Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud
Vindplaats van geloof, hoop en liefde
subline-curl
Dienstboek

Inleiding

Bewerk hoofdstuk Split hoofdstuk

Inleiding

 

Trouwdiensten

Sedert eeuwen worden er in de kerk trouwdiensten gehouden. Toch is de kerkelijke huwelijkszegen historisch niet direct uit nieuwtestamentische teksten af te leiden. Weliswaar is de huwelijkszegen in het Oude Testament niet onbekend, maar van een godsdienstige plechtigheid of de aanwezigheid van een priester bij een huwelijkssluiting horen we niets. In het boek Tobit is het de vader van de bruid die het paar zegent (7:13). Vader Isaäk geeft Jakob zijn zegen en stuurt hem naar Laban om één van zijn dochters tot vrouw te nemen (Genesis 28:1–4). Rebekka wordt gezegend door haar broers (Genesis 31:55).

 

De eerste huwelijksmis is vermoedelijk gehouden in Rome in de vijfde eeuw. Daarbij moet gedacht worden aan de kerkelijke viering van een reeds gesloten huwelijk. Het eerste millennium blijft een trouwdienst nog een privilege dat slechts voor enkelen is weggelegd. De huwelijksvoltrekking werd in de Middeleeuwen steeds meer een kerkelijke aangelegenheid. Tijdens het concilie van Lyon (1271) werd het huwelijk aangemerkt als één van de zeven sacramenten en tijdens het concilie van Trente (1563) stelde de bisschoppenvergadering vast dat het niet mogelijk is buiten de kerk om een geldig huwelijk te sluiten. De reformatoren hebben zowel de ene als de andere opvatting bestreden.

 

In de christelijke gemeente gaat het om een gelovig perspectief, een theologische duiding van de huwelijksrelatie. Wie een levensgezel gevonden heeft om lief en leed mee te kunnen delen, weet zich een gezegend mens. In dankbaarheid erkennen beide partners dat zij elkaar aanvaarden ‘als een geschenk uit Gods hand’. Daarmee wordt deze specifieke tweerelatie geplaatst binnen de context van het handelen van God. In die zin spreken de reformatorische kerken over het huwelijk als ‘een teken van Gods liefde en trouw’. In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland wordt het huwelijk omschreven als een ‘verbond van liefde en trouw’ (Ordinantie 5-3). Waar sprake is van een verbintenis op basis van liefde en trouw kan over dit paar in naam van de Eeuwige een zegen worden uitgesproken: de liefde en trouw waarmee man en vrouw zich aan elkaar binden, worden gerelateerd aan de liefde en trouw die God bewijst aan mensen. De liefde en trouw die twee mensen elkaar toezeggen, wordt gedragen door de liefde en trouw van God. De zegening van het bruidspaar vormt dan ook het centrale moment in een trouwdienst. Het broze jawoord van de gehuwden wordt gefundeerd in het jawoord van de Eeuwige. Kenmerk van een christelijk huwelijk is de wil van twee mensen zich in hun leven en samenleven te laten inspireren door het evangelie van Gods liefde en trouw.

 

In de kerkorde wordt nadrukkelijk de mogelijkheid opengelaten dat ook ‘andere levensverbintenissen’ dan het huwelijk van één man met één vrouw zijn aan te merken als een verbond van liefde en trouw (Ordinantie 5-4). Ook twee personen (m/v, m/m, v/v) die een ‘andere’ levensverbintenis zijn aangegaan, kunnen gezegend worden. Op dit punt zal verderop onder het kopje ‘ontwikkelingen in de kerken’ worden teruggekomen.

 

Bijbelse grondwoorden

Bij de zoektocht naar een leven en samenleven dat naar bijbelse maatstaven als gezegend gekwalificeerd kan worden, kunnen vier trefwoorden als oriëntatiepunten dienen. Naast de reeds genoemde – liefde, trouw en verbond is dat het begrip vrede (sja-

loom). Deze grondwoorden vormen ook de pijlers voor de liturgische teksten in een trouwviering.

