Bijbelse en historische achtergronden
4. Het gebed in de Bijbel
De Bijbel bevat een overvloed aan gegevens over het gebed. We kunnen hier niet meer dan enkele hoofdlijnen aangeven.
Ten tijde van de tempel bracht men dagelijks op vaste tijden een offer aan de Heer (Ex. 29:38-46; Num. 28v.). Het offer was verbonden met het gebed van de offeraar (Gen. 12:8; vgl. Ps. 54) en van het volk (Deut. 26:5-19, 13-15; Luc. 1:10). Niet zelden klinkt profetisch verzet tegen een leeg onderhouden van het offerritueel. Zo zegt de psalmist: ‘Ik zal de Naam van God prijzen met een lied, Hem verheerlijken met een lofzang; dat zal de Heer meer behagen dan een rund, dan een stier met horens en hoeven’ (Ps. 69:31v.). In het Oude Testament en met name ook in de psalmen heerst een spanning tussen materiële en geestelijke offers (Ps. 27:6; 50:14,23; 107:22; 141:2). Ook andere schriftplaatsen zouden hier te noemen zijn. Hoewel gebed als vanzelfsprekend met de cultusplaatsen verbonden was (1 Sam. 1; Deut. 12:11; Ps. 28:2; 134:2), is het daar niet toe beperkt. Ook thuis werd gebeden (Ps. 55:18; Dan. 6:11(10), 14(13)).
Het is niet met zekerheid bekend wanneer de synagogen zijn ontstaan. Archeologische evidentie is er pas vanaf de derde eeuw voor Christus, in Egypte. Er is wel gesuggereerd dat men, gescheiden van de tempel, op de uren waarop in Jeruzalem het offer werd gebracht, gebeden heeft in het besef op dat moment verbonden te zijn met de tempelcultus. Dat is niet waarschijnlijk; veeleer zal men aansluiting hebben gezocht bij het dagritme. Hoe het zij, vanzelfsprekend wordt in de synagoge niet geofferd. Het gebed neemt een belangrijke plaats in.
De Bijbel spreekt van een morgengebed (bij zonsopgang op het derde uur), een middaggebed (dat op werkdagen dikwijls verbonden werd met het avondgebed) en een avondgebed (tussen het negende en twaalfde uur). De psalmen getuigen op vele plaatsen van deze gebedstijden (4; 5; 92:3; 119:147v.; 141:2). Ook de nachtelijke godsdienst is al bekend (Ps. 1:2; 22:3; 42:9; 88:2; 134:1; 119:62). De nachtwake kan dienen om zich voor te bereiden op een feest (Jes. 30:29). Het meest bekende voorbeeld is natuurlijk de paasnacht, waarin Israël waakt in de binnenkamer. In die lijn moet men ook Jezus’ oproep zien om te waken omdat de Messias te middernacht verschijnen zal (Mat. 24:43v.; 25:6).
In het Nieuwe Testament lezen we van de apostelen die de vaste gebedsuren aanhouden (Hand. 3:1; 10:9; 16:25). Johannes spreekt in de Openbaring over de gebeden van de gemeente die als wierook opstijgen tot God (Openb. 8:3v.).
Zoals gezegd, is voor de christelijke kerk het gebod van de Heer om te bidden en de wetenschap dat de Heer ook dàt gebod zelf heeft vervuld, uitgangspunt en kern van haar biddend leven. Bij Jezus vallen gebed en leven samen, want zijn leven is een overgave aan God. In Hem zijn gebed en offer één geworden. Hoezeer zijn leven geheel en al een biddend offer wordt, blijkt in zijn passie, die Hij doorlijdt met de psalmen. Aan de paschamaaltijd zingt Hij met zijn leerlingen de lofpsalmen 113-118. Aan het kruis neemt Hij de psalmen 22 en 31 op de lippen. De offer- en gebedsuren worden op de dag van zijn dood in het lijdensverhaal gemarkeerd: op het derde uur, in de morgen, wordt Hij gekruisigd (Mar. 15:25), op het zesde uur, dat wil zeggen op het midden van de dag, valt een duisternis over het land (Mat. 27:45 en parallellen) en op het negende uur, in de middag, sterft Hij (Mat. 27:46 en parallellen).
