Inleiding bij het dagelijks gebed
1. Inleiding en plaatsbepaling
‘Mijn tijden zijn in uw hand’ (Ps. 31:16). Dit bemoedigende schriftwoord was voor ons uitgangspunt bij het zoeken naar vormen voor het dagelijkse gebed. Deze bemoediging weerspiegelt zich in het gebod: ‘Bidt zonder ophouden’ (1 Tess. 5:17) en ‘Waakt te allen tijde, biddende...’ (Luc. 21:36, vergelijk 18:1). Met die woorden geven de apostel en de Heer aan de christelijke kerk de opdracht biddend te leven. De kerk is zich ervan bewust dat Hij die haar gebiedt te bidden, zelf ook dit gebod heeft vervuld. Telkens wanneer in de geschiedenis van de kerk het onophoudelijke gebed tot een onmenselijke last en plicht is gemaakt, zien we hervormingsbewegingen optreden die tegenover het strenge gebod als het ware het bemoedigende woord van de psalmist accentueren.
In het Oude Testament, en met name in de psalmen, horen we van een geregelde gebedspraktijk. Psalm 55:18 wijst op een morgen- en avondgebed. In Psalm 119:164 en 119:62 zegt de psalmist: ‘Zevenmaal daags loof ik U’ en ‘Te middernacht sta ik op om U te loven’. Deze twee verzen corresponderen met de latere praktijk van het christelijke kloosterleven.
Jezus is een zoon van zijn volk. Vele malen lezen we in de evangeliën dat Hij de stilte zoekt of de berg opgaat om te bidden. Onze uren, dagen en jaren zijn werkelijk in Gods hand, omdat de Middelaar Christus ze door zijn biddend leven in Gods hand heeft gelegd.
Van meet aan heeft de kerk aansluiting gezocht bij de joodse traditie en vaste uren bepaald waarop gebeden werd. De regelmaat en het vaste ritme van deze ‘bidstonden’ worden in het Nederlands uitgedrukt met een woord dat ook de onveranderlijke beweging van de hier te lande alles beheersende zee aangeeft: getijden.
Toch is juist in onze alledaagse tijd nauwelijks meer een vast ritme aan te geven. Veelvuldig is er sprake van een ‘7x24-uurs-economie’. Voor de bedrijvige mensen die wij zijn is het al moeilijk op vaste tijden te eten, te slapen en elkaar te spreken. Hoeveel te moeilijker is het dan om die alledaagse tijd te heiligen door zich met regelmaat biddenderwijs te richten op God, op een andere wereld dan wij voor ogen hebben. Wij leven, zoals wel gezegd is, in een biddeloze cultuur. De ongewoonheid die het bidden gekregen heeft, maakt dat het gebed met een zekere gêne omgeven is geraakt, een gêne die we niet moeten verwarren met de verlegenheid die ieder gebed eigen is, noch met het onvermogen om te bidden waarover Paulus spreekt (Rom. 8:26).
In deze ongewoonheid en gêne wordt niettemin ook de leegte en het gemis van een biddeloos leven gevoeld. Zo ontstond in onze kerken opnieuw de behoefte aan vieringen op andere momenten dan de zondagmorgen, die zijn ingepast in het leven van alledag. Deze behoefte gaat gelijk op met een verlangen naar spiritualiteit, dat wil zeggen naar een individuele en gemeenschappelijke beleving van het geloof en het houden van ‘stille tijden’. Ten teken daarvan zien wij dat tegenwoordig allerwegen in ons land, hier incidenteel, daar regelmatig, weer getijdendiensten, met name vespers, worden gevierd. Er is daarnaast vraag naar vormen voor ‘huisdiensten’. Kortom, het besef dat Jan Wit al enkele decennia geleden formuleerde, lijkt meer ingang te vinden: ‘Wie de getijden verzuimt, wordt door de tijd overspoeld’.
Met het vieren van getijdengebeden wordt naar oude liturgische vormen gegrepen. In het verleden hebben die meer dan eens aanleiding gegeven tot een wildgroei die de eenvoud van het gebed volledig versluierde. Anderzijds heeft de afschaffing van de vaste gebedsvorm in de Reformatie ten slotte in onze tijd tot het einde van een geregeld gebedsleven geleid. Wij bieden daarom andermaal een vorm voor het dagelijks gebed. Bidden behoeft geen veelheid van woorden of vormen; de aangeboden vormen zijn daarom eenvoudig. ‘Langere tijd bidden is immers niet hetzelfde, zoals sommigen denken, als met een veelheid van woorden bidden. Veel praten is iets heel anders dan een lang aanhoudende liefdesblik’. )
2. Bidden
Dit roept de vraag op wat bidden eigenlijk is. Als wij dat pogen te formuleren, doen wij dit in het besef dat wij niet boven de ‘gebedsverlegenheid’ van onze cultuur verheven zijn. De paar aanduidingen over het gebed die wij in deze paragraaf geven, weerspiegelen daarom persoonlijke opvattingen; systematische en exegetische uiteenzettingen over het bidden zijn elders in voldoende mate te vinden.
