Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud
Vindplaats van geloof, hoop en liefde
subline-curl
Dienstboek

Inleiding

Bewerk hoofdstuk Split hoofdstuk

Inleiding

‘Beken elkaar uw zonden

en bid voor elkaar,

dan zult u genezen.’

(Jakobus 5:16)

 

Dit woord uit de brief van Jakobus roept op tot wederzijdse belijdenis van zonde, niet als een godsdienstige plicht maar als een evangelische mogelijkheid om tot vergeving (‘genezing’) te komen. Vergeving, als bevrijdend woord van God dat ingaat op de nood van mensen, wist schuld uit en maakt vrij van straf. Voor God en voor de mensen krijgt men een schone lei.

Wat vanouds ‘biechten’ heet en in dit dienstboek breder wordt aangeduid als ‘de bediening van de verzoening’, is een rite waardoor gelovigen zoeken te ontvangen wat in de apostolische geloofsbelijdenis met de woorden ‘ik geloof in de vergeving van zonden’ wordt beleden. En wat wij steeds met het Onze Vader bidden: ‘Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaars vergeven’.

De kernpunten van de biecht zijn belijdenis van schuld en vrijspraak in Gods naam. Hardop voor God bekennen dat men kwaad heeft gedaan en daarover berouw heeft, is ongetwijfeld pijnlijk. Onuitgesproken alsook onvergeven schuld kan mensen in de weg zitten, blokkeren en ziek maken. Zo bidt de boeteling van Psalm 32: ‘Zolang ik zweeg, teerden mijn botten weg’ (Psalm 32:3). Vergeving kan men dan ook als weldaad ervaren, als genezing en herstel.

Een gelovige van protestantse huize bracht zijn ervaring als volgt onder woorden: ‘Naar aanleiding van een misstap die ik in het openbaar had begaan, heb ik hulp gezocht bij een pastor. Op de weg van zielzorg die zij met mij ging, was er een rituele markering waarbij ik mijn zonde en berouw voor God heb uitgesproken. Daarop kreeg ik uit de mond van de biechthoorder Gods genade aangezegd. Ik hoorde een woord met gezag. Dat maakt vrij en geeft kracht om op te staan.’

Het woord van vergeving heeft genezende kracht en maakt bereid om een nieuw leven te leiden. ‘Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad’ (1 Johannes 1:9).

Kritiek en verlegenheid van de kerkhervorming

Binnen het protestantisme is het ritueel van de persoonlijke

biecht praktisch in onbruik geraakt. Er was kritiek van de zestiende-eeuwse kerkhervormers op de kerkelijke biechtpraktijk.

Luther en Calvijn richtten zich vooral tegen de biechtplicht. De

druk die daarvan uitging op het geweten van mensen (moralisme)

en de macht die de kerk daaraan ontleende (klerikale bevoogding), achtten zij strijdig met de vrijheid van een christenmens.

(Deze kritiek wordt tegenwoordig in de Rooms-katholieke kerk

gedeeld. Het Tweede Vaticaans Concilie is ook tot een fundamentele herziening van het boetesacrament gekomen.)

Een ander punt van kritiek was het verdienstelijk karakter van de biecht. De Reformatie ontstond mede door Luthers protest tegen de aflaathandel. Gebruikelijk was (en is) dat men als dank voor de vrijspraak een penitentie of boetedoening op zich neemt, bestaande uit extra gebed of dienst aan anderen. Vaak dient deze ook om de schade die men een ander heeft berokkend, weer goed te maken (vandaar het woord ‘boeten’, dat herstellen of repareren betekent, zoals in: het boeten van visnetten). Een aflaat bestond hierin dat men in plaats van de boetedoening in natura een geldbedrag aan de kerk betaalde. Dit kan gemakkelijk de suggestie wekken dat de schuld wordt afgekocht, dat Gods genade te koop is. Tegen deze veruiterlijking van de boete kwam Luther in het geweer. Hij pleitte in zijn beroemde 95 stellingen voor waarachtig berouw.

Luther beoogde dus niet afschaffing, maar zuivering van de

biecht. Zelf is hij zijn leven lang met grote regelmaat te biecht gegaan. Veelzeggend is zijn opmerking: ‘Toch wil ik mij de privaatbiecht niet laten afnemen en ik zou ze voor alle schatten van de

wereld niet in ruil willen geven. Want ik weet hoeveel troost en

kracht zij mij gegeven heeft. Niemand weet wat zij vermag dan wie

dikwijls met de duivel heeft gevochten. Ik zou al lang door de duivel gewurgd zijn, als de biecht mij niet bewaard had.’ Al even prikkelend stelde Calvijn dat wanneer iemand de algemene beloften

in de prediking van het evangelie hoort en niettemin blijft twijfelen

aan Gods vergeving, zo iemand er goed aan doet om voor zijn pastor de verborgen wond van zijn ziel bloot te leggen, om dan tot

hem persoonlijk gericht te horen: ‘Wees gerust, uw zonden worden

u vergeven’ (Matteüs 9:2; Joh. Calvijn, Institutie III, IV, 14).

Dat de biecht als ritueel in de reformatorische kerken nagenoeg buiten beeld is geraakt, vindt ook zijn oorzaak in de toenmalige gewijzigde kerkelijke waardering van de biecht als sacrament. Zo wilde men bijvoorbeeld, vanuit de gedachte van het priesterschap van alle gelovigen, af van de sterke nadruk op het ambtelijke woord van de gewijde priester (Ego te absolvo, ik

ontbind u – maak u los – van uw zonden). Ook het verplichtend karakter wilde men vermijden, het moeten biechten. Zoals de verplichtingen van elke gedoopte jaarlijks zijn ‘Pasen te houden’, wat inhield dat men in de tijd voor Pasen te biecht ging en aan de communie deelnam.