Jezus bad voor de zijnen (Joh. 17) en leerde zijn leerlingen bidden (Mat. 5:5-15 en parallellen). De apostelen op hun beurt bidden voor wie aan hun zorgen zijn toevertrouwd en roepen op tot gedurig gebed (1 Tess. 5:17), maar vragen ook voorbede voor zichzelf.
5. Markante momenten in de geschiedenis van de getijden 3)
Het getijdengebed en de huisdienst hebben een lange geschiedenis waarvan men zich – zoveel als mogelijk – rekenschap moet geven bij het maken van uitgangspunten voor orden voor getijden en huisdiensten in onze tijd. Onderstaand overzicht bedoelt geen liturgiegeschiedenis van het getijdengebed te zijn. Wij willen slechts enkele markante momenten uit die lange en gecompliceerde geschiedenis aangeven met het oog op onze uitgangspunten. Het gaat er ons bij deze Proeve om verwordingen te vermijden en een nieuwe lijn uit te zetten die niettemin met de traditie verbonden is, zodat een geïnspireerd dagelijks gebed mogelijk is.
a. De tijd tot aan keizer Constantijn (begin 4e eeuw)
Naar Romeinse gewoonte worden de dag en de nacht in eenheden van drie uur verdeeld, die hun naam ontvangen van het eindtijdstip (dus bijvoorbeeld terts, sext, noon). De vroege kerk kent driemaal daags gebeden, die aansluiten bij deze Romeinse tijdsindeling. De precieze tijden voor deze uren wisselen met de seizoenen: de terts valt tussen 7 en 10 uur, de sext tussen 9 en 11 uur en de noon om 12 uur. Al heel vroeg is ook sprake van een avondgebed bij het vallen van de nacht, een morgengebed bij het licht worden en een nachtgebed. In hoeverre deze gebedstijden ook werkelijk zijn onderhouden, en als dat al het geval is of dat dan in samenkomsten was of in privé-verband, is onderwerp van discussie waarop we hier niet uitvoerig kunnen ingaan. Mogelijk werd het dagelijks gemeenschappelijk gebed als ideaal gezien, maar was dit in de praktijk moeilijk of incidenteel uitvoerbaar.
Tertullianus (hij sterft na 220) en zijn leerling en opvolger Cyprianus kennen drie gebedstijden, die zij christelijk duiden. Tertullianus hoort in de drie gebeden op het derde, zesde en negende uur een weerklank van de Drie-eenheid, terwijl Cyprianus aan deze gebedstijden een Christus-symboliek verbindt: op het derde uur werd de Heer gekruisigd, op het zesde uur viel duisternis over het land, op het negende uur stierf Jezus. Beiden kennen ook morgen-, avond- en nachtgebeden. Cyprianus verbindt de zonsopgang met de opstanding van Christus en de zonsondergang met zijn wederkomst. Alleen al de hoeveelheid gebeden die beiden voor ieder etmaal noemen, sluit uit dat deze altijd gemeenschappelijk waren. Cyprianus benadrukt dat ook het privé-gebed deel uitmaakt van het gebed van heel de kerk. Hippolytus kent gebedsdiensten in combinatie met catechetisch onderricht, ‘een type dienst van Woord en gebed’. 4) Sprekend over het avondgebed noemt hij het ritueel van de zegening van het licht van de kaarsen.
b. De tijd tot aan de kloosterregels in de zesde eeuw
‘In de loop van de vierde eeuw na Christus gaat het beeld veranderen. Enerzijds brengt de nieuwe politieke positie van het christendom met zich mee dat christenen gemakkelijker de regelmatige samenkomsten kunnen gaan bijwonen. Anderzijds bevordert het opkomende monnikendom de traditie van het dagelijkse getijdengebed. Men pleegt het eerste wel aan te duiden als het “kathedraal-officie”, openbare gebedsdiensten in de kerk van de bisschop, het tweede als het “monastieke of klooster-officie”, de getijdendiensten in de kloosters. In feite vindt men al vanaf de vierde eeuw ook mengvormen (...)’. 5)
Uit de Apostolische Constituties (eind vierde eeuw) weten we over gemeentelijke gebedsdiensten. In ieder geval bij de morgen- en avondgebeden, en zeker op zaterdag en zondag, is sprake van een openbare godsdienst, onder leiding van bisschop en diaken. Ook kennen de Apostolische Constituties nog de andere gebedstijden. De gebeden op het derde, zesde en negende uur worden verbonden met de uren op de dag van Christus’ dood aan het kruis, zoals de schriftverhalen die markeren, terwijl morgen- en avondgebed hun symbolische betekenis krijgen van de gedachte dat Christus het licht en de zon van het heil is. Het geschrift spreekt van een gebed bij het hanengekraai, het ‘gallicinium’, naar het Latijnse woord gallus, haan. Afhankelijk van het seizoen is dit tussen twee en vijf uur in de nacht.
