol van de ambtenaar van de burgerlijke stand bij een huwelijksvoltrekking. Met het uitspreken van de zin ‘dan verklaar ik, als ambtenaar van de burgerlijke stand, in naam der wet, dat N en N door de echt aan elkaar verbonden zijn‘ wordt het huwelijk voltrokken en ís het paar in de echt verbonden. In soortgelijke zin wordt met het uitspreken van de zegen de zegen geschonken. De zegen overstijgt het karakter van een vrome, maar wellicht illusionaire wens, aangezien de zegen van God zelf afkomstig is en Hij ervoor garant staat dat zijn woord in vervulling gaat.

 

Een sacrament?

Ook een vergelijking met de sacramenten dringt zich op. Daarbij moet allereerst worden aangetekend dat het begrip sacrament in meerdere betekenissen gebruikt wordt. In het oecumenisch gesprek van protestantse en katholieke theologen wordt uitgegaan van drie criteria: 1) de instelling door Jezus Christus, 2) de betekenis van het sacramentele teken, 3) de samenhang van genadegave en sacramentele bediening.

Wat het laatste betreft wordt volmondig beaamd dat de zegen een genadegave is. Over de aäronitische zegen kan gesproken worden als een voertuig van de genade (vehiculum gratiae). In

de zegen wordt een mens Gods genade deelachtig. Overigens moet worden opgemerkt dat met de aanduiding van de zegen als genadegave te weinig wordt gezegd. Met de zegen wordt niet alleen genade verleend, maar meer nog Gods vrede (sjaloom). Ken-

merkend is in dit verband het spraakgebruik van de apostel Paulus die mensen groet met de zegenspreuk: genade en vrede …

 

Het tekenkarakter is evident. Het kruissteken over de gezegende(n) is onmiskenbaar een verwijzing naar Christus, de gekruisigde en opgestane Heer. Wanneer de zegening gepaard gaat met een handoplegging is niet alleen sprake van een zichtbaar gebeuren (verbum visibile), de zintuiglijke waarneming is nog directer en intenser. Degene die gezegend wordt, ervaart Gods zegen aan den lijve. Wie de zorgzame handen van de zegenaar op zich voelt, wordt zich bewust geborgen te zijn in Gods hand.

 

Herhaaldelijk vermelden de evangelisten dat Jezus mensen aanraakt en zegent. Bij genezingen bijvoorbeeld. Hij zegent kinderen. Hij zegent het brood bij wonderbare spijzigingen. En hij zegent de jongeren. Dopen doet Jezus niet, maar hij zegent. Hij geeft zelfs de opdracht te zegenen. Maar van een instelling kan nauwelijks gesproken worden. Immers, hoe kan Jezus iets instellen dat al lang ingesteld was? Men kan de zegen ‘het oudste sacrament’ noemen, wanneer men het criterium ‘instelling door Christus’ vervangt door het criterium ‘instelling door God’. Vanuit die vooronderstelling kan gesteld worden dat de zegen het ‘sacrament’ van het Oude Testament is, dat in het Nieuwe Testament overgenomen en bevestigd wordt. Rooms-katholieken rekenen zegenhandelingen tot de zogenaamde sacramentalia, op sacra-

menten gelijkende handelingen.

 

Conclusie

Samenvattend kunnen we concluderen dat de zegen niet op één lijn te stellen is met het gebed, de woordverkondiging of de sacramenten. Ook al zijn er een aantal overeenkomsten aan te wijzen, de zegen is van een geheel eigen orde.

 

 

De zegen in het Oude Testament

Al op de eerste bladzijde van de bijbel is sprake van zegeningen. In het scheppingsverhaal horen we dat de Schepper het leven dat Hij heeft geschapen zegent: op de vijfde dag worden dieren gezegend, op de zesde dag de mens (Genesis 1:22; 28). Gods zegen is met de schepping gegeven. Zijn zegen is onvoorwaardelijk en universeel geldig. De zegen heeft dus alles te maken met het geheim van het leven, dat zijn oorsprong vindt in God en door Hem tot zijn bestemming geroepen wordt. Dat leven, zo wordt ons te verstaan gegeven, zal goed zijn. Mensen worden gezegend met het oog op de toekomst. Aan mensen onderweg wordt een richting gewezen, een weg aangegeven naar de grote toekomst van God. In dit perspectief wordt de mens zijn plaats gewezen als rentmeester over Gods schepping. De zegen is daarmee uitdrukking van het verbond tussen God en mens, die, als beeld en gelijkenis van de Eeuwige, medeverantwoordelijk wordt gemaakt voor het verwerkelijken van Gods bedoelingen: de sjaloom,

rechtvaardige vrede voor mens en wereld. De oudtestamentische profeten verbinden dit woord met de verwachting van de eindtijd, het grote toekomstperspectief (Jesaja 52:7v.; Ezechiël 37: 26).

In de zegen wordt sjaloom geschonken, maar de gezegende wordt er tegelijkertijd bij bepaald dat het de roeping van een mens is anderen tot zegen te zijn en de vrede na te jagen (vgl. Hebreeën 12:14). Dit geeft aan de zegen een kritisch vermogen.

 

In het zegenrijke handelen van de Eeuwige kunnen vier aspecten onderscheiden worden:

- de zegen maakt heel,

- de zegen geeft kracht,

- de zegen biedt bescherming en

- de zegen sticht gemeenschap.