Hoewel men dus afzag van het ambtelijke karakter van de biecht en van de boetedoening als plicht, bleef toch de behoefte aan een bevrijdend woord en een zegenend gebaar die op de individuele situatie zijn toegesneden. Mensen zijn vaak gebaat bij een volwaardig en begeleid biechtproces, dat bestaat uit het tonen van berouw, belijden van zonde, toezeggen van vrijspraak en het voornemen van een nieuwe levenswandel. Ten dele voorzien psychotherapie en bepaalde emotietelevisie in zulke behoeften. De vraag is of de Kerk, die weet heeft van heling en vergeving, zich aan de gewetensnood van mensen kan onttrekken. De belijdenis dat God in Christus de wereld met zichzelf verzoenende was, wordt immers concreet aangewend in de verkondiging (bediening) van de verzoening (2 Korintiërs 5:18-19).

Protestanten zijn dus niet principieel tegen de biecht. Alleen, waar de behoefte aan de bediening van de verzoening wordt onderkend, komen meteen ook vragen op. Hoe aan deze bediening vorm te geven? Wie kan als biechthoorder optreden en de vergeving van zonde toezeggen? Hoe de grote verlegenheid en schaamte, die onze cultuur op het punt van schuld doortrekt, te overwinnen? Waar liggen mogelijkheden en grenzen van de kerkelijke of pastorale verantwoordelijkheid?

 

Vormen van biecht

Zoals gezegd is de biecht als ritueel in de protestantse kerken nagenoeg buiten gebruik geraakt. Wel hebben zich andere vormen van boetedoening ontwikkeld, zij het minder zichtbaar of gestructureerd. Wellicht kan men zeggen dat de biecht een verborgen bestaan heeft geleid in het pastoraat. Het komt geregeld voor dat mensen in gesprek met een pastor hun hart uitstorten en om raad vragen. Soms ontkiemt er dan het verlangen naar vergeving, naar verzoening met God. Het kan zich voordoen bij het naderen van de dood, maar ook midden in het leven. Wanneer mensen in een crisis raken, ontstaat ook vaak de vraag naar ‘genezing’ (Jakobus 5:16).

De klassieke situatie van de biecht is dat mensen zich in hun gewetensnood tot God wenden met de vraag om vergeving en om vernieuwing van hun leven. Steeds gaat het om verzoening en zuivering. Dat kan zich afspelen in de binnenkamer, de zogenaamde ‘hartenbiecht’, waarin iemand berouwvol zijn of haar zonde voor God uitspreekt en zich in één adem Gods genade te binnen bidt. Woorden uit boetepsalmen als Psalm 130, 51 of 32 kunnen hierbij helpen.

Een andere vorm wordt herkenbaar wanneer de belijdenis van zonde ten overstaan van een medegelovige wordt uitgesproken: het biechtgesprek. Dat is wat de aansporing in de Jakobusbrief – ‘Beken elkaar uw zonden’ (5:16) – mede beoogt. De belijdenis van schuld en nood krijgt hiermee een feitelijk karakter. Men kan er niet achter terug, want het is gezegd in het bijzijn van een getuige. Wanneer mogelijk zal men na de belijdenis van schuld samen om vergeving bidden. Dan kan de biechthoorder woorden van vergeving zeggen, zoals we die van Christus kennen: ‘Uw zonden worden vergeven’.

De overgang van het biechtgesprek naar het biechtritueel is niet groot, eerder vloeiend te noemen. Al met al is er een glijdende schaal, te beginnen met de hartenbiecht waarbij iemand zonder hulp van een derde met God in het reine komt. Dan is er het biechtgesprek. In dat geval spreekt een biechthoorder woorden van vergeving en bidt daar met de biechteling om. Ten slotte is er het biechtritueel in het kerkgebouw met (ambtelijke) vrijspraak en handoplegging.

 

Bakermat van de persoonlijke schuldbelijdenis

We signaleren in het bovenstaande een nauw verband tussen de persoonlijke schuldbelijdenis en het pastorale gesprek. Dit herinnert aan het ontstaan van de private biecht, die zich langs andere lijnen heeft ontwikkeld dan de schuldbelijdenis in de liturgie en die zich onderscheidt van de openbare boetedoening in het publieke domein.

In de zevende eeuw kwam onder Keltische christenen een meer individuele benadering van de boete op. Kloosterlingen daar zochten in gesprekken met een medebroeder of -zuster geestelijke begeleiding. In dat kader kwam men ook tot belijdenis van zonden. Vaak kreeg men dan een boetedoening opgelegd in de vorm van extra gebed, vasten of liefdewerken. Dergelijke gesprekken werden meestal met gebed besloten. Hier kunnen we van een ritueel moment spreken.

Ook andere gelovigen konden onder de vele kloosterlingen een geestelijk leidsman of -vrouw vinden. Bij hen konden zij terecht voor raad en troost, konden zij hun hart uitstorten. Sommige van deze biechtmoeders en -vaders waren om hun charisma gezocht. De private biecht is dus als een ‘charismatische beweging’ van onderop begonnen. (Iets dergelijks doet zich heden ten dage in de communiteit van Taizé voor, waar jonge mensen van her en der bij de monniken raad zoeken en schoon schip maken.)

Vanuit haar Keltische verworteling is de biecht (bediening van de verzoening) te karakteriseren als liturgisch pastoraat, waar

mensen vrijwillig gebruik van kunnen maken. In een biechtgesprek kan men Gods vergeving deelachtig worden, maar niet

noodzakelijk als een ambtelijke absolutie. Biechthoren is niet

perse aan een ambt gebonden, maar behoort tot de charismata die de Geest aan de gemeente schenkt.