De Apostolische Constituties rekenen ermee dat niet ieder steeds ter kerke kan komen: ‘Als het niet mogelijk is ter kerke te komen wegens de ongelovigen, dan moet u, bisschop, in een huis de bijeenkomst organiseren, opdat geen vrome de bijeenkomst van de goddelozen betrede... Als noch in de kerk noch in een huis een bijeenkomst kan worden gehouden, dan psalleert, leest en bidt ieder voor zichzelf. Of twee of drie bij elkaar.’ 6)
Keizer Constantijn staat de christenen toe hun godsdienst vrij te belijden. Daarmee wordt de kerk deel van het openbare leven. De monniken vormen vanaf die tijd de groep die door een gemeenschappelijke levensvorm in staat is alle getijden te onderhouden. Ook de nachtdiensten werken zij uit tot een regelmatig gebed. De eerste monniksregel die we kennen, is die van Pachomius uit ± 325, één van de streng-ascetische Egyptische ‘woestijnvaders’. Opvallend is dat het bidden van de psalmen daarin een taak is geworden, die psalm voor psalm verplicht moest worden vervuld; er is geen vrije keuze meer uit het Psalter.
Enige tijd later, in de regel van Basilius de Grote (gestorven in 379), zien we dat het avondgebed is gesplitst in een gebed aan het einde van de dag en een na de maaltijd aan het begin van de nacht. Dit laatste gebed is de voorloper van de dagsluiting of ‘completen’ en dient als bescherming tegen de phantasmata noctium, de drogredenen, bedreigingen, angsten en fantasieën die opdoemen in de nacht. Er is voorts sprake van een gebed te middernacht en bij het morgenrood. De kern van de gebedsdiensten wordt gevormd door psalmen, gebeden en schriftlezingen. De psalmen worden antifonaal (door twee koren in wisselzang) en responsorisch (de aanwezigen antwoorden op de voorganger) gezongen.
Uit het reisverslag van Egeria (393/394) zijn we bekend met de gang van zaken in Jeruzalem aan het einde van de vierde eeuw. Monniken, volk en geestelijken komen bijeen voor een vigilie bij het hanengekraai, die overgaat in een morgengebed. Ook zijn er gebeden op het zesde en negende uur. Op het tiende uur is de vesper, door Egeria lucernare (zie onder 7h) genoemd. De gebeden worden door de monniken gebeden, waarbij volk en pelgrims vrijwillig aanwezig kunnen zijn.
Aan het begin van de vijfde eeuw heeft het kloosterofficie zijn definitieve vorm gevonden van zeven gebeden en een nachtgebed (de nocturne of het vigilie, later toen het in de morgen werd gebeden ook wel matinen genoemd). De zeven gebedstijden zijn: lauden, priem, terts, sext, noon en vesper; de completen zijn in aanzet aanwezig. Deze in de oosterse, Griekssprekende kerk gegroeide praktijk, komt naar het westen via Johannes Cassianus, die eerst in een klooster te Betlehem woonde, vervolgens bij Egyptische monniken leefde en ten slotte abt werd in Marseille.
