Plaatsbepaling en uitgangspunten
Plaatsbepaling
Het verlangen van de reformatoren om de liturgie aan het volk terug te geven heeft niet geleid tot één liturgisch ontwerp. Luther beoogde een hervorming van de mis, terwijl Calvijn, Bucer, Farel en Zwingli op hun manier teruggrepen op de middeleeuwse preekdienst. Zowel binnen de lutherse als binnen de gereformeerde Reformatie waren er evenwel ook vele variaties. Kortom, van meet af aan gaat de Reformatie in verschillende liturgische sporen. Doordat in al deze sporen een concentratie is waar te nemen op het Woord en op de onverbrekelijke samenhang tussen Woord en sacrament, vertonen zij toch bij alle verscheidenheid ook een voorname eenheid. In dit Dienstboek – een proeve zijn deze verscheidenheid en eenheid ten volle gewaardeerd.
De voorliggende proeve van een dienstboek vormt een vanzelfsprekende stap in een lange ontwikkeling. Het zou te ver voeren die hele ontwikkeling vanaf de Reformatie hier te schetsen. Wel staan we stil bij een aantal momenten in de ontwikkelingen op liturgisch gebied, met name in onze kerken gedurende de laatste decenniën.
In 1955 publiceerde de Evangelisch-Lutherse Kerk haar Dienstboek en een Gezangboek, dat aanvangt met een ‘orde van de hoofddienst’, dat wil zeggen een dienst van Schrift en Maaltijd, waarin het Kyrie, de aanhef van het groot-Gloria, het zondagsgebed, het Halleluja voor het evangelie (feitelijk na het epistel) en de lofprijzing na het evangelie een plaats hebben gekregen. De beurtzang aan het begin van het tafelgebed is getoonzet, terwijl in het klassiek gestructureerde tafelgebed het Sanctus en Benedictus zijn opgenomen en het Lam Gods staat aangegeven voor het moment dat de uitreiking plaatsvindt. De instellingswoorden staan vlak voor de communie. De melodieën voor deze vaste gezangen stammen uit de vroege reformatietijd. De klassieke voor-reformatorische orde van dienst werd zodoende door de lutherse kerk in ons land hernomen.
Het hervormde Dienstboek in ontwerp verscheen in hetzelfde jaar 1955. Het eerste gezichtspunt waaronder dat dienstboek is samengesteld, is dat van de oecumeniciteit. De Nederlandse Hervormde Kerk weet zich openbaring van de algemene christelijke kerk en zij streeft naar liturgische vormen die ‘gemeenschap met andere kerken ook op het gebied van de eredienst’ (blz. 5) openen. Daarnaast is iedere in het dienstboek opgenomen orde getoetst aan de Schrift en de ‘belijdenis der vaderen’ (blz. 5). Het derde bepalende gezichtspunt is, dat ‘zoveel mogelijk aangesloten (werd) bij de liturgie zoals zij historisch gegroeid is, in het bijzonder in de tijd van de reformatie’ (blz. 5). De wetslezing krijgt een plaats ofwel vóór, ofwel ná de verootmoediging en schuldbelijdenis, zodat de wet zowel als tuchtregel alsook als regel der dankbaarheid functioneert. De ‘orden voor de viering van het Heilig Avondmaal’ zijn apart opgenomen, dus los van de ‘orden van de dienst voor de zondagmorgen’. Naast de ‘klassieke’ formulieren van Datheen die gangbaar werden in de kerken van gereformeerde signatuur, werden ook orden opgenomen waarin de formulieren (soms ingrijpende) herzieningen ondergingen. Steeds zijn de inzettingswoorden als lezing opgenomen en dus niet in een tafelgebed geïncorporeerd. Ook vinden we in het Dienstboek in ontwerp van 1955 ‘vernieuwende’, maar in feite heel klassieke, elementen als groot-Gloria, Halleluja voor het evangelie, lofprijzing na het evangelie en Lam Gods.
De Gereformeerde Kerken in Nederland besloten in 1965/ 1966, op de synode van Middelburg, dat er een orde van dienst diende te worden vastgesteld. Dit gebeurde in 1966. Deze orde werd in 1969 in vereenvoudigde vorm gepubliceerd in het Kerkboek. Dit was een orde van dienst waarin de bediening van het Woord en de viering van het heilig Avondmaal één liturgisch geheel vormen. Het avondmaal wordt vooral gekenmerkt door de vierende vorm ervan, zij het dat de inzettingswoorden nog niet organisch in het tafelgebed zijn opgenomen, maar worden gelezen. De wet des Heren kreeg een plaats na de schuldbelijdenis en het gebed om vergeving, en functioneert dus als regel der dankbaarheid. Naast de klassieke formulieren werden ook herzieningen ervan achterin het Kerkboek opgenomen.
