Toelichting bij Bevestiging van Ambtsdragers
Algemeen
Liturgische kleur
Bij bevestiging van ambtsdragers is de liturgische kleur rood. Het is de kleur van het vuur, die verwijst naar Pinksteren: de heilige Geest. Tegelijk is het de kleur van het bloed van martelaren, geloofsgetuigen. Wanneer de dienst geheel in het teken staat van de bevestiging van ambtsdragers en ook de lezingen daardoor bepaald zijn, kan men de rode kleur voor heel de dienst laten gelden. Betreft de bevestiging een predikant, dan wordt deze met een rode stola bekleed.
Wanneer de bevestiging van ambtsdragers plaatsvindt op een zondagmorgen en de lezingen van die zondag klinken, bepaalt het tijdeigene de kleur van die zondag. In de adventstijd bijvoorbeeld is de kleur paars. De voorganger verwisselt dan zijn paarse stola voor een rode als de bevestiging van ambtsdragers begint. Als een predikant bevestigd wordt, ligt het voor de hand deze te bekleden met een stola in de kleur van de zondag, aangezien hij/zij in de verdere dienst de voorganger zal zijn.
Leesrooster
Wanneer de bevestiging in het ambt centraal staat, kan gebruik worden gemaakt van het leesrooster dat in dit dienstboek opgenomen is. Is de bevestiging in het ambt ingebed in de zondagsviering, dan kunnen de lezingen van de betreffende zondag gebruikt worden.
Orde voor de bevestiging van een dienaar des Woords
De structuur van de dienst
In een dienst van Schrift en Gebed heeft de bevestiging van de dienaar des Woords plaats vóór de verkondiging van de Schriften. De nieuw bevestigde predikant kan de gemeente dan ook direct voorgaan in de opening van de Schriften, de prediking en de gebeden.
In een dienst van Schrift en Maaltijd kan de bevestiging ook plaatsvinden na de verkondiging van de Schriften. De nieuw bevestigde predikant gaat de gemeente dan voor in de bediening en de viering van de Maaltijd van de Heer.
In schema gebracht, levert dat het volgende beeld op:
Intrede
Bevestiging presentatie opdracht gelofte gebed om de Geest litanie met alle heiligen Gezang 237 bevestigingsgebed en handoplegging bekleding met stola aanvaarding en vredegroet
De heilige Schrift
Gebeden en gaven
[Maaltijd van de Heer]
Zending en zegen | Intrede
De heilige Schrift
Bevestiging presentatie opdracht gelofte gebed om de Geest litanie met alle heiligen Gezang 237 bevestigingsgebed en handoplegging bekleding met stola aanvaarding en vredegroet
Gebeden en gaven
[Maaltijd van de Heer]
Zending en zegen |
Binnenkomst – kleding en plaats
De kandidaat komt bij de aanvang van de dienst tezamen met de voorganger en de dienstdoende ambtsdragers de kerk binnen. Hij/zij draagt een toga of een liturgisch gewaad, maar geen stola. Die stola is het teken van het ambt en de kandidaat is nog niet in het ambt bevestigd. Zijn/haar plaats is (nog) niet bij de ambtsdragers, maar in de gemeente (op de eerste rij bijvoorbeeld). Na de bevestiging neemt hij/zij de plaats van de voorganger in.
Presentatie
De gemeente heeft een kandidaat tot de heilige dienst beroepen. Deze wordt nu in de gemeente waar hij/zij beroepen is, voor het leven in het ambt van dienaar des Woords bevestigd. Bij de presentatie wordt de weg die tot hier toe is afgelegd, geschetst vanuit de gemeente en vanuit de kerk als geheel. Het is de gemeente die deze kandidaat naar voren brengt en waardig bevonden heeft haar predikant te worden. Tegelijk kan iemand alleen predikant worden als hij/zij door de kerk is toegelaten tot het ambt.
