VII - Gebeden bij de maaltijd
De gebeden 93, 94, 96, 97 en 99 zijn in het bijzonder geschikt om met kinderen te bidden.
85.
Aller ogen wachten op U, o Heer,
en Gij geeft hun hun spijs te zijner tijd.
Gij doet uw hand open
en verzadigt met welbehagen al wat leeft.
86.
Here God, hemelse Vader,
zegen ons en deze uwe gaven
die wij uit uw milde goedheid ontvangen.
Door Jezus Christus, onze Heer.
87.
Dankt de Heer, want Hij is goed
en zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid;
die spijze geeft aan al wat leeft,
die het vee zijn voeder geeft,
de jonge raven als zij roepen.
Hij heeft geen behagen in de kracht van het paard,
geen welgevallen aan de benen van een man;
de Heer heeft welbehagen in wie Hem vrezen
en op zijn goedheid hopen.
88.
Wij danken U, Heer onze God en Vader,
door Jezus Christus, onze Heer
voor al uw weldaden,
U die leeft en regeert in eeuwigheid.
89.
Looft de Heer, want Hij is goed,
want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
90.
Geprezen zijt Gij, Heer onze God, Koning der wereld,
die het brood uit de aarde doet voortkomen.
91.
Heer, almachtige God, die alles geschapen hebt
en nog door uw goddelijke kracht onderhoudt,
en het volk Israël in de woestijn gespijzigd hebt,
wil uw zegen uitstrekken over ons,
uw arme dienaren.
Heilig deze gaven,
die wij van uw milde hand ontvangen,
opdat wij die matig en heilig
naar uw goede wil gebruiken
en daardoor belijden dat Gij onze Vader
en de oorsprong van alle goed zijt.
Geef ook dat wij altijd en bovenal zoeken
het geestelijke brood van uw Woord,
waarmee onze zielen gespijzigd worden
tot het eeuwige leven,
dat Gij ons bereid hebt door het heilige bloed
van uw lieve Zoon, onze Heer, Jezus Christus.
[Onze Vader ...]
92.
Heer, zegen deze spijs, want Gij zijt goed
en wilt ons lichaam sparen van de dood.
Gij geeft ons elke dag ons daaglijks brood,
dat het ons leven onderhoudt en voedt.
Heb dank, Heer, want Gij maakt ons deelgenoot
aan heel de wereld en haar overvloed
van waaiend koren en van zomergloed,
van al wat uit uw milde aarde sproot.
Gij die de gever zijt, wees onze gast,
die onze meester zijt, zit bij ons aan:
beheers de zinnen, matig onze toorn,
dat er geen nijd en tweedracht in ons wast,
maar de gemeenschap van uw heilig koren,
het eeuwig wonder van uw tarwegraan.
93.
kind:
Wij danken U voor het brood
dat U aan ons hebt willen geven;
wij danken U voor het brood
dat U voor ons hebt willen zijn.
Wij danken U voor de wijn
die U aan ons hebt willen schenken;
wij danken U voor de wijn
die U voor ons hebt willen zijn.
volwassene:
Leer ons wegen te vinden
om anderen volop te laten delen
in wat wij ontvangen hebben.
En breng ons aan het eind
allen samen voor het grote feestmaal
in uw Rijk,
tot uw vreugde, tot ons geluk.
Want uw goedheid, Heer,
is hemelhoog en wereldwijd,
en uw aanwezigheid
is voor ons een bron van vreugde,
onuitputtelijk,
tot in eeuwigheid!
94.
kind:
Dank U, Heer,
dat we samen aan tafel zitten
en in deze kleine kring
alles met elkaar delen
wat op tafel wordt gezet.
volwassene:
Wij bidden voor mensen
die elke dag alleen aan tafel gaan
en alleen eten,
die verlangen om met anderen
hun brood te delen.
Vandaag denken we aan hen.
95. Gezegend ben jij
96.
God,
U omringt kleinen
en groten met uw zorg.
Leer ons eerbiedig
en dankbaar omgaan
met heel uw schepping
en met alle mensen.
Door Jezus Christus.
Amen.
97.
Goede God,
kom met ons aan tafel,
zegen het eten,
spreek een woord
dat sterkt en troost,
en maak ons hart
en ons huis gastvrij.
Amen.
98.
O Heer,
het eten staat dampend vóór ons op tafel
en het ruikt lekker.
Het water erbij is helder en fris.
Wij zijn gelukkig en tevreden.
Maar nu moeten wij
aan onze zusters en broeders
over de hele wereld denken,
die niets te eten hebben
en maar weinig te drinken.
Geef toch alstublieft uw voedsel
en uw drank aan allen.
Dat is het belangrijkste.
Geef hun wat ze nodig hebben,
iedere dag
om het leven door te komen.
Zoals U in de woestijn het volk Israël
eten en drinken hebt gegeven,
geef het zo ook
onze hongerige en dorstige broeders en zusters,
nu en altijd.
99.
Voor alle goede gaven, Heer,
zij U de dank en eer.
100.
God, die leven hebt gegeven
2
Niet voor schuren,
die niet duren,
gaaft Gij vruchtbaarheid,
maar opdat op aarde,
in uw goede gaarde,
niemand honger lijdt.
3
Maar wij rijken,
ach, wij blijken
hard en onverstoord.
Open onze oren,
Heer, opdat wij horen
’t roepen aan de poort.
4
Wil dan geven,
dat ons leven
zelf ook vruchtbaar zij.
Laat in goede daden
’t woord van uw genade
opgaan, sterk en vrij.