4 De Tien Woorden als lofzegging II
De Tien Woorden als lofzegging
voorganger:
HEER, laat ons geroep U bereiken
en leer ons te doen naar uw woord.
Als Gij ons uw beschikkingen leert,
zal onze mond overvloeien van lof,
Gij die tot ons spreekt: (Psalm 119: 169, 171)
lector (en allen):
Ik ben de HEER, uw God,
die u weggevoerd heb uit het land Egypte, uit het diensthuis.
Eer aan U, o Heer.
Gij zult geen andere goden hebben voor mijn aangezicht.
Gij zult u geen beeld of gestalte makenĀ
van wat dan ook in de hemel, op de aarde
of in de wateren onder de aarde.
Gij zult u voor hen niet buigen en hen niet dienen;
want Ik, de HEER, uw God, ben een God vol afgunst,
die de wandaden van de vaderen bezoek aan de kinderen,
tot in het derde en vierde geslacht
van hen die Mij haten,
maar die goedheid betoon
tot in het duizendste geslacht
van hen die Mij liefhebben
en mijn woorden onderhouden.
Eer aan U, o Heer.
Gij zult de Naam van de HEER, uw God,
niet vals gebruiken,
want de HEER laat niet ongestraft
wie zijn Naam vals gebruikt.
Eer aan U, o Heer.
Gedenk de sabbatdag; die zal u heilig zijn.
Zes dagen zult gij dienen en al uw werk doen,
maar de zevende dag is de sabbat,
voor de HEER, uw God.
Dan zult gij geen werk doen, gij niet,
uw zoon en uw dochter niet,
uw dienaar en uw slavin niet,
uw vee niet,
zelfs niet de vreemdeling die binnen uw poorten woont.
Want in zes dagen
heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt,
de zee met al wat daarin is,
maar op de zevende dag rustte Hij.
Daarom heeft de HEER de sabbatdag gezegend en geheiligd.
Eer aan U, o Heer.
Houd uw vader en moeder in ere,
opdat uw dagen verlengd worden
in het land dat de HEER, uw God, u geven zal.
Eer aan U, o Heer.
Gij zult niet moorden.
Gij zult niet hoereren.
Gij zult niet stelen.
Gij zult niet leugenachtig tegen uw naaste getuigen.
Eer aan U, o Heer.
Gij zult niet begeren het huis van uw naaste;
gij zult niet begeren de vrouw van uw naaste,
zijn dienaar, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel,
of wat ook maar van uw naaste is.
Eer aan U, o Heer.
voorganger:
Als Gij ons uw beschikkingen leert, o HEER,
zal onze mond overvloeien van lof.
Liturgische Gezangen 32