Wanneer de bevestiging begint, nodigt een dienstdoend diaken de kandidaat uit op te staan. Deze stelt zich op tegenover de voorganger met de rug naar de gemeente. De voorzitter van de kerkenraad wendt zich tot de voorganger, zegt dat de gemeente deze kandidaat beroepen heeft en vraagt hem/haar de kandidaat in het ambt te bevestigen. Hierbij kan de voorzitter kort aangeven waarom de gemeente juist deze kandidaat heeft beroepen.
De voorganger overtuigt zich ervan dat de kandidaat zonder bezwaar bevestigd kan worden. Daartoe vraagt hij eerst aan de voorzitter van de kerkenraad of er geen wettige bezwaren zijn ingebracht tegen de door de kerkenraad gevolgde procedure bij de beroeping. Vervolgens vraagt hij aan een vertegenwoordiger van de meerdere vergadering of de betreffende kandidaat door de kerk is toegelaten tot het ambt. De vaststelling dat de kandidaat waardig is om in het ambt te worden bevestigd loopt uit op een lofprijzing, dankbaar door de hele gemeente beaamd.
Opdracht
Nadat de kandidaat aan de gemeente gepresenteerd is, laat de voorganger horen welke opdracht een dienaar des Woords heeft. Daarvoor worden drie verschillende teksten aangereikt. De eerste geeft een opsomming van de taken van een Dienaar des Woords, ontleend aan het Alternative Service Book (1980) van de Church of England. In de tweede tekst speelt de notie ‘het gaan van de weg’ een centrale rol. De volgelingen van Jezus heten mensen ‘van de weg’ (Hand. 9: 2). Want op God vertrouwen is het gaan van een weg, waarop ook de profeten en apostelen reeds gewandeld hebben, met het visioen van een nieuw Jeruzalem voor ogen. Vanuit die traditie wordt de opdracht van de dienaren des Woords geschetst: de gemeente voorgaan op de weg. De derde tekst is een korte inleiding (naar luthers gebruik, onder meer in Nederland) op grond van enkele teksten van Paulus: de goede boodschap brengen, heiligen toerusten tot dienstbetoon, het lichaam van Christus opbouwen. Ten slotte wordt de kandidaat opgewekt om zijn/haar dienstwerk met vreugde te aanvaarden, in vertrouwen op de kracht van de heilige Geest.
Gelofte
Bij de bevestiging in het ambt wordt gevraagd naar de roeping, naar de bron van geloof en prediking en naar de eigen houding: waardigheid en trouw, liefde voor mensen, geheimhouding in het pastoraat en loyaliteit naar de kerk in haar geheel. In deze vragen klinkt de traditie van eeuwen mee. Ze brengen het eigene van het ambt in Christus’ gemeente tot uitdrukking.
De eerste vraag, naar de roeping van Godswege, begint bij de beroeping door de gemeente, omdat daarmee de innerlijke ‘eigen’ roeping van de kandidaat van buitenaf is onderkend.
De tweede vraag, over de heilige Schrift als bron van de prediking en enige regel van het geloof, eindigt met de vraag naar verzet tegen al wat daarmee strijdig is. Deze is vergelijkbaar met de ‘verzaking’ (afwending van het kwaad) in de paasnacht.
In de derde vraag refereert het woord ‘waardig’ aan uitdrukkingen uit oudere formulieren als het zich gedragen ‘waardig de roeping waarmede gij geroepen zijt’ en de ‘levenswandel naar Gods Woord’. Verder wordt gevraagd naar liefde voor de gemeente en allen die op de weg van de ambtsdrager komen, naar geheimhouding en naar vervulling van de taak overeenkomstig de orde van de kerk.
De drie vragen worden afzonderlijk beantwoord en besloten met een bede om Gods hulp.