 

Afhankelijk van de situatie zal de nadruk nu eens meer op het ene aspect liggen, dan weer op een ander. Genoemde aspecten horen echter wezenlijk bijeen als onderscheiden componenten van het alomvattende bijbelse begrip sjaloom. In de bewoordingen van de aäronitische zegen komt een en ander duidelijk uit: ‘Moge de HEER u zegenen en u beschermen, moge de HEER het

licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn, moge de HEER u zijn gelaat toewenden en u vrede geven’ (Numeri 6:24-

26).

 

Genesis en de wijsheidsliteratuur

Het Hebreeuwse brk (zegenen) is een typisch Genesis-woord. Van de 398 keer dat brk in het Oude Testament voorkomt, staan 88 vindplaatsen in Genesis, met name in de verhalen van de aartsvaders en aartsmoeders. Hun gezegend zijn weerspiegelt zich in de voortgang van de geslachten, in de groei, de welstand en het aanzien van het volk. De zegen laat zich omschrijven als de concreet geworden wens van God tot welzijn van mensen.

Ook in de oudtestamentische wijsheidsliteratuur wordt veelvuldig over zegen gesproken. Dat is niet verwonderlijk als men bedenkt dat het in deze geschriften vaak gaat over zaken en taken uit het leven van alledag. Hier is niet het volk als geheel drager van de zegen, maar de enkeling wordt zegen in het vooruitzicht gesteld. De zegen van wijsheid manifesteert zich niet exclusief in Israël, maar is in alle culturen en godsdiensten terug te vinden.

 

Zegen en vloek

In Deuteronomium 28:1-14 worden de zegeningen – in deze tekst verbonden met het beloofde land en het naleven van de geboden – breed uitgemeten. In dit bijbelboek stuiten we op de gedachte dat gezegend zijn verplichtingen schept. Indien Israël de geboden niet onderhoudt en andere goden naloopt, roept het volk de vloek over zich af. Zegen en vloek zijn elkaars tegenpolen. Vloeken is een blokkade opwerpen op de weg naar Gods toekomst, de komst van het Rijk in de weg staan. Een vloek is datgene waarop geen zegen rust, wat strijdig is met Gods bedoelingen om te komen tot een wereld van vrede in gerechtigheid. Terwijl de zegen solidariteit bewerkt, brengt de vloek scheiding en vervreemding teweeg. Zegen en vloek zijn het grote thema van de Bileamgeschiedenis (Numeri 22-24).

 

Gezegend worden – tot zegen zijn

Doorgaans is het God die zegen geeft, maar niet alle zegen komt ‘van boven’. Er is sprake van tweerichtingsverkeer: God zegent mensen en mensen zegenen God (vaak vertaald met: loven, prij-

zen, respectievelijk dankzeggen). Die lofprijzing zal evenwel altijd berusten op een gave of daad van Gods kant. Van een derde variant is sprake wanneer mensen elkaar met een goed woord zegenen of metterdaad tot zegen zijn (vaak wordt zegenen dan

vertaald met: groeten, gelukwensen, bedanken, roemen). Gods

zegenend handelen vraagt om resonantie. Het is een solidariteitverklaring die niet zonder respons kan blijven. Een zegening

bevordert het welzijn en de kwaliteit van leven, is gemeenschapstichtend.

Gezien de aard van de zegen is het niet verwonderlijk dat Gods zegeningen vrijwel altijd mensen betreffen. Eenmaal wordt vermeld dat het veld gezegend wordt (Genesis 27:27), maar het is duidelijk dat de opbrengst van het veld mensen ten goede komt. In het scheppingsverhaal worden, zoals reeds gememoreerd werd, ook dieren gezegend. In Genesis 2:3 en Exodus 20:11 zegent God de sjabbat, en wel omdat de sjabbat gemaakt

is om de mens, om hem te bepalen bij Gods zegen en de daaruit voortvloeiende opdracht aan de mens om God bij de messiaanse voltooiing van zijn schepping te helpen. De Heer zegent het werk van Jobs handen en zijn verdere leven (Job 1:10 respectievelijk 42:12). Hij zegent de woning van de rechtvaardigen (Spreuken 3:33; vergelijk Jeremia 31:23), het gewas (Psalm 65:11) en het voedsel (Psalm 132:15); Hij zal brood en water zegenen van wie Hem dienen (Exodus 23:25), de vrucht van zijn schoot en de vrucht van zijn bodem (Deuteronomium 7:13), het land (Deuteronomium 26:15) en zijn kracht (Deuteronomium 33:11), het werk van mensenhanden (Deuteronomium 28:12).

 

Een opdracht voor priesters – een taak voor iedereen

Priesters krijgen van Godswege de opdracht de gemeente te zegenen (Numeri 6:22-27). Primair zijn het niet de individuele leden van de geloofsgemeenschap die gezegend worden, maar heel Israël. Slechts op één plaats wordt vermeld dat een priester (Eli) individuele gelovigen (Elkana en Hanna) zegent (1 Samuël 2:20).

Zegenen van het volk is aanvankelijk niet een privilege dat uitsluitend aan priesters is voorbehouden. Bij de ambtsaanvaarding van de priesters zegenen Mozes en Aäron als charismatische leiders van het volk (Leviticus 9:23). Mozes zegent het volk voor zijn dood (Deuteronomium 33:1). Ook koning David zegent het volk (2 Samuël 19:39). Bij de inwijding van de tempel spreekt Salomo eveneens een zegen uit over het volk (1 Koningen 8:14,55). Een enkele keer wordt vermeld dat een hooggeplaatst leider iemand zegent. Zo zegent Jozua Kaleb en koning David zegent Barzillai ten afscheid (Jozua 14:13; 2 Samuël 19:39).