Van oudsher staat het begrip vrede centraal in kerkelijke huwelijksformulieren. In hun verbintenis worden gehuwden ‘in vrede

en door vrede en eendracht bijeengehouden’, aldus Simeon van

Thessalonica (15

e

eeuw). Vrede is als een allesomvattend woord

de inhoud van de zegen. Met het woord sjaloom tekenen de oudtestamentische profeten de verwachting van de eindtijd, het

grote toekomstperspectief (Jesaja 52:7v.; Ezechiël 37:26). Telkens wanneer de gemeente samenkomt, wordt zij eraan herinnerd dat zij mag delen in de vrede van God: vrede zij met u!

Dit is ook de boodschap die echtparen meekrijgen en die zij

samen met anderen vieren: een gaaf leven, vol vreugde en geluk

wordt hun in het vooruitzicht gesteld als gave én opgave. Teleurstellingen en tegenslagen zullen niet uitblijven, maar zij mogen

kracht en hoop putten uit het geloof dat (ook) hun leven verankerd ligt in Gods toekomst. Samen, en samen met anderen,

mogen zij de grote messiaanse vrede najagen (Hebreeën 12:14).

Dat is het grote en laatste perspectief waarin ook hun levensverbintenis gesteld is.

In de relatie van liefde geven en liefde ontvangen volgen mensen hun meest centrale roeping en verwerkelijken zij hun ware wezen: ‘Hierin is de liefde, niet dat wij God liefhebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad […] Geliefden, indien God ons zó heeft liefgehad, behoren ook wij elkaar lief te hebben’(1 Johannes 4:10v.). Een leven dat gevoed wordt door de zekerheid van Gods liefde en dat daardoor tot allerlei vormen van wederliefde wordt geïnspireerd, is een leven dat aan zijn bestemming (vergelijk ‘vrede’) reikt. ‘Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen.’

Trouw verwijst naar de veiligheid en de duurzaamheid van een relatie. Het gaat daarbij niet om een kwantitatief, maar om een kwalitatief begrip. De notie trouw is allereerst ontleend aan het tweede deel van de bemoediging waarmee de eredienst kan beginnen: ‘Die trouw houdt tot in eeuwigheid en niet laat varen het werk van zijn handen’ (Psalm 146:6 en 138:8). God is niet alleen de God van de vrede en de God van de liefde, Hij is ook de God die ‘trouw houdt tot in eeuwigheid’. Daarmee wordt trouw aangemerkt als een derde ijkpunt voor een mens-zijn dat beantwoordt aan het criterium van Gods beeld en gelijkenis. Wanneer God trouw genoemd wordt, wil daarmee gezegd zijn dat je van Hem op aan kunt, dat Hij betrouwbaar is. Hij is en blijft onder alle omstandigheden van het leven het houvast van mensen. Van mensen die een verbond voor het leven met elkaar aangaan, mag verondersteld worden dat zij betrouwbaar en geloofwaardig voor elkaar zijn. Wederzijds vertrouwen vormt de grondslag voor iedere duurzame relatie. Je moet weten wat je aan elkaar hebt. In dit verband kan verwezen worden naar de profeet Hosea die schetst hoe een samenleving ontwricht raakt, wanneer bedrog, onwaarachtigheid en leugen de overhand krijgen en de goede verhoudingen aantasten. Zijn aanklacht luidt dan dat er ‘geen trouw, geen liefde, geen kennis Gods in het land is’ (Hosea 4:1).