Gebeden en handoplegging
Na de gelofte roept de voorganger de gemeente op om in gemeenschap met heel de kerk voor de kandidaat te bidden. De te bevestigen dienaar knielt neer en allen concentreren zich in een stil gebed. Hierna kan een litanie met alle heiligen gebeden worden. Zeker bij de bijzondere, eenmalige bevestiging in het ambt van een dienaar des Woords mag gehoord worden dat wij een wolk van getuigen rondom ons hebben (vgl. Heb. 12: 1). Na het stil gebed en/of de litanie volgt het oude gebed om de Geest: “Kom Schepper, Geest”.
Het bidden spitst zich toe in het eigenlijke bevestigingsgebed. Hiervoor worden twee bewoordingen ter keuze aangeboden. Beide gebeden hebben dezelfde opbouw: dankzegging – gebed om de Geest over de kandidaat (epiclese) onder handoplegging – voorbede.
Het eerste gebed, afkomstig uit de kerk van Zuid-India, is opgenomen om zijn oecumenisch gehalte. De eigenheid van het ambt klinkt erin door (voor ouderlingen en diakenen is er een eigen versie van dit gebed). Het gebed voor de dienaar des Woords laat horen dat de gemeente verkozen en geroepen is tot verkondiging van Gods grote daden en in Christus een herder en opziener heeft, die gaven geeft aan de mensen om apostel, profeet, evangelist, herder en leraar te zijn. De handoplegging heeft een biddende vorm, gericht op de Here God: ‘Zend nu op uw dienaar uw heilige Geest, de Geest die Gij door uw Zoon aan de apostelen geschonken hebt om in liefde om te zien naar de mensen’. De verwijzing naar de apostelen laat horen waar het om gaat bij de bevestiging van een dienaar des Woords: de voortgang van het apostolisch getuigenis. Het in liefde omzien naar mensen is een opdracht die voor alle drie ambten geldt. Bij de diakenen wordt eraan toegevoegd: ‘en uw barmhartigheid gestalte te geven’, bij de ouderlingen ‘en uw gemeente te bouwen’, bij de dienaar des Woords ‘uw Woord te bedienen en uw gemeente te bewaren bij haar roeping’.
Het tweede gebed zet in bij de roeping tot dienst van Mozes, Mirjam en Aäron, profeten en priesters. Het heeft bij de handoplegging een aanvoegende vorm, gericht op de kandidaat: ‘God, onze hemelse Vader verlichte u door zijn Geest’. De formulering ‘Hij regere u zo in de bediening van uw ambt’ doet een beroep op de regering van de Geest. De ambtsdragers worden in dienst genomen door de Geest en hun opdracht staat en valt met de bereidheid zich te laten leiden.
De handoplegging vormt het midden van het gebed. Behalve de bevestiger zullen ook andere dienaren des Woords aan de kandidaat de handen opleggen om uitdrukking te geven aan de voortgang van het apostolisch getuigenis en aan de collegialiteit in het ambt. Daarbij kan elke dienaar des Woords stilzwijgend aansluiten bij de tekst die de bevestiger bij de handoplegging heeft uitgesproken. Men kan ook zelf een bijbeltekst uitspreken. Na de handoplegging wordt het gebed voortgezet met een voorbede voor de zojuist bevestigde dienaar.
Staan en knielen
Na de bevestiging van de kandidaat-ambtsdrager is zijn/haar plaats in de gemeente veranderd; dit wordt in het ritueel zichtbaar. Voor de bevestiging stond de te bevestigen ambtsdrager met de rug naar de gemeente: hij/zij is door de gemeente naar voren geschoven en doet van daaruit zijn/haar belofte ten overstaan van de Heer. De plek van de knielbank beeldt dit uit: de kandidaat knielt met het gezicht naar Schrift en Tafel. Na het knielen en de bevestiging onder handoplegging komt hij/zij met het gezicht naar de gemeente te staan om zich als dienaar tot de gemeente te kunnen richten.