Bovenstaande voorbeelden zijn ontleend aan het publieke leven. Daarnaast kan gewezen worden op tal van verhalen die illustreren dat er ook ‘thuis’, in het leven van alledag gezegend werd. Wanneer Isaäk oud geworden is, wil hij zijn oudste zoon Esau zegenen; de zieke Jakob zegent kort voor zijn dood zijn zonen en de zonen van Jozef – en in hen ook Jozef zelf (Genesis 27:1��4; Genesis 48 respectievelijk 49). Behalve de zegen op het sterfbed komen we het gebruik tegen om mensen die op reis gaan een reiszegen mee te geven. Wanneer Jakob voor Esau vlucht, krijgt hij een zegen van zijn vader mee, en wanneer Laban afscheid neemt van hem en zijn dochters zegent hij hen eveneens (Genesis 28:3–4 en Genesis 31:55). Ten slotte kan hier de bruidszegen nog genoemd worden. Rebekka wordt door haar broers gezegend (Genesis 31:55) en ook in het boek Tobit wordt een bruidszegen beschreven (Tobit 7:13).

 

Israël en de volkeren

De zegen is een dynamisch gebeuren. Wanneer God zich solidair verklaart met mensen, kan dat niet zonder gevolgen blijven. Het ‘vraagt’ om een antwoord. Anders gezegd: mensen worden gezegend niet alleen omwille van henzelf, maar ook om medemensen tot zegen te zijn. Een zegening bevordert daarmee het welzijn en de kwaliteit van leven, brengt mensen tot elkaar, zet aan tot vrede en gerechtigheid. Als de bekende steen in de vijver trekt de zegen om zo te zeggen steeds wijdere cirkels. Niets of niemand kan worden buitengesloten. De zegen heeft een universeel karakter, reikt tot de einden der aarde. Steeds wanneer in de Schriften gesproken wordt over de zegen die Israël wordt toegezegd, klinkt door dat ook de volkeren in die zegen zullen delen. Dergelijke uitspraken zijn zowel te vinden in de Thora, als bij de Profeten en in de Geschriften (vergelijk Genesis 12:1–3; Zacharia 8:13,23; Psalm 67:2–6).

 

Nieuwtestamentische aspecten

In de Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament (circa 250 voor Chr.), is het Hebreeuwse brk consequent weergegeven met eulogeingoed over iemand spreken. Ook in het Nieuwe Testament is de bandbreedte van het begrip zegen zo

breed als het kleurenspectrum van de regenboog: van de vruchtbaarheid van de aarde via het verlenen van bescherming en succes tot de gave van het eeuwige leven. De zegen wordt gezien als de heilbrengende kracht die:

- zaad rijkelijk doet groeien en de oogst laat gedijen (vergelijk de boerenregel in 2 Korintiërs 9:6v. en de gelijkenis van de

akker in Hebreeën 6:7v.);

- het leven behoedt en bewaart (op grond van die verwachtingen worden kinderen bij Jezus gebracht, Marcus 10:13–16);

- mensen de verzekering geeft dat zij behoren bij het Koninkrijk van God (Marcus 10:13–16); het is een kracht ten goede die

redding en heil brengt (Mattheüs 25:34; Handelingen 3:26;

28:28; Galaten 3:8v.,14,18,29; 4:1–7; Efeziërs 1:3,11,13v.; Hebreeën 12:17; 1 Petrus 3:9); die gerechtigheid en eeuwig leven

schenkt als gaven van de Geest (Galaten 3:6–14,21);

- in het geloof ook de gemeente versterkt en groeien laat (bijvoorbeeld Romeinen 1:8–15).

Over de zegen wordt gesproken in relatie tot schepping én verlossing, kerk én koninkrijk.

 

Zegen verbonden met Christus

In vergelijking met het Oude Testament wordt de zegen in het Nieuwe Testament sterk verbonden met de persoon van Christus. Jezus Christus wordt niet alleen beschreven als de gezegende bij uitstek, het unieke aan hem is dat Hij als geen ander zegen brengt (Lucas 1:42; Marcus 11:9; Mattheüs 23:39). In de evangeliën is de kinderzegening in Marcus 10:16 de enige plaats waar de aardse Jezus zegent. Bij Lucas blijft de zegen gereserveerd voor de tijd na de opstanding (Lucas 24:50v.) en in de redevoering van Petrus vormt de zegen het doel van Gods zending (Handelingen 3:26). De nadruk wordt gelegd op Gods heilsplan voor de wereld en de komst van Jezus Christus als Verlosser.

Deze concentratie van de zegen op Christus is het sterkst waarneembaar bij Paulus. Een sleutelrol speelt Galaten 3:6–4:7.

De apostel knoopt aan bij de belofte aan Abraham dat hij gezegend zal worden in zijn zaad (enkelvoud!) en geeft daaraan de duiding dat in Christus de belofte vervuld is. De gelovigen ontvangen door zijn plaatsvervangende vloekdood aan het kruis niet alleen gerechtigheid en (eeuwig) leven, als kinderen en erfgenamen van Abraham ontvangen zij ook de hem beloofde zegen.

In de aanhef van de brief aan de Efeziërs wordt de zegen tot allesomvattend verzamelbegrip voor heil. De auteur introduceert het leidmotief zegen driemaal in 1:3 en geeft de heilsbetekenis van Jezus Christus aan door de zegen met zijn persoon te identificeren: God zegent ons in Christus, die zelf één en al zegen is. Gods zegen heeft in de persoon van Jezus Christus voor altijd een menselijk gezicht gekregen. Het gelaat dat God in de zegen heeft laten zien, is en was altijd al het gelaat van Jezus Christus. In Hem heeft Hij ons uitverkoren, al voor de grondlegging van de wereld (vers 4).

