Openingsverzen
1.
De hemel ontvouwt de glorie van Gód,
het uitspansel roemt het wèrk van zijn hánden.
De dag geeft het door aan de volgende dág,
de nachten vertellen elkàar wat zij wéten.
2.
Tot U, in de hoge richt ik mijn geest,
tot U, Heer mijn Gód.
Op U vertròuw ik,
beschaam mij níet.
3.
Houd mij in leven, wees Gij mijn rédding,
steeds weer zoeken mijn ògen naar Ú.
4.
Bij U, Heer, zoek ik mijn tóevlucht,
wees mij een sterke burcht
waar ik vèilig kan tóeven.
5.
Alleen bij God is stilte voor mijn zíel,
mijn rèdding komt van Hém.
6.
O God, Gij zijt mijn God, U zóek ik,
mijn zìel dorst naar Ú,
want uw goedertierenheid is beter dan het léven;
mijn lìppen zullen U róemen.
7.
God, – mijn God zijt Gij,
ik zoek U reeds bij het óchtendgloren.
Naar U dorst mijn ziel en hunkert mijn hart
als dorre àkkers naar régen.
8.
U gewijd zij stilte en lofzang,
o God die woont op de Síon.
O hoorder van het gebed,
de sterveling moet trèden voor Ú.
9. God, breng een keer in ons lot
en bevríjd ons,
laat toch uw àangezicht
over ons líchten.
10.
Gij, Heer der hemelmachten, hoor mijn sméken,
wil mij àanhoren, Jakobs Gód.
God, mijn beschermer, zie omláag,
zie òm naar uw gezálfde.
11.
O Heer, God van mijn bevrijding,
een dag lang schreeuwde ik,
bij nacht nog stond ik tegenóver U!
Laat komen voor uw aanschijn mijn gebed,
neig uw òor tot mijn geróep!
12.
Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden,
eeuwige God, wij willen U zíen.
Geef ons vandaag een tèken van líefde.
13.
Onze hulp is in de naam van de Héer,
die hèmel en aarde gemáakt heeft.
14.
Heer, hoor mijn gebéd,
luister naar mijn smèken om ontférming;
en antwoord mij in uw tróuw,
om uwer gerèchtigheid wílle.
15.
Van God is de aarde,
de wereld en al haar bewoners.
Zie hoe goed en hoe kostbaar is het
als mensen in eendracht samen leven.
Goedheid en trouw ontmoeten elkaar,
gerechtigheid en vrede gaan hand in hand.
Als de leerlingen van de Heer zouden zwijgen,
zouden de stenen gaan roepen.
Heer, open Gij onze lippen,
en onze mond zal uw lof verkondigen.
16.