Muziek in de getijden
8. De muziek
Muziek kan op drie verschillende manieren klinken in de getijdendiensten. De drie genres zijn die van het strofelied, het recitatief en de instrumentale muziek.
Het strofelied heeft in de protestantse traditie als muzikaal genre ongetwijfeld de oudste papieren. In het calvinisme is het zelfs lange tijd de enig toegepaste vorm van kerkmuziek geweest. Zoals gezegd verdween na de Reformatie het getijdengebed spoedig. Daarom is de traditie van de getijden nooit verbonden geweest met die van het strofische rijmpsalter, dat immers typisch is voor de Reformatie. Historisch is er dan ook geen reden om het zingen van berijmde psalmen in het herontdekte getijdengebed in te voeren. Vanouds is in getijdendiensten het gebruik van strofeliederen altijd beperkt gebleven tot de hymne. Het strofelied heeft een gesloten vorm, die zich minder gemakkelijk laat verenigen met het meditatieve karakter van een getijdendienst. Het verdient daarom aanbeveling om het aantal strofeliederen te beperken en aansluiting te zoeken bij het karakter van de getijden.
In het kloosterofficie is het recitatief het belangrijkste muzikale genre. Gebeden, psalmen, lezingen en cantica worden op eenvoudige verhoogde tonen gedeclameerd. Het reciteren van deze liturgische onderdelen heeft een drieledig doel. Ten eerste wordt de tekst in het recitatief zo objectief mogelijk weergegeven. We komen daar hieronder op terug. Ten tweede verheft de verhoogde toon de tekst ook figuurlijk boven het gewone. Ten derde is de op verhoogde toon gesproken tekst beter te verstaan, met name in over-akoestische ruimten zoals (klooster)kerken. In het tijdperk vóór de geluidsinstallatie was dat ongetwijfeld eens te meer een reden van niet te onderschatten belang.
Twee groepen melodische formules kunnen worden onderscheiden: de formules bij de psalmen en lofzangen (cantica) en die bij de vaste liturgische onderdelen.
Psalmen en cantica worden vanouds in vrijwel dezelfde muzikale vorm gezongen. De onberijmde tekst wordt op een melodische formule gereciteerd, voorafgegaan en gevolgd door een antifoon, een refrein dat de psalm- of canticumtekst een bepaalde ‘kleur’ geeft. In aansluiting bij het huidige monastieke gebruik hebben wij, zoals gezegd, ervoor gekozen om de antifoon bij de psalm uit diezelfde psalm te kiezen. De antifoon bij het canticum is niet uit de canticumtekst afkomstig, maar sluit aan bij de tijd van het jaar.
Het verdient aanbeveling om de psalmen in de getijdendiensten onberijmd te reciteren. Hierboven wezen we er al op dat de getijden nooit met het rijmpsalter zijn samengegaan. Daar voegt zich nog een aantal argumenten bij. Ten eerste zijn de psalmen in de getijdendiensten in eerste instantie gebed. Het reciteren wordt gemakkelijker als bidden ervaren dan het zingen van een strofelied. Het contemplatieve karakter van een getijdendienst komt in het reciteren beter tot zijn recht. Ten tweede ligt een onberijmde versie van de psalm, ook in haar literaire gestalte, dichter bij de grondtekst dan een berijmde versie. Eigenlijk is het bij berijmingen beter om te spreken van bijbel- of psalmliederen. Daarbij komt nog dat een psalm in berijmde versie bijna twee keer zo lang wordt als het onberijmde origineel. Het reciterend zingen van een hele psalm is dus, ook fysiek, beter vol te houden. Ten derde doet een reciteertoon meer recht aan de objectiviteit van de tekst dan de strofevorm. De muziek ondersteunt de tekst. Zodra de muziek een eigen, subjectieve inhoud gaat geven aan de tekst, is er meer sprake van een bepaalde duiding van de tekst. Bij het reciteren moet men in eerste instantie aan spreken denken en niet aan zingen. Omdat de melodie van het recitatief expressie ontbeert, krijgt de expressie van de tekst alle kans. Ten vierde biedt het reciterend voordragen de kans een antifoon of doxologie op een organische manier toe te voegen aan de psalm.