Nadien kwamen de Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken en de Lutherse kerk met katernen ten gebruike in de eredienst. In de hervormde katern (zonder jaar) staan drie verschillende vormen voor de dienst op de zondagmorgen afgedrukt. De derde vorm houdt met ontwikkelingen rekening die zich na 1955 voordeden en volgt in hoofdlijnen het ‘oecumenisch ordinarium’, dat wil zeggen de klassieke voor-reformatorische orde van dienst. De katern van de gereformeerden (1974, herzien 1981) geeft verschillende mogelijkheden als ‘voorbereiding’ van de dienst. Zowel verootmoediging, schuldbelijdenis en gebed om vergeving, als bijvoorbeeld groet, Onze Hulp, voorbereidingsgebed, Kyrie en Gloria werden zodoende aangewezen als legitieme sporen om de dienst te beginnen. Als geloofsbelijdenis na de prediking werd als eerste die van Nicea-Constantinopel en pas als tweede de Apostolische Geloofsbelijdenis aangegeven. De liturgie voor (wat was gaan heten) de Maaltijd des Heren volgt nu geheel het klassieke voor-reformatorische spoor: na de nodiging volgt ‘de grote lofprijzing’ met beurtspraak, prefatie, Sanctus en Benedictus, acclamatie na de instellingswoorden (die nu in het tafelgebed gebeden worden) en Lam Gods. De lutheranen vulden in 1974 hun liturgie van 1955 aan met het oog op de invoering van het Liedboek voor de Kerken en gaven in het leesrooster ook een oudtestamentische lezing aan met een bijbehorende zogenaamde gradualepsalm. In 1988 kwam de Lutherse Kerk met een katern waarin muzikale toevoegingen en een herziene lijst van zondagsliederen waren opgenomen, en de oude traditie van de zogenaamde ‘liedmis’ (waarin de vaste liturgische gezangen door strofische liederen zijn vervangen) werd aangevuld met nieuwere gezangen.
In 1978 had inmiddels de Prof. dr G. van der Leeuw-stichting op verzoek van de Gereformeerde Deputaten voor de Eredienst en de Commissie voor het Dienstboek van de Hervormde Raad voor de Eredienst het boekje Onze Hulp uitgegeven. Daarin waren vier toonzettingen van het ‘oecumenisch ordinarium’ (dus de klassieke voor-reformatorische orde van dienst) opgenomen en vele alternatieve en wisselende teksten, onder meer 28 bewoordingen voor het tafelgebed in de verschillende perioden van het liturgisch jaar.
De ontwikkelingen op het gebied van een geordende lectuur van de Schrift zijn stormachtig te noemen. In 1977 presenteerde de Sectie Eredienst van de Raad van Kerken in Nederland een oecumenische jaarorde, die in de loop der jaren bekend werd via De Eerste Dag en via Kind op Zondag, dat eveneens van dit rooster gebruik maakt. Op vele plaatsen in onze kerken wordt deze oecumenische jaarorde gehanteerd.
In internationaal verband tekenen zich dezelfde ontwikkelingen af. Verschillende sporen lopen naast elkaar, maar steeds is er een concentratie waar te nemen op de eenheid van Schrift en Maaltijd. In dit verband noemen wij alleen het BEM- (Baptism, Eucharist and Ministry: Doop, eucharistie en ambt) of Lima-rapport van de Wereldraad van Kerken (1982). Ook hier wordt de eenheid van Woord en Maaltijd geaccentueerd. In kerken van gereformeerde signatuur is wereldwijd een oriëntatie waar te nemen op de voor-reformatorische liturgie. Voorts herinneren we aan de ingrijpende ontwikkelingen die in de Rooms-Katholieke Kerk met het Tweede Vaticaans Concilie zijn ingezet. De grotere aandacht voor de Schrift en het verlangen de liturgie terug te geven aan het volk waren belangrijke stappen voorwaarts in de oecumene, die ook in ons land hun vruchten afwierpen, met name via de ontmoetingen in de al eerder genoemde Sectie Eredienst van de Raad van Kerken. In 1970 werd een nieuw Romeins Missaal gepresenteerd.
Het voorliggende Dienstboek – een proeve is, zoals gezegd, een vanzelfsprekende stap in die ontwikkelingen. De in onze kerken bestaande verscheidenheid en eenheid worden ten volle gewaardeerd. Zowel de klassiek-gereformeerde als een oecumenisch-katholieke orde van dienst kregen een plaats. Zowel de wetslezing als Kyrie en Gloria kunnen het begin van de dienst kenmerken. Meer lerende (door middel van een formulier) en meer vierende (door middel van een tafelgebed) orden voor de Maaltijd van de Heer vonden een plaats. Leesroosters (nauw aansluitend bij het nieuwe Romeinse Lectionarium) en aanwijzingen voor een vrijere vorm van ordening van de schriftlectuur werden opgenomen. Zo hopen wij de volle oecumeniciteit van de in onze kerken gebruikte liturgieën te honoreren.