 

Momenten van boete en verzoening in de liturgie

In de vroege kerk gold de bediening van de doop als boetesacrament bij uitstek, in zoverre de oude mens met Christus wordt begraven en de nieuwe mens met Christus opstaat. De onderdompeling in en de verrijzenis uit het water bezegelen dat ons leven van hogerhand een keer heeft genomen, een omkeer die telkens weer voltrokken wil worden. In die zin kan de doop als oerboete worden gezien. Volgens de kerkvader Augustinus worden wij eenmaal gereinigd door de doop en worden wij dagelijks gereinigd door het gebed.

Mogelijk in reactie op het verdwijnen van de persoonlijke biecht werd in de zestiende eeuw in protestantse erediensten op de zondagmorgen de gezamenlijke biecht opgenomen, die bekend staat als ‘schuldbelijdenis en genadeverkondiging’. Dit was

geen uitvinding van de kerkhervormers. In de late Middeleeuwen waren naast de Latijnse mis meer didactisch ingerichte diensten ontstaan die in de volkstaal werden gehouden, vaak ook op doordeweekse dagen. De belangrijkste elementen van deze diensten waren de preek, de tien geboden, de geloofsbelijdenis, het Onze Vader en ook de openbare schuldbelijdenis met vrijspraak. Een ritueel element uit de persoonlijke zielzorg kreeg daarmee een plek in de liturgie van de gemeente! De voorganger beleed namens de gemeente schuld en verkondigde aan allen Gods vergeving, bijvoorbeeld in deze bewoording:

 

Aan allen die aldus berouw hebben

en Jezus Christus zoeken tot hun heil,

verkondig ik dat de vergeving van de zonden is geschied

in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

 

Deze ‘genadeverkondiging’ is in de Nederlandse kerkhervorming spoedig weer afgeschaft. Men oordeelde dat de genadetoezegging al genoeg in de prediking gebeurde. En nog altijd is een dergelijke algemene biecht omstreden. Immers als de deelnemers niet zelf hun biecht uitspreken en allen worden vrijgesproken, ook wanneer zij daar niet om gevraagd hebben, kan dan wel van een belijdenis en vergeving van schuld gesproken worden? Wordt vergeving op die manier geen ‘verplicht nummer’? Is de biecht onder vier ogen, ingebed in het vertrouwelijke gesprek, dan niet te verkiezen? Is Gods genade niet het kostbaarste wat een mens kan overkomen? Overigens biedt de doorsnee kerkdienst genoeg mogelijkheden om schoon schip te maken en zo in het reine te komen met God, met elkaar en met zichzelf. Om te beginnen is er het zogenaamde gebed van toenadering of de verootmoediging. De kracht daarvan kan zijn dat het latent onbehagen naar boven haalt. Er worden woorden aangereikt die tot nadenken stemmen, zeker wanneer ze actueel verwoord worden. Zo kunnen mensen tot zichzelf komen. De klassieke vorm van het gebed van toenadering is het confiteor (‘ik belijd’, naar de Latijnse aanhef van het gebed):

Voor U belijden wij, almogende God,

voor heel uw kerk en voor elkaar,

dat wij gezondigd hebben

in gedachte, woord en daad,

in het kwade dat wij hebben gedaan

en in het goede dat wij hebben nagelaten

… gebedsstilte …

 

In Dienstboek – een proeve, deel I, Schrift – Maaltijd – Gebed zijn op blz. 771-777 verschillende varianten van het confiteor te

vinden. Kenmerkend is dat deze gebedsteksten strikt genomen geen (ambtelijke) biechtpretentie hebben. Immers de genade, bevrijding en vernieuwing worden hier biddend afgesmeekt, niet aangezegd. De voorganger spreekt hier de vergeving uit in de toezeggende of wensvorm. Zo vervolgt het confiteor na de gebedsstilte met:

Ontferm U over ons,

vergeef ons onze zonden

en geef dat wij U mogen dienen.

Vernieuw daartoe ons leven

door Christus, onze Heer.

De almachtige en barmhartige God zij ons genadig,

vergeve ons onze zonden

en geleide ons tot het eeuwige leven.

(Dienstboek - een proeve, deel I, blz. 773)

 

Ook de prediking mag niet ongenoemd blijven als moment in de liturgie waarin verborgen zonden aan het licht kunnen worden gebracht. Juist daarin blijkt God groter dan ons hart. Onder de verkondiging van het Woord komen mensen menigmaal tot inkeer en omkeer.

Woorden van verootmoediging kunnen ook voorafgaan aan de Maaltijd van de Heer, bijvoorbeeld wanneer allen op de nodiging antwoorden:

Heer, ik ben niet waard dat Gij tot mij komt,

maar spreek slechts een woord

en ik zal gezond worden.

(Dienstboek - een proeve, deel I, blz. 171)

 

De Maaltijd van de Heer spreekt overigens op tal van plaatsen de taal van boete en verzoening. Van de beker zegt Christus: ‘Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden’ (Matteüs 26:28). In het gebed van de Heer bidden allen de dubbele bede:

Vergeef ons onze schulden,

zoals ook wij onze schuldenaars vergeven

 

Ook de vredegroet is een moment van verzoening. Deze wordt niet alleen door de dienaar verkondigd, maar ook door de gemeenteleden met een gebaar bevestigd (Dienstboek – een proeve,

deel I, blz. 166 of 170). Rondom de tafel van de Heer moet de één de ander de hand kunnen reiken en in de ogen kunnen zien. Zo zegenen de communicanten elkaar met de vrede van Christus.

En de gemeente zingt onder de breking van het brood

en het uitgieten van de wijn: ‘Lam van God, dat draagt de

zondenlast van deze wereld, ontferm U over ons/geef ons

vrede.’

