Toelichting bij Inleiding in een bediening
De orde voor de inleiding in een bediening wordt ingevoegd aan het begin van de voorbede. Zij is opgebouwd uit de volgende elementen: presentatie, onderwijzing, vragen, gebed en handoplegging en aanvaarding.
De presentatie geeft gelegenheid degene die in een bediening wordt gesteld voor te stellen aan de gemeente, en aan te geven ten behoeve van welke arbeid de bediening zal worden verricht. Daarbij wordt ook de ambtelijke vergadering genoemd, die voor haar opdracht ondersteuning zocht in deze bediening.
De onderwijzing leert hoe de bediening in onze kerk wordt verstaan en geeft een korte karakteristiek van de betreffende bediening in de kerk.
De vragen betreffen de kundigheid en arbeid van degene die in de bediening wordt ingeleid. De bediening kenmerkt zich als dienst en genadegave in de zin waarin de apostelen Petrus en Paulus daarover spreken: ‘Laat ieder van u de gave die hij van God gekregen heeft, gebruiken om de anderen daarmee te helpen’ (1 Pet. 4: 10), en ‘Er zijn verschillende gaven, maar er is één Geest; er zijn verschillende dienende taken, maar er is één Heer’ (1 Kor. 12: 4–5).
In gebed en handoplegging wordt de Eeuwige als ‘Gever van alle goede gaven’ gebeden dat Hij ons dienstbaar maakt en dat onze dienstbaarheid door deze bediening zal toenemen. Daartoe wordt, onder handoplegging, de Geest afgesmeekt over degene die in een bediening wordt ingeleid.
De aanvaarding verbreedt de genadegave van degene die zojuist in een bediening is ingeleid naar heel de gemeente. Zij ontvangt hem of haar, leeft met haar mee en omringt hem met gebeden en werkt mee in de dienst van de Heer. Maakte de onderwijzing duidelijk dat de bediening is gegrond in de dienst van heel de gemeente, hier wordt de gemeente nadrukkelijk op deze dienst aangesproken. Een (lof)lied kan deze inleiding in een bediening afsluiten. Daarna volgt de voorbede, waarvan in de orde enige voorbeelden zijn opgenomen.