 

Naast teksten waar de zegen verstaan wordt vanuit het leven en handelen van Christus, komen ook teksten voor waar de zegen niet alleen in verband gebracht wordt met de persoon van Christus, maar ook met God de Vader en de heilige Geest. (2 Korinthiërs 13:13; Galaten 4:4–6; Efeziërs 1:3–14).

 

Zegenwensen

Volledigheidshalve zij hier nog gewezen op zegenwensen waarin de specifieke Griekse term eulogein ontbreekt. Een voorbeeld van een dergelijke zegenspreuk is de joodse begroeting vrede

(zij) met u, een alledaagse groet, die met name in het verhaal van de uitzending van de zeventig (Lucas 10:5), alsook in de mond van de opgestane Heer een pregnante betekenis krijgt. De wijze waarop de aäronitische zegen geformuleerd is, laat al uitkomen dat in het begrip zegenen andere noties meeklinken, zoals be-

hoeden, omzien naar, genade en vrede.

 

Afscheidsrede

Aan deze priesterzegen herinnert in het Nieuwe Testament slechts de redactioneel vormgegeven afscheidszegen van Jezus aan het slot van het evangelie naar Lucas vanwege de opgeheven handen (Lucas 24:50). Toch betreft het hier niet de liturgische afsluiting van een offerdienst. Eerder nog doet de enscenering denken aan een afscheidszegen zoals we die kennen uit de oudtestamentische verhaaltraditie. De bewoordingen van de zegen worden niet weergegeven. In het evangelie naar Mattheüs is het net andersom. Aan het slot wordt niet verhaald van een zegen – althans niet expliciet –, wel zegt Jezus ondersteuning toe aan zijn leerlingen met de woorden: ‘En houd dit voor ogen: ik ben met

jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ (Matteüs

28:20). Niet alleen in het Oude Testament kunnen dergelijke toezeggingen verbonden worden met een zegen. In feite treft men in

de meeste nieuwtestamentische brieven een dergelijke slot-‘zegen’

aan. In dit verband kan ook gewezen worden op de afscheidsrede

in het evangelie van Johannes (14:16v.). In het vierde evangelie

monden deze beloften uit in de toezegging van vrede, geformuleerd op een wijze die associaties oproept aan de slotregel van

de aäronitische zegen: ‘Ik laat jullie vrede na, mijn vrede geef Ik

jullie …’ (Johannes 14:27). Hier is het evenwel niet God die vrede

geeft, maar Jezus. Híj zegent zijn leerlingen met vrede (vergelijk

Lucas 24:50v. en 2 Tessalonicenzen 3:16a). Geheel in die lijn

sluit dit betoog af met een naar Christus verwijzend vredesaanbod: ‘Ik heb dit gezegd opdat jullie vrede vinden bij mij. Jullie

zullen het zwaar te verduren krijgen in de wereld, maar houd

moed: ik heb de wereld overwonnen’ (Johannes 16:33).

 

Zegen en handoplegging

In de traditie van Oud en Nieuw Testament kent de handeling

van de zegen twee vormen. In het geval er meerdere mensen gezegend worden, is sprake van het opheffen van de handen (Le-

viticus 9:22; Jezus Sirach 50:20v.; Lucas 24:50v.) en bij het

zegenen van enkelingen vindt een handoplegging plaats (bijv. Genesis 48:14–20; Marcus 10:16). Vaak wordt gesproken over het

opleggen van de handen, zonder dat dit ritueel een zegening genoemd wordt (Numeri 27:18,23; Deuteronomium 34:9; Handelingen 6:6; 8:17–19; 13:3; 19:6; 1 Timoteüs 4:14; 5:22; 2

Timoteüs 1:6; Hebreeën 6:2). Wel gaan handoplegging en gebed

soms samen, zodat incidenteel misschien toch gedacht kan worden aan een zegenbede (Handelingen 6:6; 13:3). Hebreeën 6:1–3

laat duidelijk uitkomen dat het opleggen van de handen zeker

niet als een bijkomstigheid mag worden beschouwd. Blijkbaar

behoort de leer van de oplegging van de handen tot een onmisbaar onderdeel van het onderricht aangaande Christus. Slechts

op twee plaatsen in het Nieuwe Testament wordt het opleggen

respectievelijk opheffen van de handen aangemerkt als zegenen

(Marcus 10:16 par.; Lucas 24:50).

Oudtestamentische gegevens

Wat de betekenis van het ritueel van de handoplegging is, wordt nergens toegelicht. Een globale inventarisatie van oudtestamentische gegevens wijst uit, dat bij een offerritueel één hand op de kop van het offerdier wordt gelegd (onder andere Leviticus 1:4). Dit gebaar geeft aan dat het offerdier toebehoort aan degene die het offer brengt. Het offer wordt in zíjn naam gebracht, de genade zal hém ten deel vallen. Wanneer het offer door meer dan één persoon wordt gebracht, leggen alle betrokkenen het dier de handen op (Exodus 29:10,15,19; Leviticus 4:15; 8:14,18; 2 Kronieken 29:23). De gedachte dringt zich op dat het offerdier plaatsvervangend moet sterven. Dit betekent echter niet zonder meer dat de oplegging van de handen als zodanig het gebaar is, waarmee de plaatsvervanging tot uitdrukking wordt gebracht.