Tenslotte kan na de maaltijd als dankzegging Psalm 103 gebeden worden met de woorden:

Loof de HEER, mijn ziel,

vergeet niet een van zijn weldaden,

die al uw ongerechtigheden vergeeft,

die al uw gebreken geneest.

 

Zelfonderzoek

In het gereformeerd protestantisme gaat aan de Maaltijd van de Heer vanouds een zelfonderzoek vooraf, gevolgd door verkondiging van Gods genade en terugwijzing van onboetvaardigen. Het zelfonderzoek, te vinden in het klassieke gereformeerde avondmaalsformulier, is gericht op drie punten:

- de overdenking van eigen zonden en berouw voor God,

- het geloof in Gods belofte van vergeving van al onze zonden,

- de bereidheid tot een nieuwe levenswandel.

We herkennen hierin de drie stappen op de weg van het heil volgens de Heidelberger Catechismus: ellende, verlossing en dankbaarheid. En in feite is dit de weg die mensen in de biecht ook gaan: van belijdenis van schuld en berouw naar Gods vrijspraak tot vergeving van zonden en het voornemen tot een nieuwe levenswandel.

In de passage over de terugwijzing van de onboetvaardigen worden als zonden onder meer genoemd: godslastering, meineed, doodslag, echtbreuk, hoererij en diefstal. In de traditie wordt bij de biecht deze lijst van zonden gehanteerd. Het bedoelde zelfonderzoek wordt dikwijls op de zondag in de week vóór de avondmaalsviering aangevangen.

Aldus is in het gereformeerd protestantisme voor elke viering van het heilig Avondmaal vanouds een biechtproces van een week voorzien. De band tussen enerzijds zelfonderzoek en schuldbelijdenis en anderzijds deelname aan de Maaltijd is oud en in heel de wereldkerk verbreid. Zij die zich op Calvijn beroepen, maken daar dus tot op de huidige dag ernst mee.

De biechtpraktijk in de Lutherse kerk is lang blijven bestaan, ook in Nederland. De biecht werd zelfs weer een voorwaarde om deel te mogen nemen aan het Avondmaal, waarin een nieuwe vorm van biechtdwang te herkennen is. Door de soms enorme toeloop van biechtelingen moest men zijn toevlucht nemen tot een gemeenschappelijke, algemene schuldbelijdenis en vrijspraak. Het onderscheid met openbare schuldbelijdenis en genadeverkondiging bleek ook in deze traditie vloeiend. In de loop van de achttiende eeuw verloor de biecht in het Lutheranisme echter steeds meer aan betekenis. Toch lijkt de koudwatervrees voor de biecht daar minder groot dan in de traditie van Calvijn. (Vergelijkbaar met de beweging rond Taizé maken met name jongeren op de Duitse ‘Kirchentage’ druk gebruik van de gelegenheid om anoniem te biecht te gaan.)

 

Schuld

Waar wij spreken van vergeving en verzoening, hebben we onvermijdelijk te maken met schuld. Lange tijd heeft men schuld verbonden met de overtreding van geboden en wetten. Dat heeft doorgewerkt tot in onze rechtspleging. Zonde heeft zodoende een abstract karakter gekregen. Maar in werkelijkheid is zonde een vergrijp tegen de naaste. Zonde schendt de relatie met medemensen, of het nu om een doen of een (na)laten gaat. Zonde brengt een ander schade, leed of letsel toe. En dat druist in tegen de liefde als de bestemming van de mens. Omdat wij rekenschap van onze daden verschuldigd zijn aan God, is zonde een godsdienstige categorie. Naar zijn uitersten getypeerd: wie een medemens ook maar iets tekort doet, schiet tekort voor de Heer; en wie zich vergrijpt aan het leven van een medemens, vergrijpt zich aan de Heilige van Israël. Schuld tegenover mensen is altijd schuld tegenover God, al bestaat er ook schuld die alleen tussen een schuldige en God in ligt. Bijbels gesproken speelt zonde jegens de naaste zich altijd af binnen de driehoek: dader, slachtoffer, God. De dader heeft dan naar twee kanten iets te verantwoorden en te vereffenen.

In de vroege kerk gebeurden boetedoening en verzoening in het openbaar. Notoire zondaars, herkenbaar aan het boetekleed, werden een tijdlang uitgesloten van de Maaltijd van de Heer. Door extra liefdewerken toonden zij hun berouw en goede wil. Maar door de invoering van de private biecht tekende zich op den duur een verinnerlijking af. De verzoening, eertijds de wederopneming van de boetelingen in de gemeenschap van de kerk, werd nu enkel ten overstaan van de priester bediend (clericalisering) en was primair op God gericht. De vrede met God en van de mens met zichzelf lijkt hier haast zwaarder te wegen dan de vrede met de naaste. Haaks hierop staat het woord van Jezus uit de Bergrede:

Wanneer gij dan uw gave brengt naar het altaar en u daar herinnert dat uw broeder of zuster iets tegen u heeft, laat uw gave

daar, vóór het altaar en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder of zuster en kom en offer daarna uw gave.

(Matteüs 5:23-24)

 

Hier gaat iemand met een offergave op naar de tempel om daar de verzoening met de Heer te vieren. Maar er is een beletsel: hij of zij ligt overhoop met een medemens, of beseft dat een naaste iets tegen hem of haar heeft. Hoe dat ook gekomen is, er is verwijdering, vervreemding en misschien vijandschap tussen die twee. Deze moet eerst uit de weg geruimd worden, wil een mens met een goed geweten de verzoening met God kunnen vieren.

 

Verzoening

De volgorde ‘eerst ..., daarna ...’ herinnert aan het ritueel van

de Joodse Grote Verzoendag. Aan deze ‘grote dag van de verzoening’ gaan tien dagen van voorbereiding en inkeer vooraf.

