Toelichting bij zegening en zalving van zieken
Algemeen
De kern van het ritueel wordt gevormd door handoplegging en/of zalving, voorafgegaan door een Schrifttekst. Men kan zich hiertoe beperken, indien een langere gebedsdienst voor de zieke(n) teveel zou zijn.
Een zegening/zalving kan plaatsvinden in een dienst van de gemeente (in kerk of kapel) of in kleinere kring (kamer in huis of instituut). Als liturgische kleur kan gekozen worden voor de tijd van het jaar. Ook kan gedacht worden aan het wit van Pasen of het rood van de Geest.
Ter voorbereiding
De ruimte waar de zegening/zalving plaatsvindt dient daartoe ingericht te zijn. Op een tafel, goed zichtbaar voor de zieke, kunnen symbolen geplaatst worden, bijvoorbeeld doop- of paaskaars, bijbel, icoon, kruis, bloemen en het doosje met zalfolie.
De zalving wordt verricht door olie op de duim te nemen en hiermee een kruisteken te maken op het voorhoofd en in de handpalm (vergelijk Jes. 49: 16). Wanneer voorhoofd of handpalmen niet kunnen worden aangeraakt (vanwege ernstige verwonding of verbranding of om een andere reden), dan eventueel de borst of een andere plaats.
De olie zal bij voorkeur gewone olijfolie zijn; in elk geval een natuurproduct. De toevoeging van geurstoffen aan de olie, voor zover die in sommige kerkelijke tradities wordt toegepast, geldt voor andere zalvingen (zoals doop en ambtswijding) en is voor de ziekenzalving niet nodig.
Om de zalfolie te bewaren wordt in de rooms-katholieke praktijk een doosje van palmhout of metaal (pyxis) gebruikt. De olie wordt gedrenkt in watten om morsen te voorkomen. Zo’n zalfdoosje met watten verdient aanbeveling.
Bij de orde
Na de bemoediging (diverse alternatieven) volgt een inleiding die de pastorale situatie onder woorden brengt en de aanwezigen op het komende ritueel voorbereidt. Verwezen kan worden naar de bijbelgedeelten die de ziekenzalving noemen. Ook kan hier het gebed over de olie klinken, indien dit niet vlak voor de zalving zelf gebeurt.
Het aansteken van een kaars markeert de overgang van de inleiding naar de verdere gebedsdienst. Hierna wordt een psalm gebeden.
Als er aanleiding is voor een schuldbelijdenis, zal die veelal in eerdere gesprekken hebben plaatsgevonden. Soms zijn er redenen om zich juist nu tegenover elkaar uit te spreken. Ook Jakobus 5 noemt biecht en vergiffenis als onderdeel van het zalvingsritueel: ‘belijdt daarom elkander uw zonden …’. Diverse teksten bieden de mogelijkheid tot nadere invulling: tijdens een gebedsstilte of hardop door iemand uitgesproken als persoonlijke biecht.
Het collecta-gebed vat samen waartoe wij hier bijeenzijn. Vindt de zalving plaats in het kader van een zondagse eredienst, dan kan in plaats van de hier geboden tekst(en) ook het gebed van de zondag uitgesproken worden.
Schriftlezing (voor suggesties zie schriftlezingen) en eventuele acclamatie (of lied/muziek of stilte) plaatsen de actuele situatie in de christelijke geloofstraditie.
Na de lofprijzing kan voor de handoplegging volstaan worden met een korte tekst. Er worden ook uitgebreidere zegeningsteksten geboden. Het eerste alternatief begint met een dankzegging; de lofprijzing in beurtspraak vervalt daarmee.
Het derde en vierde alternatief hebben een inhoudelijke verdubbeling: ‘oprichten’ klinkt ook in de woorden bij de zalving. In Jakobus 5 zijn beide handelingen aan de orde: de oudsten spreken een gebed uit over de zieke (het voorzetsel suggereert handoplegging), hem zalvende in de naam van de Heer (vers 14). Het woord ‘oprichten’ (uit vers 15) past dus zowel bij handoplegging als zalving (die elk hun eigen taal spreken, zie uitgangspunt 3), maar hoeft niet bij beide te klinken. Deze laatste teksten zijn daarom vooral geschikt voor een zegeningsritueel met alleen handoplegging.
Over de olie wordt een gebed uitgesproken, dat vraagt om de zending van de heilige Geest. Zo wordt immers het gelaat van de aardbodem vernieuwd (Ps. 104: 30) . De levensboom (in Keuzeteksten 12) verwijst naar de heelheid van het paradijs. Vervolgens worden voorhoofd en handpalmen gezalfd, met de bijbehorende woorden. Twee zalvingsteksten zijn wensend (‘Moge …’), één is stellend (‘Ik zalf u …’).
Na de persoonlijke zegening en zalving trekt de voorbede de kring wijder naar de hele geloofsgemeenschap. Dat gebeurt nog nadrukkelijker in de Maaltijd van de Heer; als deze niet gevierd wordt, is het gebed des Heren de samenvatting daarvan. Een lied en de zegen besluiten de gebedsdienst.