Het opleggen van de handen op de kop van een offerdier vormt ook een onderdeel van het ritueel voor de indiensttreding van de Levieten (Numeri 8:9v.). Zij krijgen de handen opgelegd van de (= alle) Israëlieten. Deze formulering laat uitkomen dat de Levieten Israëls gave (in plaats van de eerstgeborenen) aan de Heer zijn.

Mozes legt zijn opvolger Jozua de handen op en dan kan van hem gezegd worden dat hij ‘vervuld was met de geest van wijsheid sinds Mozes hem de handen had opgelegd. Daarmee deden de Israëlieten wat de HEER tegen Mozes had gezegd.’ (Numeri 27:23; Deuteronomium 34:9). Ook hier kan weer de vraag gesteld worden in hoeverre de autoriteit van Mozes en de geest der wijsheid worden overgedragen door handoplegging. Eerder geschiedt dit door de begeleidende woorden waarmee de ambtsbevoegdheden worden overgedragen. Met de handoplegging wordt het gesprokene onderstreept: híj is het, die met de geest is toegerust en volmacht heeft ontvangen het werk van Mozes voort te zetten.

Handoplegging kan ook gebruikt worden om mensen te vervloeken. In het boek Leviticus wordt de casus beschreven van een man die de Naam van de Heer vervloekt (Leviticus 24:13v.). Getuigen van het misdrijf wijzen de beklaagde als schuldige aan en nemen hun verantwoordelijkheid voor de terechtstelling van de delinquent. Een vergelijkbare situatie wordt beschreven in het boek Daniël: de kuise Susanna wordt door de oudsten beschuldigd van overspel en zij bevestigen die aanklacht door haar de handen op te leggen.

 

Handoplegging in het Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament komt handoplegging in een viertal verschillende situaties voor:

– slechts één keer wordt melding gemaakt van een zegening met handoplegging: Jezus zegent kinderen en brengt daarmee tot

uitdrukking dat ook zij tot het Rijk Gods behoren (Marcus

10:13–16);

– bij genezingen wordt kracht overgedragen. Oplegging van de handen of aanraking is het middel waardoor aan iemand Gods

kracht wordt medegedeeld (Marcus 5:23 par.; 6:5; 7:32;

8:23,25; [16:18]; Lucas 4:40; 13:13; Handelingen 9:12,17;

28:8);

– deze oude voorstelling ontwikkelt zich in de oudste christelijke gemeenten tot gave van de Geest door handoplegging na de bediening van de doop in de zin van een bevestiging tot het algemeen priesterambt van de gelovigen (Handelingen 8:14–19;

19:1–7; vergelijk 9:12,17);

– eenzelfde voorstelling treffen we ten slotte aan bij de bevestiging van ambtsdragers in de Pastorale brieven (1Timoteüs

4:12; 2 Timoteüs 1:6; vergelijk 1 Timoteüs 5:22). Vóórstadia

komen we tegen in het boek Handelingen: a) de aanstelling van

de zeven (6:6) en b) de uitzending van Barnabas en Paulus aan

het begin van Paulus’ eerste zendingsreis (13:3). Met de handoplegging wordt niet beoogd de gave van de Geest mee te delen,

maar het ritueel heeft hier een autoriserende functie. Beide aspecten worden pas in de Pastorale brieven met elkaar versmolten.

Zowel in de oud- als in de nieuwtestamentische teksten blijkt dat de context waarin de handen worden opgelegd, in hoge mate

bepalend is voor de betekenis die aan dit gebaar moet worden toegekend. Wanneer we de verschillende aspecten van de handoplegging de revue laten passeren, kan in ieder geval wel geconcludeerd worden dat de handoplegging bij een zegening niet louter een illustratieve functie heeft. Het opleggen van de handen draagt effectief bij aan de werking van de zegening.

 

Wie legt de handen op?

En dan nog de vraag wíe de handen oplegt. Afgezien van de levietenwijding door het volk Israël komt in het kader van het overdragen van ambtsbevoegdheden handoplegging voor bij de opvolging van Mozes en van profeten en leraren. In de lijn van Numeri 27:18–23 werd de bevestiging van iemand in het leraarsambt in Israël verleend door een lid van het Sanhedrin. Het is een teken dat duidt op het verlenen en ontvangen van ambtsbevoegdheid. De gekwalificeerde leraar staat nu als gevolmachtigde in de opvolging van Mozes’ leerambt.

Een totaal andere situatie doet zich voor wanneer Jakob zijn kleinzonen Efraïm en Manasse de handen oplegt en hen zegent. Dat hier expliciet verhaald wordt over een zegen onder handoplegging, hangt uiteraard samen met de vermeende verwisseling van Jozefs zonen.

 

In het Nieuwe Testament wordt de lijn doorgetrokken dat personen die een vooraanstaande en min of meer officiële functie in de gemeente bekleden, zoals apostelen (Handelingen 6:6; 8:17; 19:6; 2 Timoteüs 1:6; 2 Timoteüs 5:22), profeten en leraars (Handelingen 13:1–3) en oudsten (1 Timoteüs 4:14), de handen opleggen. Omdat de tempel in Jeruzalem zijn heilsbemiddelende functie verloren heeft en het heil gebonden is aan de dood en opstanding van Christus, vormt het behoren tot het priesterschap niet langer een voorwaarde voor het (publiekelijk) verlenen van de zegen zoals in het jodendom, maar staat de handoplegging volledig in het teken van de evangelieverkondiging. Daarbij is, in ieder geval in het boek Handelingen en de Pastorale brieven, bij de tweede en derde generatie christenen in toenemende mate een tendens te bespeuren om de handoplegging te institutionaliseren en te binden aan de leidinggevende ambtsdragers in de gemeente en een eredienstelijk kader (Handelingen 13:2). Tegelijkertijd verandert het karakter van de handoplegging van een gebaar om kracht over te dragen bij genezingen naar een rite om de Geest te verlenen bij de doop en bij een bijzondere opdracht om de apostolische heilsboodschap door te geven.

