Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud
Vindplaats van geloof, hoop en liefde
subline-curl
Dienstboek

Toelichting

Bewerk hoofdstuk Split hoofdstuk

Toelichting

 

Een biechtspiegel

Voorafgaand aan de orden van dienst voor een persoonlijke biecht of gezamenlijke boetedoening bieden we een zogenaamde biechtspiegel aan. Biechtspiegels kunnen helpen bij het zelfonderzoek voor Gods aangezicht, eventueel ter voorbereiding op de boetedoening. Hier betreft het een serie vragen voor persoonlijke overweging, die kunnen uitmonden in een gebed van schuldbelijdenis.

Vanouds fungeren de tien geboden als biechtspiegel. Ook in de hier geboden spiegel vinden we de Tien Woorden terug. De afgedrukte tekst is een voorbeeld, de bewoording is variabel en dient waar nodig te worden aangepast.

 

Persoonlijke boetedoening

Boetedoening is een mogelijke stap in het pastoraat van de verzoening en zal steeds worden voorafgegaan door een of meer pastorale gesprekken. Essentieel punt daarbij is de verzoening met en de boetedoening aan eventuele slachtoffers van de zonde. Tijdens de gesprekken vergewist de biechthoorder zich ervan dat de boeteling een adequaat besef heeft van zijn of haar zonde en gelooft in de genade van God.

Hier worden twee orden geboden voor de persoonlijke boetedoening. De eenvoudige eerste orde sluit nauw aan op de pastorale context van de boetedoening. De meer uitgebreide tweede orde is een vorm van het getijdengebed, toegespitst op persoonlijke belijdenis en toezegging van vergeving van zonde.

In beide orden opent de eigenlijke schuldbelijdenis met algemene bewoordingen en kan dit door de boeteling met een persoonlijke belijdenis worden aangevuld. Zonodig is een en ander op schrift gesteld, in telegramstijl of voluit, en eventueel in overleg met de biechthoorder. De schuldbelijdenis eindigt met een bede om vergeving. Daarop volgt de toezeggende vrijspraak, waarbij de biechthoorder de handen op het hoofd van de geknielde boeteling legt. (Wanneer beiden staan, is ook een hand op de schouder mogelijk.) In beide orden voor persoonlijke boetedoening is de biddende vorm van vrijspraak als uitgangspunt gekozen om geen onderscheid te maken tussen de biechthoorder die kerkelijk werker dan wel predikant is.

Orde I

Met de eerste orde wordt een elementaire vorm van persoonlijke boetedoening aangereikt. Deze kan op zichzelf gebruikt

worden en dan bij voorkeur in een kerkruimte of consistoriekamer. Als afsluiting van een biechtgesprek aan huis bewaart

deze vorm nadrukkelijk de pastorale context van de bediening

van de verzoening. In alle gevallen kunnen handoplegging, knielen en bijvoorbeeld het branden van een kaars een plaats krijgen.

Bij de boetedoening komt het aan op belijdenis van zonde en

op belijdenis van geloof in Gods vergeving. Deze aspecten worden benoemd in de gebedsfragmenten uit Psalm 139: het vertrouwen in Gods reddende nabijheid, en Psalm 51: het besef van eigen falen en de bede om vernieuwing. De biechthoorder en de boeteling bidden de psalmwoorden nu eens in beurtspraak en dan weer samen, in het besef dat zij beiden (immers wij allen) aangewezen zijn op Gods genade en trouw. Na de belijdenis en vergeving van zonde bidden zij het Gebed van de Heer. Dankzegging en wegzending in vrede besluiten de boeteviering. In het algemeen is verder gesprek op dit moment niet gewenst.

 

Orde II

De tweede orde voor persoonlijke boetedoening sluit aan bij de vorm van een getijdengebed of huisdienst. In deze orde worden ook alternatieven geboden voor de schuldbelijdenis en de vrijspraak.