c. De grote kloosterregels
In de eerste kloosterregels valt de zwaarte van het gebedspensum (de opgegeven taak), met name van psalmen en gebeden, op. In de eerste helft van de zesde eeuw legt Benedictus de voltooide gestalte van het getijdengebed vast in zijn beroemde Regel. De completen besluiten de dagelijkse gebeden. Het Psalterium wordt in één week gebeden, de Bijbel in één jaar gelezen. De hymnen zijn opgenomen in de orden. Priem en completen hebben een vaste plaats onder de getijdengebeden gekregen, zodat de volledige reeks nu bestaat uit lauden, priem, terts, sext, noon, vesper, completen en vigilie. Daarmee is letterlijk gehoor gegeven aan Psalm 119:164 en 62, waar de psalmist zegt: ‘Zevenmaal daags loof ik U’ en ‘Te middernacht sta ik op om U te loven’. Op feest- en heiligendagen wordt de liturgische gang door het jaar doorbroken. Zodoende steunt de Regel van Benedictus op twee principes: dat van de steeds dóórgaande lezing en gebed en dat van de voor feest- en heiligendagen geselecteerde.
Tussen 590 en 604 bezet de benedictijn Gregorius I de Grote de heilige stoel. Hij ordent de Romeinse liturgie naar het model van Benedictus’ Regel (die overigens zèlf teruggreep op de gegroeide Romeinse praktijk). In de daarop volgende eeuwen wordt het gebedspensum verrijkt en versierd. De hervormingsbeweging van Cluny (tiende eeuw) plaatst de monnik bijna voortdurend in de kerk en breidt het koorgebed overmatig uit. De nieuwe hervormingen van Bernard van Clairvaux (eerste helft twaalfde eeuw) maken een tegengestelde beweging en geven ruimte aan de schriftlezing en het onderricht ten koste van de hoeveelheid psalmen en versieringen.
d. Verdere ontwikkelingen tot aan de Reformatie
1. Het brevier
Om alle getijden te kunnen volbrengen is een veelheid van boeken nodig, waarin antifonen, responsies, hymnen, gebeden enzovoort zijn opgenomen. Kloosters en kathedralen hadden die boeken. Dáár bestond de mogelijkheid het hele ‘pensum’ (de hele gebedstaak) te vervullen en had men de ‘professionaliteit’ om er de vereiste muzikale gestalte aan te geven. Buiten de muren van het klooster was dat onmogelijk. Voor de enkele priester was er dus behoefte aan een verkorte uitgave van het getijdengebed in één band: het brevier (van het Latijnse breviarium, kort overzicht, uittreksel). Want ook de priester die buiten het klooster leefde, werd geacht de getijden te bidden. Theoretisch blijft de oude structuur van de getijden in stand, maar praktisch wordt zij overwoekerd door een overmaat aan heiligendagen, waarbij de schriftlezing wel vervangen wordt door de heiligenlegenden.
De gemeenteleden zijn buiten spel komen te staan; het getijdengebed is een zaak van de orden en van de geestelijken geworden. Het volk beperkt zich tot de Apostolische Geloofsbelijdenis, het Onze Vader en het Ave Maria en tot het bidden van de rozenkrans.
2. De Moderne Devotie
Aan het einde van de Middeleeuwen, in de dertiende en veertiende eeuw, ontstaan her en der bewegingen die zich onttrekken aan de druk van de sociale en kerkelijke hiërarchie. Als voorbeelden noemen we de Begijnen, een krachtige vrouwenbeweging, en de Broeders van het Gemene Leven onder leiding van Geert Groote. Tegelijkertijd treden invloedrijke mystici op als Catharina van Siena, Julia van Norwich en Eckhart. De nadruk bij deze bewegingen en vromen ligt op de persoonlijke vroomheid. Veel mensen blijken gevoelig voor deze tendensen.
Geert Groote en zijn ‘broeders des gemenen levens’ (waar ook zusters bijhoren) vormen, hoewel in aantal gering, een invloedrijke beweging in de tijd van de opkomende steden en handel. De broeders en zusters vormden religieuze gemeenschappen zonder zich aan een regel te binden. Zij waren dus niet aan de geestelijkheid gebonden, maar beoogden een integratie van clerus en leken. Sterke nadruk viel op innerlijke persoonlijke vroomheid, die een protest was tegen de grote uiterlijke vroomheid van die tijd. Het bidden van de getijden nam bij de Broeders een voorname plaats in. Het getijdenboek van Geert Groote moet één van de meest gelezen Middelnederlandse boeken zijn geweest.
e. De Reformatie
De Reformatie is daarom niet zozeer een breukvlak als wel een voortzetten en doorzetten van bepaalde reeds bestaande tradities. Ook daar neemt het onophoudelijk bidden een centrale plaats in. Dit gebed kan voor de reformatoren evenwel geen zaak voor een bepaalde kerkelijke stand zijn. Men bidt als leden van Gods volk en van één lichaam, en dus participeert iedereen in dat gebed.