Dat is de gelegenheid in het jaar om fouten te herstellen, die

men in de omgang met anderen heeft gemaakt. Want de Grote

Verzoendag brengt wel herstel van de relatie tussen God en

mens, maar naar Joods besef kan en moet de verbroken relatie

tussen mensen door de mens hersteld worden. Dán, wanneer

men anderen heeft vergeven, kan men God om vergeving van

schuld bidden. Deze ‘wederkerigheid’ van de vergeving wordt

als ‘overvloedige gerechtigheid’ aangemerkt bij de uitspraak van

Jezus: ‘Ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je

offer brengen’ (Matteüs 5:24). Zij beantwoordt aan de bede uit

het Onze Vader: ‘vergeef ons, zoals ook wij vergeven’. Verzoening

is vóór alles een werkwoord en een gezindheid, en dan ook een

ritueel.

Waar verzoening geschiedt, veranderen mensen en zien zij elkaar met nieuwe ogen. In weerwil van de breuk van de schuld doen mensen een stap naar elkaar toe: de dader door ongelijk te bekennen, berouw te tonen en de schade waar mogelijk te herstellen; het slachtoffer door – indien mogelijk! – kwaad met goed te vergelden, door schuld niet toe te rekenen, maar kwijt te schelden. Wie een ander vergeeft, betoont zich grootmoedig. We mogen van een wonder spreken wanneer iemand de hand over het gekrenkte hart strijkt. Verzoening is overwonnen vijandschap. Het is een proces waarin niet alleen de feitelijke verhoudingen veranderen; de betrokkenen zèlf veranderen, doordat zij van vreemden elkaars naasten worden. Dit proces van verandering of genezing vergt tijd; de weg van de verzoening tussen mensen vergt tijd. In bepaalde situaties zal verzoening niet mogelijk zijn, in sommige gevallen zelfs niet wenselijk.

Verzoening als verandering kenmerkt bij uitstek Gods omgang met de wereld. In Jezus Christus heeft God immers de wereld met zich verzoend door mensen hun overtredingen niet toe te rekenen. Ons heeft Hij de boodschap en de bediening van de verzoening toevertrouwd (2 Korintiërs 5:18-19). Het initiatief ligt daarbij aan Gods kant. Toen wij nog ‘Gods vijanden’ waren (Romeinen 5:10), heeft de Eeuwige de beslissende stap naar ons toe gezet in Christus, in zijn dood en verrijzenis. God is de bron van alle barmhartigheid. Van ons wordt slechts gevraagd dat wij ons die barmhartigheid laten welgevallen (‘Laat u met God verzoenen’, 2 Korintiërs 5:20). Maar dan geldt ook: ‘Het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen. Wie in Christus is, is een nieuwe schepping’ (2 Korintiërs 5:17).

Tot de bediening van de verzoening behoort niet alleen dat

mensen zich met God laten verzoenen, maar ook dat zij – indien mogelijk – zich tijdig met hun tegenstander(s) verzoenen.

Dan kan de onderlinge verzoening in de verzoening van Godswege worden gevierd. Lang niet altijd is daarvoor een markerend ritueel nodig. Verkeerde en stomme dingen die iedereen

wel eens doet, kunnen altijd in het dagelijks gebed worden aangedragen.

Maar mensen kunnen zozeer in gewetensnood komen dat zij aan de verkondiging en het gebed, gezamenlijk of in de binnenkamer, niet genoeg hebben. Het is de noodsituatie die Calvijn heeft voorzien, waarin hulp nodig is van een medegelovige die luistert, raad geeft en een bevrijdend woord spreekt – een woord van gezag. Voor zulke situaties zijn in dit dienstboek twee modellen voor persoonlijke boetedoening en vergeving opgenomen. Het eerste model blijft veeleer in de pastorale context, het tweede is een zelfstandig verzoeningsritueel.

 

Bediening van de verzoening

De praktijk van boetedoening en vergeving is dikwijls weerbarstig. Het gaat altijd om meer dan enkel een rouwmoedige dader, een begrijpende pastor en om vergeving en loutering. Verzoening met de Eeuwige ligt, zoals we zagen, in het verlengde van de verzoening met de naaste, en andersom. Bovendien gaat het in de boetedoening om herstel van relatie en niet enkel om schadevergoeding. Schuld is het gevolg van een daad die slechts door een andere daad, namelijk vergeving ongedaan is te maken. Vanuit het pastoraat rondom incest onderstreept men het belang van herstel van de zijde van de dader jegens het slachtoffer. Dat betekent vaak een langdurig proces, van persoonlijke omkeer. Wordt het slachtoffer niet in de ogen gezien en om vergeving gevraagd, is dan het woord van vergeving dat de kerk spreekt niet voorbarig, onwaarachtig? Wordt zo de zonde niet toegedekt, met het gevaar dat zij voortwoekert? Altijd geldt: ‘Ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen’ (Matteüs 5:24). In het justitiepastoraat heeft men regelmatig te maken met delicten als verkrachting en moord. Wat kun je in zulke gevallen nog herstellen, zeker als het slachtoffer door het gebeurde is getraumatiseerd? De daders zijn als regel wel zo van de ernst van hun delict doordrongen dat zij beseffen dat vergeving teveel gevraagd is. Juist dan moet de kracht van een schuldbelijdenis niet worden onderschat: de dader neemt voor God en mensen zijn schuld op zich! Dat kan een nieuw begin van leven inluiden. Zo kan er ruimte komen voor Gods genade: dat iemand nieuwe schepping wordt, doordat de oude mens met Christus is gestorven en begraven en de nieuwe mens opstaat.