De taal van het gebed wordt, grammaticaal gesproken, beheerst door de aanspreekvorm en door de tweede persoon enkelvoud: het is een aanspreken. God zoekt gesprek met ons, Hij spreekt ons aan, en wij antwoorden Hem. Het gebed is geen verhandeling over God, in de derde persoon, maar een gesprek met Hem. Bidden veronderstelt een persoonlijke God die met mensen begaan is. Dat maakt het gebed tot een intieme aangelegenheid, een zaak van de binnenkamer, een persoonlijke, innerlijke en innige zaak. Dit betekent dat in het gebed allerlei schalen om ons heen gekraakt worden en schillen losgepeuterd; het gebed legt alles bloot. Daarom veronderstelt en wekt het vertrouwen. Geen wonder dat bidden altijd óók met een zekere schaamte, verlegenheid en soms zelfs weerzin omgeven is. In het gebed geven we onszelf zonder voorbehoud aan God en laten we God zonder voorbehoud bij ons toe. Zijn Woord dat we hoorden door onze oren, wordt in het gebed tot ons hartsgeheim. Onze werkelijkheid verstilt en verruimt zich voor en door God. Daarom kan het gebed ook woordeloos zijn.
Het gebed spreekt God aan en spreekt Hem erop aan het werk van zijn handen niet los te laten. Zelfs waagt het gebed het God aansprakelijk te stellen en de pijn en nood van deze gehele wereld Hem voor de voeten te werpen. Afstandelijker gezegd: het erkent dat deze aarde en wie haar bewonen aan Hem toebehoren en bestemd zijn níet voor de machten die het leven, de vrede en de gerechtigheid verhinderen, maar voor zijn Koninkrijk. Dit besef zet de persoonlijke en innige communicatie met God in een breed verband. Wij vertrouwen onszelf, degenen die aan onze zorg zijn toevertrouwd en deze gehele aarde toe aan God wie ze toebehoren, en die hun Schepper is en ze onderhoudt.
Het gebed, zowel het gemeenschappelijke als het persoonlijke, is kern van het geloofsleven. De Heidelbergse Catechismus noemt het gebed ‘het voornaamste deel van de dankbaarheid’ (Zondag 45). Het heiligt het leven en de ruimte en tijd waarbinnen het leven geleefd wordt. Daarom veronderstelt het gebedsleven een regelmaat, zoals de ademhaling. Wij werden getroffen door een woord van Gunning: ‘De adem Gods daalt neer tot het schepsel om het levend te maken. Daarna wordt hij weer ingeademd, tot zijn oorsprong terug opgetrokken: dat zijn de gebeden van Gods kinderen. (...) Is alle gebed, gelijk wij zeiden, het inhalen van Gods adem, dan is het slechts teruggave van den indruk dien het leven Gods, tot ons komende, in ons gemaakt heeft. Inderdaad is dan ook het gebed slechts afspiegeling van Gods eeuwig wezen in ons.’ 2)
3. Getijden en huisdiensten
Het dagelijks gebed: getijden en huisdiensten is bedoeld om gebruikt te worden thuis en in de gemeente, en biedt materiaal voor heel verschillende situaties. De verschillende liturgische vormen die worden aangeboden, hangen nauw met elkaar samen. Zij beogen continuïteit te bieden in het veelkleurige en fragmentarische kerkelijke en persoonlijke leven. Er is één lijn, waarbij de situatie wisselt. In deze paragraaf schetsen we die lijn.
In reformatorische kerken is het allerminst vanzelfsprekend om over getijden te spreken. De getijden raakten in de kerken van de Reformatie geleidelijk buiten gebruik. Zij werden vervangen door de huisdienst en door individuele vroomheid (Calvijn) of minstens in hun betekenis gerelativeerd (Luther). De reformatoren reageerden daarmee op een ontaarde gebedspraktijk. Nu in onze tijd de huisvroomheid minder vanzelfsprekend is dan in de tijd van de Reformatie, verdient het getijdengebed opnieuw onze aandacht, omdat het mogelijk een schakel is tussen het persoonlijk gebed en de zondagmorgendienst.