Ten aanzien van de vormgeving van het gebed is de Reformatie niet eenduidig, maar zij is eensgezind in haar kritiek op de wijze waarop het getijdengebed zich in de Rooms-Katholieke kerk heeft ontwikkeld. Luther wil bijvoorbeeld de getijden behouden voor de gemeente, maar gezuiverd en aangepast. Het aantal diensten wordt gereduceerd, de vaste orde vervalt, de voertaal wordt Duits. Een nieuw brevier komt er niet en in de praktijk bloedt het getijdengebed langzaam dood.
De Anglicaanse kerk houdt Morning Prayer en Evening Prayer tot op de dag van vandaag in stand.
In ons land blijven de getijdengebeden ondanks synodebesluiten die het tegendeel willen, met name in de steden nog lang na de Reformatie gehandhaafd. Ontmoedigingsbeleid van de synode van Dordrecht (1618/1619) leidt ertoe dat bijvoorbeeld in 1627 in Amsterdam het laatste avondgebed temidden van de andere diensten sneuvelt, hoewel de avondgebeden populair waren bij het volk en goed bezocht werden. Als reden wordt genoemd dat zij afbreuk deden aan de gewone woorddienst, aan de huisgebeden die de vader in zijn gezin behoorde te doen en aan de vastendagen.
De Reformatie is eensgezind in haar verzet tegen een aantal elementen. Ten eerste oordeelt men dat de vorm van de getijden een veruiterlijking van de godsdienst in de hand werkt en ten koste van de inhoud gaat. Het volbrengen van een gebedspensum wekt de gedachte aan zelfrechtvaardiging. Ten tweede is men van mening dat de getijden worden overwoekerd door onbijbelse elementen, zoals de heiligenverering. Ten derde is het getijdengebed door een zwaar en onbegrijpelijk pensum slechts haalbaar voor de enkelen, waardoor bidden een eindeloos gemummel wordt en de kloof tussen clerus en volk steeds groeit.
Deze elementen tastten de kern van het geloof aan, namelijk de onverdiende genade en de overtuiging dat Woord en sacrament de enige middelen tot heil zijn. De wijze waarop de ontaarding bestreden wordt, wisselt naar omstandigheden, de invloed van bepaalde reformatoren en de volksaard. De geschiedenis van het getijdengebed tijdens de Reformatie is daarom niet eenduidig. Enkele globale kenmerken zijn wel te noemen: nadruk valt op de inhoud (het leren) en op de zorg voor werkelijke beleving van het gebed, reiniging van toegevoegde elementen en ten slotte aanpassing aan het bevattingsvermogen van de gelovigen. In de praktijk betekent dit dat gebeden op al te vaste uren worden ontmoedigd en dat de aandacht wordt verschoven van openbare gebeden naar persoonlijke. Met het oog op de inhoud schuiven uitleg en verkondiging in de gebedsdiensten die nog resteren, op de voorgrond. Ten behoeve van de ‘echtheid’ geeft men later de voorkeur aan het vrije gebed boven het formuliergebed. Alleen het vrije gebed is, naar men veronderstelde, door de heilige Geest geïnspireerd. De aanpassing aan de omstandigheden en het bevattingsvermogen van de gelovigen geeft de voorgangers grotere vrijheid ten aanzien van tekst- en liedkeuze. De samenhangende orde in de diensten zelf en tussen de diensten onderling verdwijnt daardoor en de getijden worden nevendiensten met een onduidelijk liturgisch karakter. Daarmee is de teloorgang van het getijdengebed met een voorgegeven vorm een feit. De Reformatie ontmoedigt zodoende het getijdengebed en vervangt het door persoonlijk gebed en bijbellezing in huiselijke kring. De huisvroomheid, met het gezin als dragende factor, wordt de belangrijkste traditie naast de openbare eredienst. Daarbij zij wel aangetekend dat de openbare eredienst van Woord en gebed in met name de calvinistische kerken verwantschap vertoont met bepaalde vormen van getijdengebeden (de Morning Prayer in de Engelse kerk; de in 5a genoemde dienst van Hippolytus).