In situaties, zoals in geval van moord, waarin de kerk en haar dienaren geen verlossend woord kunnen spreken, is er wellicht toch ruimte te creëren, waardoor de dader met zijn schuld door het leven kan gaan. Kaïn kreeg een teken ter bescherming: de Heer gaf Kaïn een merkteken om te voorkomen dat ieder die hem ontmoette hem zou doden (Genesis 4:15). In dit verband is het voorstel gedaan van een rituele toediening van een askruisje op

het voorhoofd als teken van boete en hoop. Het askruisje wordt vanouds toegediend op Aswoensdag met de woorden: ‘Stof zijt gij en tot stof zult ge wederkeren’, en: ‘Bekeer u en geloof het evangelie’. Dit markeert het begin van de veertigdagentijd als periode van vasten en boeten, in het perspectief van het paasfeest, de overwinning op de doodsmacht. Aldus zou het askruisje de dader kwalificeren als boeteling die zijn of haar hoop op God gevestigd houdt. Wij kunnen niet uitsluiten dat God de dader bevrijdt tegen de onwil en de onmacht van het slachtoffer in. Soms is wat bij mensen onmogelijk is, mogelijk bij God.

 

De biechthoorder

Wie zijn bevoegd en bekwaam tot biechthoren? In de katholieke traditie is dit vanwege het sacramentele karakter van de biecht exclusief voorbehouden aan het priesterambt. Volgens Calvijn is de vrijspraak een toespitsing van de ambtelijke verkondiging en dus enkel voorbehouden aan de dienaar van het Woord ofwel de predikant. Luther daarentegen acht dit principieel het recht en de verantwoordelijkheid van iedere christen. Op grond van het priesterschap van de gelovigen is in de biecht ‘de een de ander een Christus’. Bonhoeffer sluit zich bij Luther aan. Hij vreest

bovendien overbelasting van predikanten wanneer één de biechthoorder van alle anderen is. Thurneysen ziet de predikant-zielzorger vooral als dát lid van de gemeente, dat de anderen in het afnemen van de biecht voorgaat. Vanuit de gezamenlijk gedeelde plicht tot zielzorg kan en moet elk gemeentelid hem of haar daarin navolgen.

Wie komen nu in de praktijk in aanmerking als biechthoorder? Een fundamenteel gezichtspunt is dat wij elkaar wederkerig vergeven door spijt te betuigen en om vergeving te vragen en die grootmoedig te schenken (Jakobus 5:16). In de leerschool van het evangelie vergeven mensen hun schuldenaars. Een andere dimensie is wanneer mensen in gewetensnood verkeren, doordat hun band met God verstoord is en zij schuldig staan tegenover de Heer. Die schuld kan alleen God zelf vergeven.

Nu is naar reformatorisch inzicht de vergeving van zonden geen sacrament en dus niet bij voorbaat aan ‘het ambt’ voorbehouden. Wel zal het, waar Gods vergeving wordt aangezegd, om een gezagvol spreken moeten gaan, om een ‘zo spreekt de Heer’.

In de praktijk zullen pastores vanwege hun opleiding en ervaring vaak als eersten in aanmerking komen als biechthoorder. Maar er zijn gemeenteleden die men het charisma van het biechthoren niet kan ontzeggen. Zij bezitten de gave van het kunnen luisteren en zwijgen, de gave om wijsheid en genade te kunnen bemiddelen. Omgekeerd spreekt het ook niet vanzelf dat ieder die bevoegd is de biecht af te nemen daar ook geschikt voor is. Gods vergeving kan evenwel worden toegezegd wanneer iemand daartoe een volmacht van de geloofsgemeenschap heeft ontvangen – een geordend predikant, een ouderling of diaken, een pastoraal werker of lid van een pastoraal team –, of wanneer een mens in nood een beroep doet op een gelovig christen als biechthoorder. In dat geval maakt de boeteling de biechthoorder. Ten diepste zijn de leden van Christus’ gemeente elkaar toevertrouwd als wachters over het heil van de ander. Ieder dient vrij te zijn in de keuze van biechthoorder. Vaak spelen daarbij charisma, vertrouwen en anonimiteit een belangrijke rol.

Even belangrijk als de bevoegdheid is de bekwaamheid tot

biechthoren en de nodige training. Vereisten voor een biechthoorder zijn: geloof in Gods genade, pastorale competentie, kunnen omgaan met rituelen en geheimhouding ten aanzien van wat haar of hem als biechthoorder is toevertrouwd. Wie vervolgens deze vereisten overziet, en ook de hele weg van de verzoening overziet, kan zich afvragen of zo de biechthoorder niet wordt overvraagd. Denken we aan het omgaan met schuld, bemiddeling tussen daders en slachtoffers, aan conflictbemiddeling en herstelbeleid, dan vergt dit inderdaad een meervoudige deskundigheid. In de diepte geeft de boetedoening en vergeving een nieuwe levensoriëntatie! Samenwerking van de pastor/biechthoorder met een relatiedeskundige verdient dan overweging, evenals een dragende groep uit de gemeente die met de nodige deskundigheid adviseert waar het er voor iemand om gaat kwaad goed te maken en nieuwe wegen in te slaan.

 

Ambtsgeheim

Protestanten gaan uit van het ambtsgeheim en kennen in strikte zin geen biechtgeheim. Het biechtgeheim stamt uit de katholieke traditie en dient om het sacramentele karakter van het boetesacrament te beschermen. Als zodanig is het biechtgeheim onschendbaar. Het is een absoluut geheim dat onder alle omstandigheden geldt, ook als een mensenleven of het leven van de biechthoorder bedreigd is. Hierbij zij opgemerkt dat alleen een predikant in juridische zin is beschermd door het ambtsgeheim. Andere biechthoorders, waaronder dus de pastoraal werkende, hebben wel geheimhoudingsplicht, maar kunnen zich voor de rechter niet beroepen op hun ambtsgeheim.