Al in de vroegste geschiedenis van de kerk is er grote veelvormigheid in de gebedsdiensten. Er waren, naar we kunnen aannemen, naast gebedsbijeenkomsten van de gemeente op bepaalde uren van de dag en de nacht (mogelijk vergelijkbaar met onze diensten ‘van woord en gebed’), ook de gebeden die thuis werden gezegd. Er is een vloeiende overgang tussen de openbare eredienst en de private: de huisgemeente neemt deel aan het gebed van de gehele kerk. Het dagelijks gebed volgt het gewone levensritme van dag en nacht, van opstaan en slapen gaan, van arbeid en maaltijd.
Wij hebben in deze Proeve aansluiting gezocht bij deze vroeg-christelijke praktijk. Daarom bieden wij een liturgische vorm aan voor een morgen-, middag- en avondgebed (de klassieke ‘vesper’) en ook een vorm voor een dagsluiting (een bewerking van de klassieke ‘completen’); bovendien ook een nachtgebed omwille van hen die waken moeten of van hen die niet kunnen slapen. De liturgische vormen voor deze vier momenten van de dag worden telkens tweemaal aangeboden: de eerste keer in een meer uitgebreide vorm, bedoeld voor groepen en gemeentesamenkomsten, de tweede keer in een heel eenvoudige vorm, bedoeld voor persoonlijk gebruik of met slechts een paar mensen. Naast vormen voor getijden in gemeentesamenkomsten en vormen voor persoonlijk gebed blijkt in de huidige kerkelijke praktijk ook behoefte te bestaan aan een tussenvorm, bijvoorbeeld bij de opening of afsluiting van een vergadering of catechesegroep. Ook daarvoor worden twee vormen aangeboden.
Er laat zich dus voor onze tijd binnen het dagelijkse gebed in de getijden en huisdiensten een aantal vormen voor verschillende situaties onderscheiden:
– gemeentevieringen naast de zondagmorgendienst;
– vieringen in kleinere kring (hetzij thuis, hetzij in de kerk);
– persoonlijke gebedsoefeningen;
– gebeden ter opening of afsluiting van vergaderingen en bijeenkomsten.
In deze Proeve hebben deze vormen gestalte gekregen in een twaalftal orden van dienst: (1) orde voor het morgengebed (2) orde voor het middaggebed (3a) orde voor een vesper vroeger op de avond (3b) orde voor een vesper later op de avond (4) orde voor een dagsluiting of completen
Deze orden herhalen zich in de volgende varianten voor persoonlijk gebruik: (5) orde voor een persoonlijk morgengebed (6) orde voor een persoonlijk middaggebed (7) orde voor een persoonlijk avondgebed (8) orde voor een persoonlijke dagsluiting of completen
Bovendien is hier toegevoegd: (9) orde voor een persoonlijk nachtgebed
De orden 1 t/m 4 zijn in principe voor gezamenlijk gebed. De orden 5 t/m 9 zijn voor persoonlijk gebruik. Deze orden kunnen ook worden gebruikt in kleine kring.
Daarnaast zijn nog opgenomen: (10) een orde voor de opening van een bijeenkomst (11) een orde voor de afsluiting van een avondbijeenkomst
|
Binnen deze drieslag zijn vele toepassingsmogelijkheden denkbaar.
– In de kring van de gemeente valt te denken aan vespers op de bid- en dankdagen voor gewas en arbeid, op zaterdag- of zondagavond of juist op weekdagen in de Veertigdagentijd, Adventstijd of de zogenaamde quatertempertijden (letterlijk ‘de kwartalen’, vastendagen in de eerste week van de lente, de Pinksterweek en de derde week van september en december), op de avond of in de nacht voor de grote feestdagen van de kerk, op gedenkdagen, in de vredesweek, in de gebedsweek voor de eenheid, bij oecumenische ontmoetingen of op wereldgebedsdag.
– Bij vieringen in kleinere kring valt te denken aan de opening of afsluiting van een bijeenkomst (vergadering, leerhuis, catechese, gemeenteavond, enzovoort), maar ook aan de kleinere huiselijke kring met dagelijkse gebeden die het natuurlijke levensritme van de mens volgen, aan een getijdenviering aan tafel of ter gedachtenis aan een doop, bij particuliere feestelijkheden (trouwjubilea, verjaardagen), persoonlijke nood (ziekte, ontslag, echtscheiding), bijzondere gebeurtenissen (examens), aan een avondwake in de dagen voor een uitvaart en op gedenkdagen erna, bijvoorbeeld de veertigste dag of de sterfdag.
– Bij persoonlijke gebedsoefeningen valt te denken aan (om welke reden dan ook) incidentele gebeden en aan geregeld gezegde gebeden.