De acht reciteertonen die wij in deze Proeve aanbieden, zijn overgenomen uit Het boek der Psalmen in de vertaling van Gerhardt en Van der Zeyde, dat werd getoonzet door Benedictijner en Cisterciënzer monniken. 1) Elk van de acht psalmtonen vertegenwoordigt een andere kerktoonsoort. Naast de diversiteit in kerktoonsoorten heeft ook de frequentie waarmee de reciteertonen uit de oorspronkelijke uitgave in de praktijk worden gebruikt, een rol gespeeld bij de keuze. Voor de wijze waarop men de psalmen op de reciteertonen zingt, zie men de Leeswijzer voorin deze Proeve.
De antifonen geven de toon aan en vormen dus de ‘herkenningsmelodie’ van een bepaalde psalm of dag. De melodieën doen meer aan als lied en zijn daardoor subjectiever van lading. Ook treedt in de antifoon de sfeer die de kerktoonsoort oproept duidelijker op de voorgrond dan in de reciteertoon.
Hoewel wij het recitatief hartelijk aanbevelen, is het ook mogelijk voor de psalmen en cantica andere kerkmuzikale vormen in de getijdengebeden te gebruiken.
De tweede groep melodische formules heeft betrekking op de vaste onderdelen van het getijdengebed. Het openingsvers met Gloria Patri, de acclamatie bij de voorbeden, het Onze Vader en de zegenbede met acclamatie zijn de vaste onderdelen van de liturgie. Deze onderdelen zijn ook in muzikaal opzicht verwant; ze zijn alle gebaseerd op dezelfde melodische formule.
Het derde kerkmuzikale genre dat we tegenkomen in het getijdengebed is de instrumentale muziek. We moeten ons goed rekenschap geven van functie en doel hiervan. Maar al te vaak verwordt het obligate orgelspel voor de dienst tot ‘muzikaal behang’. Ook op andere momenten in de liturgie geeft in de praktijk de lengte van de muziek de duur van de ‘praatpauze’ aan. Zo hoeft het niet en zo mag het welbeschouwd ook niet. Muziek is een middel om de deelnemers aan een viering zich bewust te laten worden van de stilte. Muziek inspireert en beroert. Stilte na muziek is vaak geladen met betekenis en spanning, veel meer dan stilte die enkel wordt aangegeven op het blad met de orde van dienst. Dat stilte na muziek vaak spannender is dan de muziek zelf, blijkt uit de stilte tussen het slotaccoord van een concert en het applaus. Andersom is muziek intenser als deze de stilte doorbreekt. Stilte en muziek zijn enerzijds elkaars antipoden, maar vormen anderzijds ook een twee-eenheid. Ook binnen de liturgie heeft de soort muziek en de wijze waarop die wordt vertolkt invloed op de lengte en de kwaliteit van de stilte die erop volgt. Een korte, intens gespeelde eenstemmige melodie kan meer teweeg brengen dan een vluchtig gespeeld, zeer doorwrocht werk van een kwartier. Instrumentale muziek mag de contemplatie niet in de weg staan, maar moet haar bevorderen.
Augustinus, ‘De brief aan Proba over het gebed’, X,19 in: Staat van ontlediging, staat van gebed, vert. Anne-Marijke Silvius-Janssen, Brugge 1992.
J.H. Gunning jr., Blikken in de Openbaring, dl. III, Rotterdam 19292, 348 en 349v.
Voor een nauwkeurige en beknopte beschrijving van de geschiedenis van het getijdengebed tot en met deze Proeve, alsmede voor literatuurverwijzingen, raadplege men N.A. Schuman, ‘Getijden en getuigen’ in: P. Oskamp en N.A. Schuman (eindred.), De weg van de liturgie: tradities, achtergronden, praktijk, Zoetermeer 1998, pp. 127-152.
N.A. Schuman, t.a.p. 131.
N.A. Schuman, t.a.p. 133.
M. Metzger, Les Constitutions Apostoliques, SC 320, 329, 336, I-III, Parijs 1985-1987.
Augustinus, ‘De brief aan Proba over het gebed’, IX,18.
J. Calvijn, Institutie III,xx,50, vert. A. Sizoo, Delft z.j.
F. van der Meer, Lofzangen der Latijnse Kerk, Utrecht/Antwerpen 1970, 15.
Augustinus, Confessiones, IX,vii,15.
Het boek der Psalmen uit het Hebreeuws vertaald door dr. Ida G. M. Gerhardt en dr. Marie H. van der Zeyde, getoonzet door Benedictijner en Cisterciënzer monniken, Katholieke Bijbelstichting, Boxtel 1975.