Voor de tweede orde komt bovenal het kerkgebouw in aanmerking en dan bij voorkeur de liturgische ruimte. De paaskaars brandt bij binnenkomst. Een knielbank maakt het

mogelijk dat de boeteling en biechthoorder samen knielen.

Naast elkaar zitten is een andere mogelijkheid. De biechthoorder neemt naast of tegenover de boeteling zijn of haar plaats in.

Daarbij is te overwegen dat oogcontact intensiverend dan wel

belemmerend kan werken bij het vrijuit spreken van de boeteling. In ieder geval zal de biechthoorder bij de vergeving en handoplegging tegenover de biechteling staan, terwijl de boeteling zelf

geknield is of staat. Naar gebruik kan de biechthoorder een

ambtsgewaad of alleen een paarse stola dragen. Na de handoplegging kan de betekening met het kruis de vergeving bekrachtigen.

De eigenlijke boetedoening wordt voorafgegaan door lezing

uit en stille overweging van de Schrift. De aangegeven schriftlezingen doen een oproep tot omkeer en boete en wekken het

verlangen naar zuivering en een nieuw leven door de Geest.

Bij een andere keuze van schriftlezing zal rekening worden gehouden met de specifieke pastorale situatie: de lezing dient

uitnodigend te zijn voor de boeteling om zijn of haar belijdenis

van zonde uit te spreken in vertrouwen op Gods barmhartigheid.

Na de algemene belijdenis van zonde, aangevuld met een persoonlijke belijdenis, kan de biechthoorder vragen stellen die de context van de beleden zonde benoemen. De boetedoening beoogt verzoening van de dader met God, maar evenzeer verzoening met eventuele slachtoffers. Wat heeft de dader gedaan om met het slachtoffer of de slachtoffers in het reine te komen? Wat heeft de dader nog goed te maken?

De vrijspraak wordt toegezegd onder handoplegging. Eventueel tekent de biechthoorder de biechteling met het kruis op het voorhoofd ter bekrachtiging van de vergeving en het nieuwe leven in Christus. De biechthoorder kan vervolgens de boeteling bemoedigen en hem of haar raad geven. De boeteling wordt eraan herinnerd dat de vergeving de gelovige tot een nieuw leven wekt, een leven waarin mensen het goedmaken. Dankzegging en zegenbede besluiten de boeteviering.

 

Gezamenlijke boetedienst

Met de gemeenschappelijke viering van boete en verzoening wordt doorgaans de voorbereiding op de grote feesten gemarkeerd. Op Aswoensdag aan het begin van de veertigdagentijd of op een andere dag in de weken voor Pasen kan een dergelijke boeteviering worden gehouden evenals in de adventsweken voorafgaande aan het kerstfeest. Ook kan de actualiteit aanleiding geven voor het houden van een gezamenlijke boeteviering. Waar de traditie van een avondgebed bestaat, kan men voor een boetedienst daarbij aansluiten. Voor de specifieke viering van de Aswoensdag zij verwezen naar de liturgische gegevens in Dienstboek – een proeve, deel I blz. 86-90.

De gezamenlijke boetedienst volgt de orde van het getijdengebed. Het kan een dienst zijn van heel de gemeente, maar ook een viering in kleine kring. Steeds zal de liturgische ruimte in het kerkgebouw de plaats van vieren zijn – daar waar de paaskaars al bij binnenkomst brandt. Hoe de aanwezigen in de vierruimte en ten opzichte van elkaar zitten of staan vraagt aandacht vooraf. Van belang is de gezamenlijkheid van de viering in de rangschikking van de plaatsen tot uitdrukking te brengen. Tijdens de viering kan de voorganger naar gebruik een ambtsgewaad of alleen een paarse stola dragen.

 

De orde bestaat uit vier delen: opening, de heilige Schrift, boete en verzoening, dankzegging en zegenbede.

De opening wekt op tot en verwoordt ook het verlangen naar vergiffenis en herstel.