 

Zegen en zalving

In nieuwtestamentische teksten wordt een zekere samenhang aangetroffen tussen zegen, handoplegging, gebed en zalving. In Jakobus 5:14 gaat de ziekenzalving vermoedelijk gepaard met een handoplegging. Weliswaar wordt dit niet met zoveel woorden vermeld, maar toch in de formulering aangeduid. De oudsten bidden niet voor de zieke, maar spreken een gebed uit over de

zieke (ep auton). Een parallel kan gevonden worden in de ziekenzalving uit Marcus 6:13 respectievelijk 16:18, waar wel expliciet gesproken wordt van een handoplegging. In aanmerking genomen dat de zieken bij Marcus als zwakken worden aangeduid, hebben zalving en handoplegging op beide plaatsen een helende werking door de overdracht van kracht. Daarbij wordt gebruik gemaakt van (olijf)olie, ook elders in de antieke wereld een geliefd geneesmiddel. Olie werd naast een natuurlijke ook een ‘bovennatuurlijke’ werking toegeschreven. Het gebed treedt niet in concurrentie met de olie, maar voert de helende werking op God terug. Daarmee wordt het risico van een magisch misbruik van de zalving geminimaliseerd. De verbinding van olie, handoplegging en gebed wijzen in de richting van een holistisch verstaan van de genezing, waarbij medische en godsdienstige aspecten niet volledig te scheiden zijn, maar elkaar aanvullen en versterken.

 

Ziekenzalving

De handoplegging met zalving is in Jakobus 5:14 eerder een geneeswijze dan een zegening. Toch hebben beide niet alleen een gemeenschappelijke wortel in de voorstelling van het overdragen

van kracht, ze hebben ook een vergelijkbare functie. De zegen

brengt immers net zo tot uitdrukking dat de gezegende behoort

tot het Rijk van God (Marcus 10:13–16) als de genezingen een

verwijzing zijn naar het aanbreken van Gods heerschappij (vergelijk Matteüs 12:28 par.; Lucas 11:20 met Matteüs 4:17,24) en

in de vorm van een teken anticiperen op het heil van de nieuwe

schepping (vergelijk Matteüs 11:4–6 par.; Lucas 7:22v. en de toespeling in Marcus 7:37 op Genesis 1:31). In dit perspectief krijgt

ook het vergevingsaspect van Jakobus 5:15 zijn zin. Daarom heeft

de handoplegging niet alleen een helende betekenis met het oog

op de gezondheid, maar ook een heilzame werking in de verhouding tot God, in zoverre daarmee het vertrouwen gesterkt wordt

dat God heil teweeg kan brengen ook wanneer Hij geen genezing

schenkt. Hij kan tijdens het leven van een zieke genezing brengen,

maar ook de kracht geven om deze ziekte te dragen, Hij kan een

einde maken aan het lijden, de dood overwinnen en het leven tot

voleindiging brengen. Daarom blijft de handoplegging naast zijn

helende werking ook het karakter dragen van een zegening. Voor

degene die gezegend wordt, houdt het een bevestiging in te behoren tot het Rijk van God, onafhankelijk van de vraag of in de gezondheidstoestand een verbetering intreedt of niet.

 

Zalving als gave van de Geest

Van de zalving met olie in de letterlijke betekenis dient de zalving in overdrachtelijke zin (chriein) onderscheiden te worden. Laten we de teksten buiten beschouwing waar de woordstam gebruikt wordt om aan te duiden dat Jezus de Christus is, dan resten er slechts twee teksten (2 Korintiërs 1:21 en 1 Johannes 2:20,27; in beide teksten wordt impliciet verwezen naar de gave van de Geest, die met de doop verbonden is. Expliciet wordt het verband pas aan het einde van de tweede eeuw gelegd door Tertullianus en Theophilus van Antiochië: Daarom heten wij dus christenen, omdat wij met Gods olie gezalfd zijn.) waar eraan herinnerd wordt dat christenen de zalving ontvangen hebben. Het verband tussen zalving en het ontvangen van de Geest wordt al in het Oude Testament gelegd en komt ook in het Nieuwe Testament voor (vergelijk 1 Samuël 16:13; Jesaja 61:1; Lucas 4:18; Handelingen 10:38). Van een ritueel voltrokken zalving na de doop is pas in de oude kerk bij Tertullianus sprake. Daarmee zijn handoplegging en zalving niet enkel en alleen verstaan als een gebaar om de Geest uit te delen, maar zijn ze een integraal deel van de doop geworden.

 

In het Nieuwe Testament komen dus twee tradities naast elkaar voor, die van elkaar te onderscheiden zijn, een letterlijke en figuurlijke. De zalving in Jakobus 5:14 bouwt voort op de genezingen die Jezus’ jongeren hebben verricht en waarmee zij een heilzame kracht op zieken hebben overgedragen. Het ritueel van de zalving in overdrachtelijke zin staat in het teken van het schenken van de Geest. Het knoopt aan bij de zalving van de Messias, geeft uitdrukking aan het behoren bij Christus. Deze zalving is derhalve met de doop verbonden.