Bekleding met de stola en verwelkoming
Na het bevestigingsgebed met handoplegging staat de bevestigde dienaar op en bekleedt de bevestiger haar/hem met de stola als teken van het ambt. Zij/hij gaat naast de voorganger staan en de voorganger vraagt de gemeente of ze haar nieuwe predikant als herder en leraar in haar midden wil ontvangen en wil hooghouden in haar/zijn ambt. Dit is het moment waarop de gemeente haar instemming kan bekrachtigen met applaus of met een andere vorm van verwelkoming. De bevestiging kan worden afgesloten met een lofzang.
Leiding van de dienst en vredegroet
Vervolgens neemt de nieuwe predikant de leiding van de dienst over. Allereerst wisselt hij/zij met de gemeente de vredegroet als teken van wederzijdse aanvaarding in Christus. Dan volgt ofwel de dienst van de Schrift ofwel de maaltijd van de Heer, afhankelijk van het moment in de dienst waarop de bevestiging plaatsvindt.
Orde voor de verbintenis van een dienaar des Woords aan een tweede of volgende gemeente of aan een ander dienstwerk
De verbintenis van een dienaar des Woords aan een andere gemeente is een minder unieke gebeurtenis dan de eenmalige bevestiging in het ambt. De orde is daarom korter en eenvoudiger. De verbintenis zal doorgaans plaatsvinden aan het begin van de dienst, waarna de aan de gemeente/het dienstwerk verbonden predikant de gemeente voorgaat in de dienst van de Schrift en de Maaltijd van de Heer of de dienst van Schrift en Gebed. De structuur van de verbintenis is als volgt:
presentatie
opdracht
gelofte
gebed om de Geest
Lied 360
verbintenis
aanvaarding en vredegroet
Presentatie
Ook bij de verbintenis van een dienaar des Woords wordt de weg die daaraan vooraf gegaan is, getekend vanuit de gemeente. De voorzitter van de kerkenraad vraagt aan de consulent de door de gemeente beroepen predikant te willen verbinden aan de gemeente. De consulent vergewist zich bij de voorzitter van de kerkenraad en bij de vertegenwoordiger van de classis ervan dat de predikant zonder bezwaar kan worden verbonden aan de gemeente. Deze vaststelling wordt door de gemeente dankbaar beaamd.
Opdracht
Nadat de te verbinden dienaar aan de gemeente gepresenteerd is, laat de voorganger horen welke opdracht een dienaar des Woords heeft. Omdat deze opdracht niet veranderd is, worden dezelfde drie keuzeteksten aangereikt als voor de bevestiging van een dienaar des Woords.
Na het voorlezen van de opdracht wordt de kandidaat opgewekt om zijn/haar dienstwerk met vreugde te aanvaarden in vertrouwen op de kracht van de heilige Geest.
Gelofte
De te verbinden predikant wordt herinnerd aan de geloften die hij/zij bij zijn/haar bevestiging in het ambt heeft afgelegd voor het leven. Vervolgens vernieuwt hij/zij de geloften die gericht zijn op deze nieuwe periode in zijn/haar ambtsbediening.
Bij de bevestiging is de dienaar eens en voorgoed gevraagd naar datgene wat bij het ambt als zodanig hoort: trouw aan de Schrift, plicht tot geheimhouding en bereidheid de taak te vervullen overeenkomstig de orde van de kerk. Met het oog op het werk in deze gemeente/dit dienstwerk wordt hem/haar nu gevraagd naar zijn/haar persoonlijke motivering en inzet. Het antwoord hierop wordt besloten met een bede om Gods hulp.
Gebeden
Evenals bij de bevestiging in het ambt wordt met heel de kerk gebeden om de heilige Geest in een geconcentreerd stil gebed en met de woorden van de oude hymne ‘Kom, Schepper Geest’.
Verbintenis
De woorden van verbintenis worden bevestigd met een handdruk.
Aanvaarding en verwelkoming
Na de aanvaarding en verwelkoming door de gemeente (bekrachtigd door applaus en/of een lofzang) neemt de aan de gemeente verbonden predikant de leiding van de dienst over en wordt de vredegroet gewisseld, gevolgd door het gebed van de zondag/gebed om verlichting met de heilige Geest.