Een verbond wordt gesloten om de vrede (sjaloom) te garan-

deren en te bevorderen. Bijbels illustratief voor het verbond tussen twee mensen is de geschiedenis van de boezemvrienden David (koning in wording) en Jonathan (een zoon van koning Saul): ‘Jonathan sloot een verbond met David, omdat hij hem liefhad als zichzelf’ (1 Samuël 18:3). Een affectieve relatie verliest daarmee zijn vrijblijvend karakter. Zij zijn elkaar vanaf dat moment trouw verschuldigd. Het is een verbond ‘bij de Heer’ (23:18), wat zoveel zal betekenen dat God garant staat voor de naleving ervan. In de bijbel liggen liefde en recht in elkaars verlengde. Zij veronderstellen elkaar: de kwetsbare liefde zoekt omwille van zichzelf een rechtsorde waarbinnen zij tot ontplooiing kan komen. Het verbond dat twee mensen met elkaar sluiten, is dus ingebed in het verbond van God met de mensen. Het is geënt op en komt voort uit het besef gezegend te zijn.

 

De zegen

Kenmerkend voor een zegen is de wisselwerking: God zegent mensen en omgekeerd zegenen mensen God en zijn zij elkaar tot zegen. Die dubbelheid ligt ook ten grondslag aan een trouwviering: het (bruids)paar – en allen die in hun geluk willen delen – komen voor Gods aangezicht samen om de zegen te vieren die hen ten deel is gevallen. De partners ervaren en aanvaarden elkaar als een geschenk uit de hemel en zij geven te kennen elkaar tot zegen te willen zijn. Zij zegenen God voor de zegen die Hij geschonken heeft en vragen zijn zegen op de levensweg die zij samen hopen te gaan. Met andere woorden, de zegen omvat het lofprijzend gedenken (anamnese) en het aanroepen van de Geest om een zegen (epiclese). Iedere zegen is een belijden van de overmacht van Gods liefde, die de gebrokenheid van het menselijk bestaan doorbreekt en tenietdoet. Het is een bemoediging voor paren om er samen het beste van te maken, om elkaar vast te houden in voor- én tegenspoed, in lief én leed. De zegen is te duiden als het ervaren van Gods nabijheid. Het is een beleven van Gods goedheid in de actualiteit van het leven en een leven in de actualiteit van Gods goedheid. In de zegen gaat het om Gods werkzame tegenwoordigheid. Met andere woorden, zegen is de ervaring van de kracht die uitgaat van God-met-ons, een effectieve kracht ten goede.

Op zich is de zegen natuurlijk geen garantie voor een ‘geslaagde’ levensverbintenis. Ook wanneer een relatie onverhoopt strandt en het (echt)paar zich voor de pijnlijke beslissing gesteld ziet de levensverbintenis te beëindigen, is daarmee Gods zegen niet ten einde of ongedaan gemaakt. Zijn toezegging ‘Ik zal er zijn voor jou’ blijft van kracht, ook wanneer mensen niet bij machte blijken te zijn elkaar vast te houden en zich genoodzaakt zien ieder hun eigen weg te gaan.

 

Ontwikkelingen in de kerken

Aan de Protestantse Kerk in Nederland zijn de maatschappelijke ontwikkelingen rond huwelijk en niet-huwelijkse relaties niet ongemerkt voorbijgegaan. In bepaalde delen van de kerken zijn deze ontwikkelingen met instemming begroet, maar dat is bepaald niet kerkbreed het geval geweest. Een aanzienlijk deel van de kerkleden wil vasthouden aan het klassieke heteroseksuele huwelijk als enige vorm van samenleving. Zij baseren zich daarbij op de overtuiging dat deze vorm door God in de schepping gegeven is. Andere staan meer open voor de culturele veranderingen en hebben liturgieën ontwikkeld voor de zegening van hetero- en homoseksuele paren.