f. De Nadere Reformatie
In de Nadere Reformatie verschijnen tal van boeken en traktaten die de huisvroomheid stimuleren en ondersteunen. Het gezin wordt beschouwd als kleine huisgemeente met eigen gebedsuren. Nederlandse predikanten stellen de Engelse puriteinen aan hun gemeenten ten voorbeeld. De Middelburgse predikant Willem Teelinck (1579-1629) raakte in Engeland diep onder de indruk van de family worship (de familiegodsdienst) bij de puriteinen die zich in de gevestigde kerk niet erg thuis voelden. Teelinck schreef op grond van deze ervaringen zijn Huysboeck dat in veel gezinnen een plaats kreeg.
Bijbellezing, bijbelstudie en catechese zijn belangrijke elementen in de huisdevotie. Duidelijke orden, zoals bij de getijden, treffen we nauwelijks meer aan, maar de drieslag bijbellezing, gebed en het zingen van enkele psalmverzen of een geestelijk lied geeft een zekere structuur. Onder verwijzing naar Psalm 55:18 en 141:2 en naar Daniël 6:11 komt men – alweer – tot een morgen-, middag- en avondgebed. Teelinck en anderen bepleiten ook meditatie, methodisch beoefende vroomheid, waarbij zij teruggrijpen op schrijvers uit de kring van de Moderne Devotie. À Brakel (1635-1711) realiseert zich dat soms wel veel wordt gevraagd van de gezinnen, en dat niet ieder gezin dezelfde mogelijkheid heeft. Hij adviseert om, als er eens weinig tijd is, dan maar wat korter te bidden. Voor het Onze Vader is altijd wel gelegenheid, zegt hij, en ‘daar is alles in vervat, als ’t maar wel verstaan, ende van harte tot God gebeden is’.
Al met al is het goed ons te realiseren dat de huisdiensten geen onmiddellijke voortzetting van de getijdendiensten zijn.
g. Verdere ontwikkelingen
In de Rooms-Katholieke kerk is het getijdengebed een zaak van de orden en van de geestelijkheid geworden. In de calvinistische traditie vervangt de huisvroomheid het getijdengebed en in de lutherse traditie is het niet anders. Rond 1800 heffen de laatste stadskerken in Duitsland de getijdendiensten uit praktische overwegingen op: er is te weinig belangstelling voor en de kosten zijn te hoog. In Engeland hebben deze praktische argumenten nooit overheerst. Morning Prayer en Evening Prayer hebben zich in de Anglicaanse kerk altijd weten te handhaven.
Pas in het midden van de negentiende eeuw treedt in de Rooms-Katholieke kerk een kentering op. De Liturgische Beweging heeft ook aandacht voor de getijden, waarin al vroeg de volkstaal doordrong. Het Tweede Vaticaans Concilie wilde het getijdengebed weer teruggeven aan de gehele geloofsgemeenschap. Een nieuw Getijdenboek verscheen (Nederlandse vertaling 1990). De getijden zijn primair weer een opdracht van de plaatselijke gemeente. De Intermonasteriële Werkgroep voor Liturgie verrichtte uniek vernieuwingswerk voor Nederlandstalige kloosters en abdijen.
Ook in reformatorische kringen groeit het besef dat er tijd, plaats en orde moet zijn om, in gemeenschap, ook de weekdagen te heiligen. De getijden blijken dan de geschikte vorm voor het dagelijkse gebed, gezang en schriftwoord. Het niet-ambtelijk karakter van de getijden speelt een belangrijke rol. Bovendien ontstaat er aandacht voor retraite, waarbij zeker de in 1949 gestichte communauteit van Taizé moet worden genoemd, die een belangrijke impuls heeft gegeven aan de nieuwe aandacht voor het getijdengebed. Voor de broeders van Taizé is het innige verband tussen liturgische spiritualiteit en maatschappelijke betrokkenheid wezenlijk.