Orde voor het afscheid van een predikant
Wanneer een predikant afscheid neemt van een gemeente, kan een vertegenwoordiger van de classis vlak voordat de zegen door de vertrekkende predikant wordt uitgesproken, het woord nemen. Daarin wordt bij het einde van haar/zijn dienstwerk de gelofte gememoreerd, waarmee hij/zij dit ambt eenmaal op zich nam. De afscheidswoorden luiden:
Wij laten u gaan en zeggen u dank
voor de overtuiging, de inzet en de liefde
waarmee u tot hiertoe uw dienstwerk
in Christus’ kerk hebt vervuld.
Voor de toekomst wordt de wens uitgesproken dat hij/zij de kerk mag blijven dienen met de haar/hem geschonken gaven van hoofd en hart in een volgende gemeente of dienstwerk of zo mogelijk en waar nodig ook als emeritus.
De vertegenwoordiger van de classis of een kerkenraadslid besluit met een dankgebed en een lofprijzing. Hierna spreekt de vertrekkende dienaar des Woords de zegen uit.
Orde voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen
Het ambt van ouderling of diaken is gebonden aan één bepaalde gemeente. Ouderlingen en diakenen worden in de gemeente waartoe zij behoren één keer in hun ambt bevestigd, al dan niet met handoplegging. Voor hen geldt een ambtstermijn van vier jaar. Ouderlingen en diakenen die herkozen zijn en een nieuwe ambtsperiode ingaan, worden niet opnieuw in hun ambt bevestigd. Een nieuwe bevestiging in het ambt vindt alleen plaats wanneer men een ander ambt gaat vervullen of wanneer men na verhuizing ouderling of diaken wordt in een andere gemeente.
Structuur van de bevestiging
afscheid aftredende ambtsdragers
presentatie
opdracht
gelofte
gebed om de Geest
Lied 360
bevestigingsgebed (en handoplegging)
aanvaarding en vredegroet
Verschillende mogelijkheden
Bij de bevestiging van ouderlingen en diakenen kunnen zich verschillende situaties voordoen. Dit vraagt om een doordachte regie. Immers: het kan zijn dat er alleen ouderlingen te bevestigen zijn of alleen diakenen. Het kan ook zijn dat er ouderlingen én diakenen te bevestigen zijn. Veelal zullen er ook ambtsdragers zijn, die afscheid nemen en/of hun ambt voortzetten of hervatten.
De te bevestigen ouderlingen en diakenen zitten bij de aanvang van de dienst temidden van de gemeente. De ouderlingen en diakenen die afscheid nemen, komen met de dienstdoende ambtsdragers en de voorganger de kerk binnen en nemen hun plaats in de kerkenraadsbank in. Wanneer van hen afscheid genomen is, verlaten zij de kerkenraadsbank en nemen hun plaats in de gemeente in. Wanneer de te bevestigen ambtsdragers aan de gemeente gepresenteerd worden, komen zij uit het midden van de gemeente naar voren en nemen na hun bevestiging plaats in de kerkenraadsbank.
De ouderlingen en diakenen die hun ambt voortzetten, nemen bij het begin van de dienst hun plaats in de kerkenraadsbank in en beantwoorden de hen gestelde vragen staande vanaf hun plaats in de kerkenraadsbank.
Bevestiging van ouderlingen en diakenen heeft plaats na de dienst van de Schrift. De bevestigde ouderlingen en diakenen kunnen daarna deelnemen aan de dienst der gebeden en/of dienst doen aan de Tafel van de Heer.