Aan het ambtsgeheim zijn overigens wel grenzen gesteld. Het beroeps- of ambtsgeheim is voor de wet een erkend recht in het belang van wie hulp zoeken. Mensen moeten ergens hun hart kunnen uitstorten in de zekerheid dat hun geheimen geen publiek geheim worden. Een onbedoeld gevolg kan echter zijn dat onder het ambtsgeheim kwaad wordt toegedekt en kan voortwoekeren. Dan kan voor de biechthoorder een botsing van plichten ontstaan. Deze zal in elk geval ook voor de slachtoffers opkomen en de dader met diens schuld confronteren; een schuld die voldaan moet worden ten opzichte van het slachtoffer, bijvoorbeeld doordat de dader zichzelf aangeeft.

Wanneer de biechthoorder reden heeft om escalatie te duchten (gevaar van nieuwe slachtoffers) zal deze alles in het werk stellen om de boeteling van zijn of haar voornemen af te houden. In het uiterste geval kan de biechthoorder, om erger te voorkomen, zich genoopt zien om de ambtelijke geheimhouding te verbreken, echter nooit achter de rug van de boeteling om. Strikt genomen betreft de ambtelijke geheimhoudingsplicht kwaad dat in het verleden is begaan, niet een toekomstig vergrijp. Ingeval iemand te kennen geeft te willen biechten, dient de biechthoorder van tevoren de grenzen van het ambtsgeheim aan te geven, met de toezegging dat de boeteling erop kan vertrouwen dat de belofte van geheimhouding nooit buiten hem of haar om zal worden opengebroken.

 

De weg van de verzoening

Hierboven werd verzoening gekenschetst als een veranderings-

of genezingsproces dat tijd vergt. Voor ernstige zonden is er dus

geen instant-absolutie. Vereiste is dat een biechthoorder de weg

van de vergeving met iemand kan en wil gaan. De voornaamste

stappen op de weg van verzoening zijn: berouw – schuld bekennen – herstel – vrijspraak. Voor we op elk van deze stappen

nader ingaan geven we ons rekenschap van een complicerende

factor.

Er kan sprake zijn van schuld die geen schuld is. Niet alles wat zich als schuld aandient, is het ook. Voorop staat: schuld veronderstelt dat men in vrijheid heeft gehandeld. Soms is er sprake van schuld die is aangepraat of ingebeeld. En lang niet alle gevoelens van schuld zijn een betrouwbare indicatie. In het algemeen kan men zeggen: schuld heeft te maken met de schade die een ánder is toegebracht. Schuldgevóel heeft betrekking op iemand zelf: men draait om zichzelf heen. Soms is het nodig het kwaad te lokaliseren. Immers, vergeving treft geen doel wanneer niet duidelijk is wàt er vergeven moet worden. Dan kunnen de volgende vragen helpen: wat is er gebeurd, hoe kwam je tot je daad, wat ging er aan vooraf? Wat zijn de gevolgen: wat is de

schade, wie is benadeeld? Is er sprake van een relatiebreuk, zo ja met wie: met God, met een ander, met jezelf (zonde als ontrouw aan jezelf)? Is er bereidheid tot herstel?

De weg naar vergiffenis begint met berouw, met de pijn om wat er is misgegaan en is misdaan. Vergiffenis sluit een rouwproces om een onherstelbaar verleden in. Berouw is niet slechts een gevoelsuiting (het ‘tonen’ van berouw), maar altijd ook een daad. Wie berouw heeft, neemt de verantwoordelijkheid voor de eigen daden op zich, vraagt om vergeving, probeert de schade te herstellen en herhaling te voorkomen. Berouw moet dus blijken. De biechthoorder weegt de goede voornemens en kan deze later in de boeteviering ook inbrengen, benoemen.

De kracht van de persoonlijke schuldbelijdenis is niet te onderschatten: men evalueert zichzelf en de eigen daden ten overstaan van een ander. Men verontschuldigt zich niet langer, vlucht niet weg in schaamte, maar durft ‘ik’ te zeggen: ‘ik heb misdaan’. Het is als het ‘tot zichzelf komen’ van de verloren zoon en het opstaan tot een eerlijke bekentenis. Van een biechthoorder wordt soms veel geduld, goede raad en confrontatie gevergd, wil iemand zover komen.

Berouw en schuldbekentenis krijgen hun effect in het herstel.

Dat is de inspanning om schade te vergoeden en om wat kapot is gegaan waar mogelijk te herstellen. Dat vergt offers, al leidt herstelbeleid niet altijd tot herstel van de relatie. De biechthoorder ziet erop toe dat concrete boetedoening aan de orde komt en houdt de biechteling zonodig aan diens belofte. Ook dat vraagt tijd en soms (conflict)bemiddeling van de pastor of een ander.

Wordt de vrijspraak op deze wijze niet afhankelijk gemaakt van goede werken van mensen? Nee, God biedt zijn vergeving onvoorwaardelijk aan. Maar ze wordt pas concrete werkelijkheid wanneer de dader schuld erkent en poogt die zoveel mogelijk in te lossen. Verzoening is een proces dat bij berouw aanvangt en via herstelbeleid uitloopt op vrijspraak. Genade wordt niet verdiend, maar komt uit den hoge. Dit staat weliswaar niet los van menselijke inspanning en van het proces dat we hier beschrijven. Vergeving is dus geen recht, maar een geschenk dat als manna uit de hemel komt.

De uittekening van de weg van de vergeving laat zien hoezeer de boetedoening is ingebed in het pastorale gesprek en in de bediening van de verzoening zijn rituele bekrachtiging ontvangt. Het ritueel is bij uitstek de zorg van de biechthoorder. Het vergt voorbereiding, liefst samen met de boeteling, en een zorgvuldige uitvoering. Wellicht kan bij het zoeken van een nieuwe levensoriëntatie een dragende groep uit de gemeente met de nodige deskundigheid helpen bij het inslaan van nieuwe wegen.

