Toelichting
Periodeliturgie
Deze liturgie kan gebruikt worden tijdens de zes zondagen in de Veertigdagentijd in een liturgisch A-jaar.
Het biedt een kader voor de liturgie in deze periode. Door deze liturgie te volgen ontstaat er een doorgaande lijn en zijn de zes zondagen in deze periode van het kerkelijke jaar met elkaar verbonden.
Alleen de vaste onderdelen zijn ingevuld. De voorganger, musicus of liturgiegroep kan zelf de liederen na de lezingen, preek en het slotlied kiezen. Deze kunnen ingevuld worden naar eigen inzicht, of er kan gebruik gemaakt worden van de liedsuggesties bij het oecumenisch leesrooster.
Het is zo samengesteld dat men de hele orde van dienst kan volgen, of er losse onderdelen uit kan nemen voor de in de eigen gemeente gebruikte orde van dienst.
Door het jaar heen bieden wij met deze liturgieën een variëteit aan liturgische elementen, om zo de liturgie in de lokale kerken te verrijken. Het kan ook als een handreiking dienen voor gemeentes die zonder voorganger de eredienst gaande willen houden.
Keuzes in deze liturgie
Voor alle liturgische keuzes had er ook een andere keuze gemaakt kunnen worden. Lokale kerken kunnen ook andere keuzes maken dan de hier gebodene. Wij geven alleen een toelichting voor de keuzes die hier gemaakt zijn.
Kyrie 301h
In een tijd waarin geen Glorialied wordt gezongen, kiezen we voor een gezongen Kyrie als afsluiting van de gebedsintenties om de nood van de wereld. Om het kyrie in deze liturgische tijd wat meer ruimte te geven, kan driemaal een intentie met gezongen respons klinken.
Acclamatie bij de evangelielezing lied 536, 4
Het is niet per se gebruikelijk om een couplet uit een strofisch lied als acclamatie te gebruiken. In deze periode kiezen we er wel voor, zodat er verbinding ontstaat met lied 536 dat in zijn geheel op de Aswoensdag of op de eerste zondag van de veertigdagen klinkt, en het parallellied 556 dat op de Palmzondag wordt gezongen (en het identieke vierde couplet bevat). Door dit ene couplet wekelijks terug te laten keren ontstaat er verband tussen de lezingen van alle zondagen en zingen we als het ware naar de stille week toe.
Voorbeden
Bij de voorbeden kiezen we voor een eenvoudige gesproken acclamatie, om het ingetogen karakter van de liturgie in deze tijd te benadrukken. Door de acclamatie na het stil gebed nogmaals te herhalen, wordt ook het stil gebed door de gemeente als geheel gedragen.
Als amen kiezen wij het zogenaamde ‘Danish Amen’, dat goed zingbaar is, en een vrij neutraal karakter heeft. In de Paastijd klinkt dan een uitbundiger amen.
Veertigdagentijd
Op 18 februari begint de veertigdagentijd, tijd van inkeer en tij van voorbereiding op het Paasfeest. Het getal veertig heeft een Bijbelse oorsprong en vinden we onder meer terug in de verhalen van Mozes die veertig dagen op de berg was om God te ontmoeten en de Tien Woorden te ontvangen. Ook Elia verbleef veertig dagen in de woestijn toen hij op de vlucht was. In de evangeliën lezen we dat Jezus veertig dagen en nachten in de woestijn was zonder te eten en te drinken. In lijn met deze verhalen is de veertigdagentijd in de kerkelijke traditie een tijd geworden van inkeer en bezinning, en een tijd om dichtbij God te zijn.
In het getal veertig worden de zondagen niet meegeteld. Zij doorbreken de vastentijd, al is de liturgie in de zondagse vieringen wel ingetogener dan anders. De liturgische basiskleur verschuift vanaf aswoensdag naar paars, de kleur die in de voorbereidingstijd op de grote feestdagen (Pasen en Kerst) altijd gedragen wordt. Dat is te zien het aan antependium op de liturgische tafel, het leeslint in de Bijbel of in de stola van de voorganger. Alleen op de vierde zondag in de veertigdagen wordt de kleur wat helderder, en is die roze.
In de Bijbellezingen is er sprake van een ‘golfbeweging’ in de verhalen. Er is een afwisseling van donker gestemde verhalen, zoals de verzoeking van Jezus in de woestijn door de duivel (Veertigdagen I) naar verhalen waarin het licht van Pasen al vooruit schijnt, zoals dat van de verheerlijking op de berg (Veertigdagen II). In de stille week wordt die afwisseling intensiever, met name op Witte donderdag (viering van de Maaltijd van de Heer) en Goede vrijdag (de duisternis van Christus’ kruisdood).
Liederen voor deze periode zijn te vinden in het Liedboek onder nummer 535 tot en met 563.
De Veertigdagentijd eindigt op de zogenaamde Stille zaterdag, de dag na de dood van Christus en tegelijkertijd de veertigste dag in deze periode. De dag erna, begint er op Paasochtend een nieuwe periode, nu van vijftig feestdagen, tot en met Pinksteren. Deze periodes vormen samen (inclusief de zondagen) een grote cirkel in de tijd van 100 dagen met het Paasfeest in het midden.