Afscheid van aftredende ambtsdragers
De dienst van de bevestiging begint met het afscheid van de aftredende ambtsdragers. De voorganger laat hen gaan met dank voor hun overtuiging, inzet en liefde en herinnert hen aan het ambtsgeheim dat ook na het afscheid van kracht blijft. Het afscheid wordt besloten met een dankgebed en een lofzegging of met het zingen van Psalm 90:8 ‘het werk van onze hand, bevestig dat’. Wanneer zij hun plaats in de gemeente hebben ingenomen, is voor ieder zichtbaar dat er in de kerkenraadsbank plaatsen vrijgekomen zijn.
Presentatie
Vervolgens worden de nieuwe ambtsdragers en de ambtsdragers die herkozen zijn bij name genoemd. De nieuw te bevestigen ambtsdragers komen vanuit de gemeente naar voren, de herkozen ambtsdragers staan op vanaf hun plaats in de kerkenraadsbank. De voorganger vraagt aan de voorzitter van de kerkenraad of er wettige bezwaren tegen hun (her)verkiezing zijn ingebracht en stelt vast dat zij zonder bezwaar kunnen worden bevestigd. Deze vaststelling wordt door de gemeente dankbaar beaamd.
Opdracht
Als de nieuwe ambtsdragers naar voren gekomen zijn en de ambtsdragers die hun dienst zullen hervatten zijn gaan staan, wordt hun de opdracht voorgehouden die ouderlingen en diakenen in de gemeente van Christus hebben.
Voor de opdracht zijn twee teksten ter keuze gegeven. De eerste geeft een beschrijving van de taak van ouderlingen en diakenen. Het is mogelijk in deze tekst stemwisseling aan te brengen: de voorganger leest het eerste gedeelte en de slotwoorden, een ouderling leest het gedeelte over de taak van de ouderling en een diaken het gedeelte over de taak van de diaken.
De tweede tekst is een korte inleiding naar luthers gebruik, op grond van teksten uit de brieven van Paulus en Petrus.
Ten slotte worden de ambtsdragers opgewekt om hun dienstwerk met blijdschap te aanvaarden in vertrouwen op de kracht van de heilige Geest.
Gelofte bij voortzetting of hervatting van het ambt
De ouderlingen en diakenen die hun dienst hervatten, zijn bij hun bevestiging in het ambt eens en voorgoed gevraagd naar datgene wat bij het ambt als zodanig hoort: trouw aan de Schrift, plicht tot geheimhouding en bereidheid de taak te vervullen overeenkomstig de orde van de kerk. Nu zij hun dienst voortzetten of hervatten, worden zij herinnerd aan de gelofte die zij toen gedaan hebben en wordt hun gevraagd naar hun persoonlijke motivering en inzet voor de nieuwe ambtstermijn. Het antwoord wordt gevolgd door een bede om Gods hulp.
Een zegenwens, bekrachtigd door een handdruk, besluit dit onderdeel (de handoplegging blijft achterwege). Hierna gaan deze ambtsdragers weer zitten.
Gelofte bij bevestiging in het ambt
De nieuw te bevestigen ambtsdragers staan op om de volledige vragen te beantwoorden.
Bij bevestiging in het ambt wordt gevraagd naar de roeping, naar de bron en regel van het geloof en naar de eigen houding: waardigheid en trouw, liefde voor mensen, geheimhouding in het pastoraat en loyaliteit naar de kerk in haar geheel. In deze vragen klinkt de traditie van eeuwen mee. Ze brengen het eigene van het ambt in Christus’ gemeente tot uitdrukking.
De eerste vraag situeert de roeping van Godswege in de verkiezing door de gemeente. De tweede vraag over de heilige Schrift als enige regel van het geloof, roept op tot verzet tegen al wat daarmee strijdig is, vergelijkbaar met de afwending van het kwaad in doopdiensten. De derde vraag gaat over wijze van ambtsbediening (waardig en trouw), liefde voor de gemeente en allen die op de weg van de ambtsdrager komen, geheimhouding en het zich bewegen binnen de orde van de kerk.
Het ja-woord op deze drie vragen wordt besloten met een bede om Gods hulp.
