Inleiding
Inleiding
Wanneer mensen een nieuwe woning betrekken, is er sprake van een overgangssituatie. Deze wordt gekenmerkt door het aanbreken van een nieuwe periode en daarnaast, ook door het afscheid nemen van een vorige en wellicht het onderweg ergens verblijven. Een verhuizing kan een crisismoment in zich bergen. Daarbij kunnen gevoelens van blijdschap en vreugde, maar ook van spijt, verdriet en onzekerheid een rol spelen. Tevens biedt een huis, een nieuwe woning, ook een gevoel van eigenheid, bescherming en veiligheid.
De Schriften verkondigen dat God in Christus onder ons mensen wil wonen, Hij heeft zijn tent onder ons opgeslagen (Johannes 1:14). Als wij Hem liefhebben en zijn woord bewaren, zullen de Vader en Christus bij ons komen en bij ons wonen (Johannes 14:23v. e.v.).
Jezus zocht mensen op en kwam in hun huis (onder anderen bij Zacheüs, bij Maria en Marta, bij Petrus, de Emmaüsgangers). Hij vond er rust, geborgenheid en ontmoeting en gebruikte de maaltijd. Hiermee bracht hij de vrede van God bij de mensen thuis. Deze opdracht gaf Hij ook aan zijn leerlingen (Lucas 10:5). Tevens ontving Hij mensen die bij anderen niet welkom waren en at met hen, zoals tollenaars en zondaars (Marcus 2:15–17).
In het leven van een christen kan de bewoning van een (nieuw) huis begeleid worden door een moment van gebed en toewijding. Daarbij kunnen verschillende accenten een plaats krijgen. Zo zullen de bewoners, en in het verlengde daarvan hun bewoning, een zegen ontvangen. Jezus zegt: ‘Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: “Vrede voor dit huis!” Als er een vredelievend mens woont, zal jullie vrede met hem zijn; zo niet, dan zal die vrede bij je terugkeren.’ (Lucas 10:5–6).
In de oosters-orthodoxe traditie is het de gewoonte dat de bewoners worden gezalfd. In ieder geval raken beide, bewoners en huis, op verschillende wijze op elkaar betrokken. Immers, de mens opent zijn hart en huis om daarin God, zijn Schepper, en zijn naaste toegewijd te dienen. Zo wordt een huis ervaren als meer dan een verzameling stenen.
Een woning dient ter beveiliging van de mens, biedt bescherming aan lijf en goed tegen bedreiging van buitenaf en schenkt geborgenheid aan wie rust en vrede zoeken. Zo is er ook hier, in aansluiting op de doop, sprake van een zekere mate van het afweren van het kwade. ‘De Heer houdt de wacht over je gaan en je komen’ (Psalm 121:8). Dit betekent ook dat Hij erop toeziet dat het goede toegelaten wordt, het kwade buitengesloten en verdreven. Zo kunnen de doopkaars (en het doopwater) bij de huiszegen een bijzondere plaats innemen. Alles is erop gericht het huis en zijn bewoners af te zonderen van het kwade en toe te wijden aan Christus en de naasten.
De zegening van een (nieuwe) woning drukt het geloofsvertrouwen uit dat de verrezen Christus vandaag met zijn vrede bij de mensen wil wonen (Johannes 20:19–21). Het huis van mensen maakt Hij tot deel van zijn lichaam, de Kerk, waardoor de bewoners elkaar bemoedigen in het geloof, samen bidden en met elkaar leven. In christelijke zin staat hierbij centraal:
- dat Christus dit huis mag bewonen, Hij is de Eersteling die voorgaat, Hij zegent allen die binnentreden met zijn aanwezigheid.
- De liefde van Christus zal haar weg vinden en toenemen in de onderlinge liefde van de bewoners en bij hun gasten, die zij
ontvangen als Christus.
- Christus deelt in de vreugde en de droefheid van allen die in dit huis wonen.
- Hij begeleidt degenen die uit dit huis hun weg gaan, Hij ontvangt degenen die in dit huis hun toevlucht zoeken.
- Zo zal de goede geur die Christus is, verspreid worden aan allen in en om het huis, waardoor haar inwoners in geloof gevrijwaard worden en onttrokken aan de machten van het
kwade. Hier zal de geest van God wonen en de naam des Heren
worden uitgeroepen: ‘De Heer is hier!’
Niet alleen de bewoning van een nieuw huis, ook het afscheid van een oude omgeving en woning of een tijdelijk verblijf elders kunnen soms openlijke, soms verborgen emoties bij mensen teweegbrengen. Gevoelens van verdriet, onzekerheid en spijt kenmerken deze vaak ingrijpende aangelegenheid. Men kan bij zo’n moment stil staan, of bij het begin van een nieuwe periode kort terugblikken. Wellicht kan een gebed daarbij behulpzaam zijn (zie Keuzeteksten).
Dat bovenstaande noties in de protestantse traditie niet geheel onbekend zijn, moge blijken uit het gebed in het Hervormd Dienstboek (1955) ‘Bij de eerste huisdienst in een nieuwe woning’ (zie Keuzeteksten).
De ‘Orde voor een huiszegen’ zoals die hier volgt, kan gezien worden als een schakel in de bijzondere aandacht binnen de christelijke gemeente voor de bewoning van onze huizen. Waar men niet de gehele orde zal gebruiken, is het mogelijk enige onderdelen te kiezen. Kernmomenten zijn in ieder geval Schriftwoord en zegen voor bewoners en huis.