De verschillende betekenissen die mensen aan het huwelijk en andere levensverbintenissen toekennen, hebben binnen de toenmalige Samen op Weg-kerken tot spanningen geleid, die zich hebben toegespitst op het door de gezamenlijke synoden vast te stellen artikel aangaande trouwdiensten in de nieuwe kerkorde (Ordinantie 5-3). Na de menings- en besluitvorming in eerste lezing kwam de triosynode tot de slotsom dat het niet gelukt was elkaar te vinden: ‘We zijn het erover eens dat het huwelijk als een verbond van liefde en trouw voor Gods aangezicht heilig gehouden behoort te worden. Er is met pijn vastgesteld dat er op dit moment geen eenstemmigheid bestaat over andere levensverbintenissen als een verbond van liefde en trouw voor Gods aangezicht.’ Vanwege deze pluriformiteit is ervoor gekozen aan de plaatselijke kerkenraden – na raadpleging van de gemeente – over te laten of ook ‘andere levensverbintenissen’ voor een zegen in aanmerking kunnen komen. Deze regeling verdient wellicht niet de schoonheidsprijs, maar is wel een wijs compromis waarop voor- en tegenstanders elkaar uiteindelijk gevonden hebben en een dreigende patstelling voorkomen is.

 

Huwelijk van man en vrouw

Toen de synode in november 2001 de betreffende artikelen van de kerkorde definitief moest vaststellen deed zich een complicatie voor doordat de Tweede en Eerste Kamer inmiddels hadden ingestemd met het kabinetsvoorstel om het huwelijk open te stellen voor twee mensen van hetzelfde geslacht. Voor de meerderheid van de synodeleden was dit een brug te ver. In lid 1 van het betreffende artikel over de inzegening van een huwelijk, waar uitgesproken wordt waarom en hoe de kerk betrokken kan zijn bij een burgerlijke aangelegenheid als het huwelijk, werd daarom een viertal woorden toegevoegd: ‘De inzegening van een huwelijk van man en vrouw als een verbond van liefde en trouw voor Gods aangezicht geschiedt in een kerkdienst.’ Dit betekent dat de Protestantse Kerk in Nederland een andere definitie van het huwelijk hanteert dan de Staat. Het voorstel om aan kerkenraden over te laten of ter plaatse ook andere levensverbintenissen (m/v, v/v, m/m) voor een zegening in aanmerking kunnen komen, werd gehandhaafd. Om het verschil met het huwelijk van man en vrouw te onderstrepen, werd deze bepaling ondergebracht in een afzonderlijk artikel (Ordinantie 5-4).

 

Zegenen en inzegenen

Wij moeten nog stilstaan bij een ander aspect in de formulering van deze artikelen, namelijk het onderscheid dat gemaakt wordt tussen het inzegenen van een huwelijk en het zegenen van een

andere levensverbintenis. Zowel bij de bespreking in eerste als in tweede lezing zijn ter synode voorstellen gedaan de terminologie te uniformeren, bij voorkeur door in beide gevallen te spreken van een zegening. De term inzegenen heeft, aldus de toelichting van de Werkgroep Kerkorde, ‘oude papieren. Het vervangen van dit woord door zegening kan de suggestie oproepen dat de kerk nu het huwelijk anders beoordeelt dan voorheen. En dat is niet het geval.’ Anderzijds heeft de werkgroep geen reden gezien in het geval van een (andere) levensverbintenis eveneens ‘het voor het huwelijk karakteristieke woord inzegening’ te ge-

bruiken. Of er ook inhoudelijk verschillen bestaan tussen het zegenen of het inzegenen van twee mensen wordt in het midden gelaten. Een ‘hard’ theologisch-liturgisch onderscheid tussen ze-

genen en inzegenen laat zich lastig of eigenlijk helemaal niet formuleren. Over het verschil tussen beide termen is wel opgemerkt dat het ‘in’ van inzegenen een ingressief moment aangeeft. Hoe het zij, in onze kerk dienen de beide termen om verschillende manieren aan te geven waarop men over het huwelijk denkt op grond van een andere manier van het lezen van de Schrift. Om die reden wordt in Ordinantie 5 onderscheid gemaakt tussen in-

zegenen (5-3) en zegenen (5-4). Voor het dienstboek is van belang dat in de kerkorde als uitgangspunt gekozen is dat zowel het huwelijk van man en vrouw als een andere levensverbintenis (m/v, v/v, m/m) beschouwd wordt als een verbond van liefde en trouw voor Gods aangezicht.