 

Het is in de lijn van de traditie dat een ziekenzegening dan wel een ziekenzalving kan worden toegediend door een geordend predikant, en voorts door een ieder die daartoe volmacht krijgt van de geloofsgemeenschap.

 

Praktisch-theologische bezinning

In het kader van de praktische theologie kan vanuit twee invalshoeken naar de zegen worden gekeken: vanuit de liturgiek en vanuit het pastoraat. Zegeningen zijn een vorm van liturgisch pastoraat, en omgekeerd kan gezegd worden dat in de context van de liturgie de zegen een bij uitstek pastoraal moment is. Hoewel de setting waarbinnen een zegen verleend wordt kan verschillen, is het zaak om die samenhang niet uit het oog te verliezen. Juist wanneer de zegen meer individueel gericht is – en dat zal met name het geval zijn in situaties waarin de zegen gepaard gaat met een handoplegging – kan de geloofsgemeenschap als geheel niet buiten beeld blijven. Een zegening vraagt om continuïteit en een bredere setting. Enerzijds komt de zegen tot ons vanuit de joods-christelijke geloofstraditie met alles wat er in dat woord zegen meeklinkt. Maar wat misschien nog meer zegt, is dat de zegen het in zich heeft gemeenschap te stichten en mensen tot elkaar te brengen. De dynamiek van de zegen gaat van binnen naar buiten en reikt tot de einden der aarde. Niemand wordt buitengesloten. Dit betekent om zo te zeggen dat de zegen niet ‘los’ verkrijgbaar is. Omgekeerd moet bedacht worden dat ook waar de aanwezige gelovigen collectief gezegend worden, de strekking van de boodschap altijd een persoonlijke is: míj wordt hier en nu van Godswege genade en vrede aangezegd. Dit houdt dan ook weer in dat ík geroepen wordt anderen tot zegen te zijn.

 

Het liturgische aspect

Gezegend wordt er in de kerk veelvuldig. Aan het einde van een kerkdienst wordt de gehele gemeente gezegend. Maar ook bij een doop, bij de openbare geloofsbelijdenis, bij de ambtsbevestiging van een predikant of een kerkenraadslid worden mensen gezegend. Een ernstige ziekte kan aanleiding zijn tot het uitspreken van een zegen. Ook wanneer iemand op sterven ligt, is een afscheidszegen waarmee de stervende wordt toevertrouwd aan Gods genade (Valetzegen) een zinvol gebeuren. In het verleden werd mensen die een grote reis gingen maken een reiszegen meegegeven. Voor wie een pelgrimstocht gaat ondernemen, is dat overigens nog steeds goed gebruik. Ook in andere situaties kan een zegening op zijn plaats zijn: bij uitzending naar een bijzondere werksituatie of aanvaarding van een bijzonder ambt. Met name onder Surinamers is het usance een geestelijke uit te nodigen voor een huiszegen wanneer men een nieuwe woning betrekt. De viering van een verjaardag op kroonjaren zal evenmin zonder een zegening voorbijgaan.

 

Wie zegent wie?

Een vraag is opnieuw ‘wie zegent wie’? Vanuit de gedachte van het priesterschap van alle gedoopten kan op voorhand worden uitgesproken dat het verlenen van de zegen geen voorrecht is van geordineerde voorgangers. In principe is iedereen geroepen medemensen en de schepping als geheel tot zegen te zijn. Soms kan het geboden zijn dit te expliciteren in het uitspreken van een zegen. Zoals aan de hand van oudtestamentische teksten, maar ook met tal van voorbeelden uit de traditie van het joodse geloofsleven geïllustreerd kan worden, wordt er niet alleen gezegend in het kader van de eredienst, maar maken zegeningen ook deel uit van rituelen in huiselijke kring. Het uitspreken van een zegenwens bij een ontmoeting of een afscheid, het zegenen van de sjabbat of de zegen die op een sterfbed wordt uitgesproken over nabestaanden laten dat zien. In het christendom zijn veel van dergelijke gebruiken bewaard en nieuwe ontstaan. Bekend is het gebruik in katholieke huisgezinnen – maar zeker niet alleen daar – dat een kind door zijn moeder of vader ’s avonds na het avondgebed gezegend wordt. In dit verband kan ook gewezen worden op de ochtend- en avondzegen van Luther.

Waar ter wille van de goede orde de bediening van het open-

bare ambt van Woord en Sacrament is toevertrouwd aan predikanten, namelijk wanneer de gemeente samenkomt en de woordverkondiging respectievelijk de viering van de sacramenten een publiekelijk karakter heeft, wordt de ambtshandeling van het zegenen uitsluitend door een predikant verricht. Zo geschiedt de inzegening van een huwelijk door een predikant van de gemeente of door een andere in overleg met het bruidspaar door de kerkenraad uit te nodigen predikant (Ordinantie 5-3-5).

 

Wie er in een zegenviering voorgaat, is dus mede afhankelijk van de plaats waar de dienst gehouden wordt. Hieronder wordt weergegeven wie bij welke gelegenheid voor kan gaan en de zegenhandeling verricht.

