XI - Gebeden voor de bid- en dankdag
158. (ook bij Genesis 1)
Wij danken U voor deze aarde
waarop wij mogen wonen.
Als uw tuin
mogen wij haar bewerken
en bewaren:
een wereld voor mensen
en dieren.
Wij danken U voor deze aarde,
zo groot en wijd
en prachtig om te zien.
Wij mogen wonen
in de wijde ruimte
van uw heerlijkheid.
Daarvoor danken wij U, God.
Amen.
159. (na de prediking of als besluit van de voorbede)
Allergenadigste Vader,
uw lieve Zoon Christus Jezus heeft ons geleerd
dat zij zalig zijn,
die uw Woord horen en het bewaren.
Maar daar wij het niet kunnen bewaren,
tenzij Gij met uw Geest in onze harten schrijft,
zo bidden wij U:
wil satan van ons weren,
dat hij ons uw Woord niet ontrove.
Wil ons stenen hart wegnemen,
opdat het ontkiemde zaad van uw Woord
niet verdorre.
Wil ook de zorgen van deze wereld,
die het Woord willen verstikken,
uit ons hart uitroeien,
en maak ons tot een goede aarde,
opdat uw heilig Woord, dat daarin gezaaid is,
menigerlei vruchten voortbrenge,
tot heiliging van uw Naam –
door uw Zoon, onze Here Jezus Christus.
Amen.