 

Gezamenlijke boetedienst

De kracht van de persoonlijke biecht is dat zij zich richt op schuld en gewetensnood van enkelingen. Dit is tevens haar beperking, want het kwaad in de wereld draagt ook een bovenpersoonlijk en collectief karakter. Velen lijden daaronder. Mensen die geen vlieg kwaad doen, kunnen toch het gevoel hebben dat ze dagelijks vuile handen maken. Het schuldbesef verschuift doordat het kwaad evenzeer in de maatschappelijke structuren als in het mensenhart zetelt. De apostel Paulus weet van anonieme, kosmische machten die ons knechten (Efeziërs 2:1-2; 6:12; Kolossenzen 2:15; Romeinen 8:38-39). Die veroorzaken veeleer gevoelens van onmacht en schaamte dan van schuld. En als er sprake is van schuld, is het vaak zo weinig omlijnd dat het depressief maakt. Sommigen spreken hier van schuldeloze schuld of van collectieve verblinding. Vaak wordt dit aspect niet

meer herkend wanneer de kerk als vanouds over zonde en schuld spreekt.

Doordat veel kwaad in de wereld als een gemeenschappelijk probleem wordt ervaren, kunnen we dat ook het best gemeenschappelijk onder ogen zien. Een uiting daarvan is de gezamenlijke boetedienst. De kerkelijke boete en verzoening zijn trouwens van oorsprong een openbare aangelegenheid, waar het openlijke vergrijpen betreft die de hele gemeenschap aangaan.

Een boetedienst staat geheel in het teken van gezamenlijke schuldbelijdenis en algemene genadeverkondiging. Boetediensten zijn te typeren als incidentele themadiensten, die zowel op zondag als door de week gehouden kunnen worden. Vanouds zijn ze gesitueerd in de veertig dagen voor Pasen, waarin catechumenen toeleefden naar hun doop en onder tucht gestelde zondaars zich voorbereidden op hun wederopneming in de gemeente. Voor beide categorieën was deze periode een tijd van inkeer, vasten en boetedoening, waarin veel gemeenteleden deelden om mede verzoening te vieren.

Het is heilzaam om een spiegel voorgehouden te krijgen,

zeker als vorm van voorbereiding en reiniging voorafgaand aan

de kerkelijke feesten. Zo geeft Dienstboek – een proeve, deel

I op blz. 86-90 aanwijzingen voor de viering van Aswoensdag.

Gezamenlijke boetediensten zijn niet geschikt om conflicten

op te lossen, maar kunnen wel gevoelig maken voor verzoening

en heling. Door dingen uit te spreken kan verharding soms

plaats maken voor het beschamende besef van onze gebrokenheid.

Voor de orde voor een gezamenlijke boetedienst is in dit

dienstboek gebruik gemaakt van een liturgie voor Aswoensdag,

afkomstig van protestantse kerken in Noord-Amerika. Het kernstuk is de boetelitanie: een serie korte aanroepingen, steeds gevolgd door stilte en acclamatie. Als pijnpunten worden zowel

persoonlijke schuld als collectieve verantwoordelijkheid genoemd. Er is gelegenheid om persoonlijk dieper in te gaan op

een van de gebedsintenties. Daarbij kan men op een biechtbriefje noteren ‘wat mij belast’. De viering van de verzoening bestaat uit gebeden om vergeving, voorbede om een nieuw begin

en dankzegging, waarna de biechtbriefjes liefst worden verbrand. Een boetedienst kan heel goed de vorm van een avondgebed of vesper hebben. Uiteraard geldt dat gemeenteleden

alleen uit vrije wil aan een dienst van boete en verzoening zullen

deelnemen.

Boetediensten zijn niet alleen karakteristiek voor de veertigdagentijd en de Advent. Zij vormen ook een model wanneer de actualiteit daar aanleiding voor geeft. Zo kan een boetedienst plaatsvinden aansluitend op een stille tocht, bij een ramp in de

samenleving. Naast die stille gang en de gevoelens van onmacht en verslagenheid om de slachtoffers kan er tijdens een boetedienst stem gegeven worden aan protest en geweten. Ook wanneer zich een conflict in de gemeente voordoet kan een boetedienst helpen gevoelens van schaamte, verwijt en spijt onder woorden te brengen. Zo bijvoorbeeld ter bezegeling van de losmaking van de band tussen een gemeente en haar predikant, na een langdurig en diepgaand conflict. Op de wijze van het con-

fiteor belijden gemeente en predikant voor God en voor elkaar schuld. Zo worden van weerskanten de pijn en de schuld benoemd, waarna men elkaar kan toebidden:

Moge de Heer u behoeden,

uw zonden vergeven

en u geleiden naar het eeuwige leven.

Amen.

 

Ten slotte is het in geval van echtscheiding wellicht mogelijk met behulp van een boeteviering in vrede uiteen te gaan. Dit kan binnen de gemeenschap van de kerk, thuis of in het kerkgebouw plaatsvinden. Dit dienstboek biedt daarvoor geen aparte orde, maar geeft een aantal (keuze)teksten. Woorden en gebeden geven stem aan verdriet, schuld, verlies of verlatenheid, de zorg om de kinderen, misschien vergeving en nieuwe toekomst. Een gebedsfragment daarbij kan zijn:

Onze trouw heeft geen stand kunnen houden.

Wat wij als bestemming hebben gezien,

is verduisterd, het vuur is gedoofd.

Elkaar hebben wij niet kunnen warmen,

geen thuis meer kunnen bieden.

Wij vragen nu voor onszelf,

maar ook voor elkaar

uw blijvende nabijheid,

uw genade over onze schuld.

Wij bidden om moed elkaar ook

de schuld te kunnen vergeven.