 

Civielrechtelijke basis

Een opmerkelijk gegeven in de beide artikelen Ordinantie 5-3 en 5-4 is het ontbreken van een verwijzing naar het tevoren gesloten (burgerlijk) huwelijk dan wel naar een civielrechtelijke basis van de levensverbintenis. Dit zou met name voor het artikel over het zegenen van levensverbintenissen een zeer brede toepassingsmogelijkheid kunnen betekenen. Daarbij dient echter bedacht te worden dat in de Protestantse Kerk in Nederland een relatie kan worden (in)gezegend omdat en inzoverre deze verbintenis kan worden aangemerkt als een verbond van liefde en trouw. Deze

‘trouw moet blijken’ zegt een oude volkswijsheid. Aangezien de afdwingbare zorgverplichting behoort tot de taak van de overheid inzake het huwelijk en tevens het hart raakt van wat de kerk met een verbintenis als een verbond van liefde en trouw bedoelt,

vraagt de kerk vanouds aan wie hun huwelijk als een verbond van man en vrouw willen laten inzegenen een burgerlijk huwelijk en bijgevolg van wie hun trouwverbond willen laten zegenen tenminste een geregistreerd partnerschap of een samenlevingscontract met zorgverplichtingen. Dat wil in het verband van een kerkelijke trouwviering zeggen dat niet alle relaties in aanmerking komen voor een kerkelijke zegen.

 

(In)zegening door een predikant

Behalve de vraag wie er wel of niet voor een trouwzegen in aanmerking kunnen komen, dient de vraag nog beantwoord te worden wie gerechtigd is een zegen te geven. In de Ordinanties wordt nadrukkelijk aangegeven dat in een trouwdienst ‘de inzegening geschiedt door een predikant van de gemeente, of door een andere in overleg met het bruidspaar door de kerkenraad uit te nodigen predikant, met gebruikmaking van een van de orden uit het dienstboek van de kerk’ (Ordinantie 5-3-5). Voor wat betreft het zegenen van ‘andere levensverbintenissen van twee personen’ wordt dit niet expliciet vermeld (Ordinantie 5-4), maar naar analogie van de bepalingen ten aanzien van het huwelijk mag worden aangenomen dat hier dezelfde bepaling van toepassing is. Dit sluit niet uit dat naast de predikant ook anderen actief aan de zegening deelnemen, bijvoorbeeld ouders, een goede vriend(in), de getuigen van het huwelijk of de doop, dan wel een jeugdouderling. De door de predikant uitgesproken zegen wordt als het ware meerstemmig geëxpliciteerd.

 

Verhouding kerk en staat bij de huwelijkssluiting

De reformatorische kerken zijn van mening dat het sluiten van een huwelijk, en meer in het algemeen de wetgeving inzake het huwelijk, een taak van de burgerlijke overheid is. Om die reden kon Luther het huwelijk een weltlich Ding, een maatschappelijke aangelegenheid noemen. In het Burgerlijk Wetboek is vastgelegd welke rechten en plichten aan de huwelijkse staat verbonden zijn. Zo bepaalt de overheid bijvoorbeeld wie wel en wie niet met elkaar in het huwelijk mogen treden. De wet beschouwt het huwelijk alleen in zijn burgerlijke betrekkingen (Artikel 1 lid 30 Burgerlijk Wetboek). Over liefde en trouw zwijgt de wetgever. Ook over motieven die mensen tot een huwelijk bewegen spreekt de overheid zich niet uit. Wanneer in de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland het huwelijk geduid wordt als een ‘verbond van liefde en trouw’, laat deze omschrijving duidelijk uitkomen dat de kerk het huwelijk vanuit een andere invalshoek bekijkt. De kerk gaat het primair om de kwaliteit van (samen)leven.

