De tien woorden als smeking I
U roepen wij aan, o God,
want Gij baant ons de weg ten leven
en spreekt uw woord van bevrijding:
Ik ben de HEER, uw God,
die u uit het land Egypte,
uit het diensthuis, geleid heb. -
Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.
Verlos ons, HEER, en wijs ons de weg.
Gij zult u geen gesneden beeld maken
noch enige gestalte
van wat boven in de hemel,
noch van wat beneden op de aarde,
noch van wat in de wateren onder de aarde is.
Gij zult u voor die niet buigen,
noch hen dienen;
want Ik, de HEER, uw God,
ben een naijverig God,
die de ongerechtigheid der vaderen
bezoek aan de kinderen,
aan het derde en aan het vierde geslacht
van hen die Mij haten,
en die barmhartigheid doe aan duizenden
van hen die Mij liefhebben
en mijn geboden onderhouden.
Verlos ons, HEER, en wijs ons de weg.
Gij zult de Naam van de HEER, uw God,
niet ijdel gebruiken,
want de HEER zal niet onschuldig houden
wie zijn Naam ijdel gebruikt.
Verlos ons, HEER, en wijs ons de weg.
Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt;
zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen;
maar de zevende dag is de sabbat van de HEER, uw God;
dan zult gij geen werk doen,
gij noch uw zoon, noch uw dochter,
noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd,
noch uw vee,
noch de vreemdeling die in uw steden woont.
Want in zes dagen
heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt,
de zee en al wat daar in is,
en Hij rustte op de zevende dag;
daarom zegende de HEER de sabbatdag
en heiligde die.
Verlos ons, HEER, en wijs ons de weg.
Eer uw vader en uw moeder,
opdat uw dagen verlengd worden
in het land dat de HEER, uw God, u geven zal.
Verlos ons, HEER, en wijs ons de weg.
Gij zult niet doodslaan.
Gij zult niet echtbreken.
Gij zult niet stelen.
Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
Verlos ons, HEER, en wijs ons de weg.
Gij zult niet begeren uws naasten huis;
gij zult niet begeren uws naasten vrouw,
noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd,
noch zijn rund, noch zijn ezel,
noch iets dat van uw naaste is.
Verlos ons, HEER, en wijs ons de weg.
U roepen wij aan, o God,
want Gij baant ons de weg ten leven.
Liturgische Gezangen 28-29
of: