De tien woorden als geloofsbelijdenis I
(Deut. 5:6-21)
Allen die leven in deze wereld
en uitzien naar Gods toekomst,
hoort naar de beloften van de God van Israël
en prijst zijn Naam in eeuwigheid:
Wij loven en wij danken U.
Ik ben de Eeuwige, jouw God;
Ik heb je uitgeleid uit het land Egypte,
uit het diensthuis vandaan.
Wij loven en wij danken U.
Dit mag er bij jou niet zijn:
andere goden voor Mijn aangezicht.
Maak je dus geen beeld of wat voor gestalte ook
van iets boven in de hemel of beneden op aarde
of van iets in het water onder de aarde:
daarvoor moet je niet buigen, die moet je niet dienen.
Want Ik, de Eeuwige, jouw God,
ben een God die alles opeist:
het zondenpatroon van de ouders
trek Ik na bij de kinderen
en bij het derde geslacht en bij het vierde geslacht
van wie Mij haten;
maar Ik bewijs mijn verbondenheid
aan het duizendste geslacht van wie Mij liefhebben
en mijn geboden onderhouden.
Wij loven en wij danken U.
Voer de Naam van de Eeuwige, jouw God,
niet als vlag voor een waan.
Want de Eeuwige laat niet ongestraft
wie Zijn Naam als vlag voert voor een waan.
Wij loven en wij danken U.
Onderhoud de dag van ophouden – dat je die apart stelt,
zoals de Eeuwige, jouw God, je bevolen heeft.
Zes dagen mag je dienen en bezig zijn met al je werk.
Maar de zevende dag is het: ophouden,
voor de Eeuwige, jouw God;
al je werk laten liggen: jij, je zoon, je dochter,
de man of vrouw in jouw dienst,
je os en je ezel en al je vee,
en de vreemdeling binnen jouw omgeving –
zodat de man en de vrouw in jouw dienst
kunnen rusten zoals jij.
Gedenk, dat jij zelf hebt moeten dienen
in het land Egypte,
en dat de Eeuwige jou daar vandaan heeft uitgeleid
met sterke hand en met uitgestrekte arm;
daarom heeft de Eeuwige, jouw God, je bevolen
om de dag van ophouden in acht te nemen.
Wij loven en wij danken U.
Houd je vader en moeder in ere,
zoals de Eeuwige, jouw God, je bevolen heeft –
opdat jouw dagen verlengd worden en het jou goed gaat
op de aardbodem die de Eeuwige, jouw God, je geeft.
Wij loven en wij danken U.
Vermoord niet.
Hoereer niet.
Steel niet.
Spreek je niet uit tegen je naaste als getuige van een waan.
Wij loven en wij danken U.
Begeer niet de vrouw van je naaste.
Zet je zinnen niet op het huis van je naaste,
niet op zijn akker,
niet op de man of vrouw in zijn dienst,
niet op zijn os of ezel –
nee op niets dat een plaats kreeg
in het leven van je naaste.
Wij loven en wij danken U.
Allen die leven in deze wereld
en uitzien naar Gods toekomst,
prijst zijn Naam in eeuwigheid.
Liturgische Gezangen 33-34
Hierna kan de gemeente onmiddellijk één van de volgende berijmde psalmen (lofprijzingen) uit het Liedboek inzetten:
Psalm 117
Psalm 150 (met name geschikt op feestdagen).