 

Ringwisseling

Bij de huwelijksvoltrekking in het gemeentehuis draait alles om het jawoord van de huwenden op de voorwaarden die de wet stelt aan de huwelijkse staat. Ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaren de betrokkenen elkaar als vrouw respectievelijk man te aanvaarden. Het is een oud, voorchristelijk gebruik dat de man zijn jawoord bekrachtigt door aan de vrouw van zijn keuze een ring als onderpand te schenken. In de Anglicaanse kerk is het nog steeds gebruikelijk dat alleen de bruid een ring ontvangt. De verklaring van deze ceremonie is gelegen in het feit dat de ring oorspronkelijk het vervangmiddel van de bruidsschat was waarmee de bruid werd ‘gekocht’. Later is het gebruik in zwang gekomen dat bruid en bruidegom elkaar een ring cadeau doen. Dit betekent dat de ringwisseling onderdeel uitmaakt van de huwelijkssluiting en daarom in feite hoort te geschieden in het gemeentehuis.

In de Rooms-Katholieke Kerk ligt dit anders, omdat het sinds het concilie van Trente (1563) niet meer mogelijk is buiten de kerk om een geldig huwelijk te sluiten. De trouwbelofte dient door de huwenden uitgewisseld te worden in aanwezigheid van de pastoor als ‘gekwalificeerde getuige’ en van nog twee of drie andere getuigen. De Rooms-katholieke kerk claimt ook de verantwoordelijke instantie te zijn inzake wetgeving en rechtspraak betreffende het huwelijk. Het burgerlijk huwelijk wordt strikt genomen gezien als een noodzakelijke formaliteit zonder enige betekenis, omdat het huwelijk voltrokken wordt tijdens de huwelijksmis. Derhalve zal ook de ringwisseling in de kerk plaats hebben.

Huwelijksvoltrekking en trouwdienst

Hoewel de reformatoren eensgezind waren in hun opvatting dat het voltrekken van huwelijken geen functie van de kerk is, is ook in het protestantse Nederland de praktijk in later eeuwen een andere geweest. Het sluiten van een huwelijk werd toevertrouwd dan wel opgedrongen aan de ‘heersende kerk’ (de latere Nederlandse Hervormde Kerk). Deze situatie heeft voortbestaan tot de Franse tijd, toen de overheid de verantwoordelijkheid voor de huwelijkssluiting volledig aan zich trok.

In de klassieke gereformeerde huwelijksliturgie is nog goed zichtbaar dat het hier om een huwelijksvoltrekking gaat. De

vraag aan bruidegom en bruid – ‘N, verklaart gij hier voor God en deze zijn heilige gemeente, dat gij genomen hebt en neemt tot uw wettige huisvrouw N […]’ – verwijst, anders dan men zou kunnen vermoeden, niet naar het vooraf gesloten burgerlijk huwelijk, maar is een bevestiging van de trouwbelofte waarmee het paar zich bij de verloving aan elkaar verbonden heeft. Ook de gangbare omschrijving van een trouwdienst als ‘bevestiging en inzegening van het huwelijk’ kan gemakkelijk de indruk wekken dat de dienst het karakter heeft van een kerkelijke ‘overtrouw’. Om mogelijke misverstanden op dit punt weg te nemen wordt in de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland slechts gesproken van de ‘inzegening van het huwelijk’. Om die reden kan de consensusvraag in de kerk achterwege blijven en volstaan worden met een verwijzing naar het reeds gegeven jawoord. De vragen die in de kerk gesteld worden, hebben een ander, primair belijdend karakter. Omdat, anders dan in het gemeentehuis, aan deze vragen geen juridische consequenties verbonden zijn, kunnen ze strikt genomen zelfs achterwege blijven.