Voor de suggesties omtrent lezingen en antwoordpsalm of lied bij de Schrift kunnen eigen alternatieven worden genomen. De keuze daarvan is erop gericht de gemeenteleden opnieuw in de ruimte van het Evangelie te plaatsen en de vrijheid van de kinderen Gods te verkondigen. Een korte overweging sluit bij de gelezen en gezongen Schrift aan en is gericht op inkeer en bezinning. Belangrijker dan uitleg is hier de meditatie, die confrontatie niet uitsluit.

De kern van de boeteviering verloopt van gewetensonderzoek en belijdenis van zonde naar vrijspraak en dankzegging. Voor gewetensonderzoek en schuldbelijdenis worden vier teksten aangereikt. De eerste daarvan is een litanie, een reeks aanroepingen die de onderscheiden fasen van boete en verzoening doorlopen. De tweede tekst benadrukt de ritmische geleding van een litanie; korte aanroepingen (acclamaties) volgen op korte, gegroepeerde belijdenissen van zonde waardoor het gezamenlijke belijden geïntensiveerd wordt. Bij beide litanieën kan overigens een moment van stilte aan de gezamenlijke acclamatie voorafgaan. De derde en de vierde tekst zijn herkenbaar als het gebed van toenadering voor de eredienst op zon- en feestdagen (zie Dienstboek – een

proeve, deel I blz. 771-777). Deze zijn algemeen van strekking en beknopt en kunnen naar gelang de omstandigheden en mogelijkheden worden aangevuld. Ook kan een korte schuldbelijdenis worden gekozen uit de teksten in Dienstboek – een proeve, deel I blz. 999-1001. In alle gevallen zullen teksten en rituelen naar inhoud en lengte afgestemd worden op de liturgische tijd en de actuele situatie.

Bij de oproep tot schuldbelijdenis wijst de voorganger op de mogelijkheid tot deelname uit vrije wil. Vervolgens wordt de gemeente ruim de tijd gegund voor het moment van zelfonderzoek,

in stilte of met muziek. Bij de teksten van de vrijspraak voor de

gezamenlijke boetedienst is onderscheiden tussen een voorganger

die predikant dan wel kerkelijk werker is. In alle gevallen volstaat

de toezeggende, afsmekende vergeving door de voorganger.

Een bijzondere vorm van persoonlijke belijdenis van zonde tijdens de gezamenlijke boetedienst bestaat in de mogelijkheid om gemeenteleden een eigen zonde – ‘wat mij belast’ – op een briefje te laten noteren. Bij de avondmaalstafel staat dan de diaken die een schaal in handen houdt, waarin de briefjes neergelegd kunnen worden. Op het moment dat de voorganger de vergeving toezegt, kan de diaken de briefjes verbranden. Zo wordt het uitwissen door God van de beleden zonde zichtbaar gemaakt. Gelet op de betekenis van de verbranding worden alleen de te belijden zonden op de briefjes geschreven, niet een bede of belijdenis – die dienen niet verbrand te worden. Verder overwege men bij de voorbereiding de plaats en plaatsing van de vuurschaal.

Het verdient aanbeveling in het kader van boetevieringen vertrouwd te worden met het doorlopen van de opeenvolgende fasen van boete en verzoening, zoals de eerste litanie deze aangeeft: zelfonderzoek, schuldbelijdenis, berouw, bede om herstel en omkeer. Bij de gemeenschappelijke boeteviering geschiedt het zelfonderzoek in de stilte van het eigen hart. Vragen en afwegingen worden vervolgens mee opgenomen in het gezamenlijk uitspreken van de schuldbelijdenis. Deze kan een belijdenis in algemene termen zijn (de korte teksten). Verschillende concrete overtredingen worden in de twee litanieën onder woorden gebracht. Niet alles wat genoemd wordt, hoeft altijd persoonlijke relevantie te hebben. De schuldbelijdende gemeenschap is altijd mee betrokken in de schuld van heel de schepping. Het tonen van berouw drukt zich uit in het aanvaarden van de verantwoordelijkheid voor het feitelijke kwaad en het betuigen van spijt. Ook in de bede om herstel en de omkeer is solidariteit met heel de bewoonde wereld essentieel.