 

Persoonlijke boete elke gedoopte

Gezamenlijke boetedienst predikant, kerkelijk werker

 

Dankzegging en zegen na de geboorte of adoptie van een kind

in de eredienst: predikant

thuis: predikant, ouderling,

kerkelijk werker

Reiszegen in de eredienst: predikant

thuis: predikant, ouderling,

kerkelijk werker

(ook huisgenoten kunnen hier de

zegenhandeling verrichten)

 

Zegening en zalving van zieken

in de eredienst: predikant,

kerkelijk werker

thuis: predikant, ouderling,

kerkelijk werker

 

Huiszegen predikant, ouderling, kerkelijk

werker

(ook de bewoners kunnen hier de

zegenhandeling verrichten)

 

Tafelzegen elke aanwezige

 

Ingebruikneming van kerkgebouwen

predikant

 

Trouwviering predikant

 

Het zegenen van roerende en onroerende goederen

In de eerder gestelde vraag ‘wie zegent wie?’ ligt impliciet de gedachte opgesloten dat de zegen mensbetrokken is. Ook waar het in de traditie van de kerk gewoonte is geworden niet alleen mensen te zegenen, maar ook voorwerpen, huizen, kerken, vervoermiddelen, landerijen, et cetera, wint het besef veld dat het in die gevallen ten diepste toch ook gaat om het welzijn van de mensen die in de betreffende huizen wonen, daar ter kerke gaan, zich veilig (!) verplaatsen, aangewezen zijn op de oogst van het land, et cetera. Stoffelijke zaken bedoelen in dat geval om geloof bij de ontvanger te bewerkstelligen en om die in relatie tot de Eeuwige te brengen. Een voorbeeld: de zegening van eten en drinken aan tafel is niet alleen een erkenning van de Schepper, maar houdt tevens een erkenning in van het voedsel dat wij tot ons nemen. Want ‘alles wat God geschapen heeft is goed. Niets hoeft te worden verworpen als het onder dank wordt aangenomen, want het is geheiligd door het woord van God en door het gebed’ (1 Timoteüs 4:4). Een zegening zal in de regel niet een op zichzelf staand gebeuren zijn, maar liturgisch worden ingekaderd. Er zal een woordverkondiging plaatshebben – hoe summier ook –, waardoor de kans op een ongewenste interpretatie van het ritueel aanmerkelijk gereduceerd wordt. In veel zegenbeden is een anamnetische gebedsvorm herkenbaar, waarbij de deugden of daden van de Eeuwige in herinnering worden geroepen. Bovendien wordt in deze zegenbeden dikwijls met zoveel woorden geappelleerd aan de menselijke verantwoordelijkheid. De beeltenis van de heilige Christoffel kan nooit een excuus zijn voor roekeloos rijden!

 

Bijzondere situaties

De laatste jaren zien we ook in de protestantse wereld de behoefte aan rituelen, waaronder zegeningen, weer toenemen. De kinderzegen voor (nog) niet gedoopte kinderen is daarvan een duidelijk voorbeeld, de vraag naar het zegenen van levensverbintenissen een ander. In dit verband kan ook gedacht worden aan wat in de Angelsaksische wereld Healing Ministry genoemd

wordt en met name binnen de charismatische beweging navolging heeft gevonden. In de Verenigde Staten ontwikkelde zich de methode van de Therapeutic Touch. De uit Finland afkomstige Thomasmis verdient eveneens vermelding.

 

Het pastorale aspect

Tot slot nog een enkele opmerking over de functie van de zegen in het pastoraat. De zegen is een teken dat verwijst naar Gods nabijheid en hulp. God gaat mee op de weg die mensen gaan of móeten gaan. Bijvoorbeeld in het geval dat iemand een operatie moet ondergaan, te horen heeft gekregen dat zij/hij nog maar kort te leven heeft, of bij het overlijden van een naaste. Er zijn tal van gelegenheden waarbij het verlenen van een zegen zinvol is en heilzaam kan werken. Daarbij behoeft zeker niet alleen gedacht te worden aan crisispastoraat. Na ieder huisbezoek kan in principe bij het afscheid nemen een zegengroet worden uitgesproken.

Twee aspecten verdienen in het bijzonder aandacht. De zegen is een rite. Juist in kritieke situaties kan het moeilijk zijn spontaan de goede woorden te vinden. En wat in dit verband misschien nog belangrijker is: de zegen is een handeling waarbij woorden tot een minimum beperkt (kunnen) blijven. Woorden en gebaren zijn vertrouwd, wat zowel voor degene die zegent als voor degene die gezegend wordt een geruststelling kan zijn. De zegen is ook een handeling waarbij de pastor een stap opzij zet en ruimte maakt voor de Eeuwige. De zegen is een rite van nabijheid. De lichamelijke nabijheid bij het opleggen van de handen is groot, maar wil toch vooral transparantie creëren om te laten ‘voelen’ dat ons leven in Gods hand is.

Ook voor de pastor kan dit van betekenis zijn. Het kan het afscheid nemen in tragische omstandigheden gemakkelijker maken. Het kan de pastor helpen om weer ‘los te laten’ en open te staan voor (de noden van) anderen of anderszins, in de goede betekenis van deze uitdrukking, ‘over te gaan tot de orde van de dag’. Het oude gebruik van de ziekenzegening en/of ziekenzalving heeft, ook in het basispastoraat, opnieuw breed ingang gevonden. Zieken en stervenden vinden vrede, worden bemoedigd en getroost om ook dit stuk van hun levensweg te gaan in het geloof dat God met hen meegaat. Ook hier geldt dat zieken vaak niet meer bereikbaar zijn voor woorden. Het moet kort en krachtig. Lichamelijke aanraking reageert op andere, diepere lagen in een mens. De zegen reikt verder, wijst verder, komt tot vervulling in het eeuwig leven en in de zegening van God: soli Deo gloria.

Inleiding (algemeen)