De huwelijksvoltrekking in het gemeentehuis is zuiver juridisch van aard, ook al poogt men de ceremonie een persoonlijk tintje te geven en wordt ervoor gewaakt de plechtigheid al te formeel te laten verlopen. De trouwdienst heeft het karakter van een kerkelijke viering van het reeds gesloten huwelijk. Aan een trouwdienst kan dan ook geen enkele maatschappelijke en/of juridische status ontleend worden. De kerk hoeft niets meer toe te voegen om het huwelijk geldig te maken. Het paar betreedt in gehuwde staat het kerkgebouw. Het Angelsaksische ritueel waarbij bruid en bruidegom respectievelijk door haar vader en de best

man worden binnengeleid, waarna de bruid wordt ‘weggegeven’ verdient alleen al om die reden geen navolging.

 

Het confessioneel gemengde huwelijk

Bij herhaling zal het voorkomen dat slechts één van beide partners (doop)lid is van de Protestantse Kerk in Nederland, terwijl zijn of haar vriend(in) tot een ander kerkgenootschap behoort. Toch zult u in deze bundel geen modellen aantreffen voor een ‘oecumenische’ trouwdienst. Voor zover het gaat om iemand die tot een andere protestantse kerk of de Oud-Katholieke Kerk van Nederland behoort, zullen zich in principe geen complicaties voordoen. De aangeboden liturgieën en liturgische elementen kunnen onverkort worden gebruikt.

Wanneer één van beide partners rooms-katholiek is, ligt dat enigszins anders. Dit hangt enerzijds samen met de rooms-katholieke opvatting dat het huwelijk een sacrament is: man en vrouw bedienen elkaar het sacrament, waarbij het toedienen van het sacrament niet beperkt blijft tot de huwelijkssluiting; man en vrouw bevestigen elkaar steeds opnieuw in het huwelijk. Daarnaast speelt mee dat de Rooms-Katholieke Kerk aan het burgerlijk huwelijk geen betekenis hecht. Een huwelijk tussen man en vrouw wordt voor de kerk voltrokken tijdens de huwelijksmis en wordt daarmee voor de kerk rechtsgeldig. Op dit huwelijk is de kerkelijke wetgeving van kracht.

In 1971 hebben de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden enerzijds en de Rooms-katholieke kerk in Nederland anderzijds een Gemeenschappelijk verklaring over het kerkelijk-gemengd huwelijk het licht doen zien. In dit document worden richtlijnen gegeven om christenen uit de verschillende kerken, die met elkaar in het huwelijk willen treden pastoraal te begeleiden. In deze verklaring spreken de kerken uit zich bij de uitoefening van het pastoraat niet zozeer te laten leiden door wat de kerken verdeelt als wel door wat de kerken verenigt. Het wordt onjuist geacht het huwelijk in beide kerken te laten inzegenen, omdat dit te kort doet aan de betekenis van de huwelijksinzegening. Wanneer de huwelijksinzegening in één der twee kerken plaatsvindt, dienen de betrokken predikant en priester zich met elkaar in verbinding te stellen en zich samen met het bruidspaar te beraden over de wijze van de huwelijksinzegening. De kerk die het huwelijk inzegent, zal bereid zijn de predikant of priester van de andere betrokken kerk uit te nodigen, bij de dienst aanwezig te zijn en na overleg op verantwoorde wijze hieraan deel te nemen. De orde van dienst en het formulier, die in de dienst gebruikt worden, zullen als regel zijn van de kerk waarin het huwelijk wordt ingezegend. Het wordt vooralsnog niet gewenst geacht dat in de trouwdienst het heilig Avondmaal of de eucharistie wordt gevierd.