Gebeden en handoplegging
Na de gelofte roept de voorganger de gemeente op om in gemeenschap met heel de kerk voor de ambtsdragers te bidden. Het verdient de voorkeur dat alle te bevestigen ambtsdragers nu knielen, net als bij de bevestiging van een dienaar des Woords. Als het gezamenlijk knielen tijdens het hele gebed (van de dankzegging tot en met de voorbede) bezwaarlijk is, kunnen de te bevestigen ambtsdragers na de dankzegging beurtelings naar voren komen om te knielen en de handoplegging te ontvangen.
Na de oproep tot gebed concentreren allen zich in een stil gebed. Daarna kan een litanie met alle heiligen gebeden worden. Zeker bij de (eerste) bevestiging in het ambt mag gehoord worden dat wij een wolk van getuigen rondom ons hebben (vgl. Heb. 12: 1). Na het stil gebed en/of de litanie volgt het oude gebed om de Geest: “Kom Schepper, Geest”.
Voor het eigenlijke bevestigingsgebed worden twee bewoordingen ter keuze aangeboden. Beide gebeden hebben dezelfde opbouw: dankzegging – gebed om de Geest over de ambtsdragers (epiclese) onder handoplegging – voorbede.
Het eerste gebed, afkomstig uit de kerk van Zuid-India, is opgenomen om zijn oecumenisch gehalte. Dit gebed kent aparte versies voor ouderlingen en diakenen, waarin de eigenheid van de ambten doorklinkt: in de versie voor diakenen wordt de gestalte van de dienstknecht genoemd. De versie voor ouderlingen lijkt veel op die voor de dienaar des Woords, maar hun taak spitst zich toe op de opbouw van de gemeente. Naast deze twee aparte versies is ook een versie opgenomen voor ouderlingen en diakenen tezamen. Deze kan worden gebruikt wanneer ouderlingen èn diakenen worden bevestigd. De handoplegging heeft een biddende vorm, gericht op de Here God: ‘Zend uw heilige Geest op N, maak haar/hem ouderling/diaken in deze gemeente om in liefde om te zien naar de mensen’. Deze laatste opdracht geldt voor alle ambten. Bij de diakenen wordt eraan toegevoegd: ‘en uw barmhartigheid gestalte te geven’, bij de ouderlingen ‘en uw gemeente te bouwen’.
Het tweede gebed zet in bij de roeping tot dienst van Mozes, Mirjam en Aäron, profeten en priesters. Het heeft bij de handoplegging een aanvoegende vorm, gericht op de te bevestigen ambtsdragers: ‘God, onze hemelse Vader verlichte u door zijn Geest’. De formulering ‘Hij regere u zo in de bediening van uw ambt’ doet een beroep op de regering van de Geest. De ambtsdragers worden in dienst genomen door de Geest, en hun opdracht staat en valt met de bereidheid zich te laten leiden. Dit tweede bevestigingsgebed kan gebruikt worden zowel bij bevestiging van ouderlingen of diakenen, als bij bevestiging van ouderlingen en diakenen tezamen. Bij dit gebed kan in het geval van een groot aantal ambtsdragers ook gekozen worden voor een kortere formulering bij de handoplegging.
Waar men geen handen oplegt, wordt de bevestigingsformule met een handdruk bekrachtigd. Na de handoplegging (of handdruk) volgt een voorbede voor de bevestigde ambtsdragers.
Aanvaarding, verwelkoming en vredegroet
De gemeente wordt gevraagd hen te aanvaarden als hun nieuwe ouderlingen en diakenen en hen hoog te houden in hun ambt. De verwelkoming, waarbij kinderen een rol kunnen spelen, kan bekrachtigd worden met applaus en/of een lofzang en met het wisselen van de vredegroet. Daarna nemen de nieuwe ambtsdragers hun plaats in de kerkenraadsbank in. Als dienstdoende ambtsdragers kunnen zij nu deelnemen aan de voorbede en/of dienst doen aan de Tafel van de Heer.