I - Begroeting van de zondag
Op zaterdagavond kan deze begroeting van de zondag in de ‘orde voor het avondgebed (vespers)’ (blz. 969), in de ‘orde voor een vesper later op de avond’ (blz. 974) en in de ‘orde voor een persoonlijk avondgebed’ (blz. 983) worden ingevoegd ná het avondgebed en vóór de zegenbede. Het Gebed van de dag vervalt dan op deze plek en krijgt een plaats binnen het kader van deze begroeting van de zondag.
Lector
Het was avond geweest
en het was morgen geweest:
de zesde dag.
Alzo werden voltooid de hemel en de aarde
en al hun heer.
Toen God op de zevende dag het werk voltooid had,
dat Hij gemaakt had,
rustte Hij op de zevende dag van al het werk,
dat Hij gemaakt had.
En God zegende de zevende dag en heiligde die.
(Gen. 1:31b-2:3a)
Voorganger
Zoals de HEER de zevende dag heiligde,
zo doet ook Israël, zijn volk:
het gedenkt de sabbat
als een dag van rust en vreugde
en viert zo de voltooiing van de schepping.
Lector
Laat na de sabbat,
tegen het aanbreken van de eerste dag der week,
ging Maria van Magdala en de andere Maria
het graf bezien.
En zie, er kwam een grote aardbeving,
want een engel des Heren daalde uit de hemel
en kwam naderbij, en hij wentelde de steen weg
en zette zich daarop.
En de engel sprak tot de vrouwen:
‘Weest niet bevreesd, want ik weet dat gij Jezus zoekt,
de gekruisigde.
Hij is hier niet, want Hij is opgewekt,
gelijk Hij gezegd heeft.’ (Mat. 28:1-2, 5-6a)
Voorganger
Zo bracht God op deze eerste dag
door de opstanding van zijn Zoon
vreugde voor heel de wereld.
Daarom vieren wij dit nieuwe begin
en zullen wij deze dag heiligen,
opdat wij opademen en genieten
van al wat Hij gemaakt heeft.
Zo gaan wij voort op de weg naar Gods koninkrijk,
zo leren wij leven van het Woord
dat ons het brood des levens is:
Jezus Christus, onze Heer.
Uit het Evangelie van deze dag horen wij:
(vers uit het evangelie van de zondag)
.....
Gezang 221:1: ‘Wees gegroet, gij eersteling der dagen’
of:
een ‘tijdeigen’ lied
Gebed voor de zondag
Hier kan ook het gebed van de zondag worden gebeden.
Zie de sectie Tijdeigen