Uitgangspunten
Dit Dienstboek – een proeve is niet louter een compilatie van wat in de kerken voorhanden is. Wij lieten ons leiden door fundamentele liturgisch-theologische overwegingen.
De uitgangspunten die onze arbeid voor deze proeve van een dienstboek richting gaven, hebben wij kort samengevat in vier punten, waarvan wij vertrouwen dat ze voor het geheel van onze kerken aanvaardbaar zijn en daar ook instemming mogen verwerven.
1.
Van Uwentwege zegt mijn hart:
Zoekt mijn aangezicht.
Ik zoek uw aangezicht, Here.
(Psalm 27:8)
Geroepen door haar Heer komt de gemeente samen voor de kerkdienst. Het is God zelf die ‘zijn naam doet gedenken’ (Exodus 20:24). De eredienst is daarom een dienst van God aan mensen, die de dienst van mensen aan God oproept, draagt en omvat.
2.
Juicht Gode, gij ganse aarde,
psalmzingt de heerlijkheid van zijn naam.
(Psalm 66:1)
De gemeente van Jezus Christus weet zich in haar eredienst verbonden met Israël. God heeft immers in zijn omgang met dit volk zijn dienst aan ons en onze dienst aan Hem gestalte gegeven.
De gemeente weet zich in haar aanbidding, gemeenschap en dienst deel van de kerk van alle tijden en plaatsen, in de hemel en op de aarde.
Omdat zij gelooft dat eens de hele aarde God zal loven en aanbidden, proclameert de kerk de liefde van Christus aan heel de wereld.
In de ontmoeting met de Heer, zoals die in de eredienst gestalte krijgt, worden onze handen en voeten gericht naar de wereld en in het bijzonder naar de minsten van onze broeders en zusters.
3.
En God zegende de zevende dag en heiligde die (...)
En God zeide: “Er zij licht”. En er was licht.
(...) de eerste dag.
(Genesis 2:3a en 1:3 en 5d)
En op de sabbat rustten zij naar het gebod,
maar op de eerste dag der week
gingen zij reeds vroeg in de morgenstond (...) naar het graf.
Zij vonden de steen van het graf afgewenteld.
(Lucas 23:56 en 24:1v.)
De feesttijden des Heren, die gij zult uitroepen,
de heilige samenkomsten, zijn mijn feesttijden.
(Leviticus 23:1)
Het joodse volk viert de sabbat, de dag van de voltooiing.
Aan de kerk is het gegeven de dag na de sabbat, de eerste dag der week, te vieren als dag van de opstanding van de Heer. Week in week uit, door alle seizoenen en jaren heen, telt zij, in navolging van Israël, ‘de zevensprong van de dagen’. Zo gaat zij iedere week weer op weg naar de voltooiing van de schepping, de grote sabbat, de achtste dag, de ‘zondag die geen zon meer nodig heeft’.
Bovendien viert de kerk – eveneens in het spoor van het joodse volk – de feesten die terugkeren met de kringloop van de maan en de zon, met name het Paasfeest, Hemelvaart en Pinksteren en het Kerstfeest en Epifanie.
De doorgaande tijd van de weken en de rondgaande tijd van de jaarfeesten grijpen in elkaar als ‘een wenteltrapachtig tijdsverloop’.
4.
Lucas 24:13-35
In de verschijning van de opgestane Heer aan Kleopas en zijn metgezel, op weg naar Emmaüs, wordt ons de grondgestalte van de eredienst getekend.
De gemeente die onderweg is naar Gods Koninkrijk spreekt en overlegt met elkaar over ‘al wat voorgevallen is’ aangaande haar Heer Jezus Christus. Paulus roept ons op dat te doen ‘in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen’ (Efeziërs 5:19). ‘Ons hart is brandende in ons’ als Hijzelf bij ons komt, tot ons spreekt en met zijn gemeente meegaat. Toch of misschien juist daarom waagt de gemeente het te klagen over het uitblijven van de verlossing. In één adem door vertelt zij echter de mare van het lege graf. Zij gelooft dat de opgestane Heer zelf haar de Schriften opent en uitlegt. Haar verlangen om voorgoed met de Heer verenigd te zijn, wordt verwoord in de gebeden (‘blijf bij ons’). Zij laat zich de ogen openen bij het breken van het brood, zoals dat geschiedde bij de Emmaüsgangers, toen Hij met hen aanlag, het brood nam, de zegen uitsprak, het brak en hun toereikte.
Wij bidden dat onze arbeid aan dit dienstboek dient tot “de lof des Heren, waarmerk van Christus’ gemeente”.
Voor het Samenwerkingsorgaan voor de Eredienst van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden:
B.J. Robbers, voorzitter
ds. J.H. Uytenbogaardt, secretaris
Voor de Commissie voor het Dienstboek:
dr. M. Barnard, voorzitter
ds. P.M.J. Hoogstrate, voorzitter
ds. J.H. Uytenbogaardt, secretaris