Omdat enerzijds voor de trouwbelofte en inzegening van het huwelijk door de Rooms-Katholieke Kerk voorgeschreven formuleringen gebruikt dienen te worden – tenzij dispensatie van de canonieke vorm van het huwelijk is verleend –, terwijl anderzijds de kerken pleiten voor een pastoraal verantwoorde huwelijksbegeleiding en huwelijksviering, is afgezien van het aanbieden van kant en klare modellen voor een ‘interkerkelijke’ huwelijksviering. (Strikt genomen is het onjuist te spreken van een ‘interkerkelijke’ of ‘oecumenische’ dienst, omdat de dienst plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van één der beide kerken, waarbij de andere een inbreng heeft.) Nog meer dan in andere situaties wordt hier ‘maatwerk’ gevraagd. Dit neemt niet weg dat in dit dienstboek diverse teksten zijn opgenomen die van Rooms-katholieke origine zijn.

 

Als één van beiden geen christen is

Steeds vaker komt het voor dat één van beide partners een kerkelijke binding heeft, de ander niet. Het kan zijn dat de niet-

christen een andere godsdienst is toegedaan – over het ‘religieus gemengde huwelijk’ straks meer –, maar zij of hij kan zichzelf ook beschouwen als ‘niet-godsdienstig’. Het is denkbaar dat een vertegenwoordiger van de christelijke gemeente gelegenheid krijgt voor het uitspreken van een royale gelukwens, al dan niet een gebed, en de overhandiging van een huisbijbel. Dit zou kunnen gebeuren op een geschikt tijdstip ná de burgerlijke huwelijkssluiting en vóór de receptie of het feest.

Het is evenwel ook heel goed mogelijk dat de niet-christen instemt met een christelijke eredienst, al was het alleen al omdat de betrokkene weet hoeveel een trouwdienst voor zijn of haar partner betekent. In voorgesprekken zal de pastor met de trouwenden zorgvuldig moeten nagaan hoe een dergelijke dienst vorm gegeven kan worden. Enerzijds dient men recht te doen aan de uitgangspunten voor een protestantse trouwdienst zoals hierboven uiteengezet, anderzijds mag niemand overvraagd worden. Dit vraagt pastorale wijsheid en oprechtheid van alle betrokkenen. Trouwvragen kunnen, juist omdat zij vanwege hun belijdend karakter de niet-christen kunnen overvragen, worden weggelaten. Een zegening van het paar is wellicht ‘te veel van het goede’, maar er zal wel gebeden kunnen worden. Een liedkeuze kan problemen geven, maar in ieder geval kan er gemusiceerd worden. Er zal hoe dan ook uit de heilige Schriften gelezen worden en ook een overdenking zal zeker niet achterwege blijven. Om begrijpelijke redenen is ervan afgezien in dit dienstboek een speciale orde aan te bieden. Wel worden enkele ‘bouwstenen’ voor een dergelijke trouwdienst aangereikt. In deze teksten is uitgegaan van de kernwoorden van de christelijke visie op een trouwverbond: verbond, liefde, trouw en vrede.

 

Het religieus gemengde huwelijk

Het religieus gemengde huwelijk is een gevolg van de pluriforme samenleving waarvan we deel uitmaken. Dit gegeven kan echter geen vrijbrief zijn voor een ‘interreligieuze huwelijksviering’ zolang het verschil tussen de godsdiensten serieus genomen wordt. In grote lijnen kan het uitgangspunt ook hier zijn dat hoe dan ook een keus gemaakt dient te worden tussen een christelijke eredienst met niet-christelijke inbreng dan wel een niet-christelijke ceremonie – een joodse choeppaviering, een islamitische trouwplechtigheid, een hindoeïstische huwelijks-viering, etcetera – waar christenen te gast zijn (en hun inbreng hebben). In beide gevallen is het zinvol te zoeken naar mogelijkheden om binnen het gekozene woorden en gebaren op te nemen, die herkenbaar zijn voor die anderen en niet in strijd met waar men zelf voor staat.

We moeten bedenken dat het karakter en de betekenis van een protestantse huwelijksviering sterk verschilt van een niet-

christelijke, omdat de laatste een formele bekrachtiging van de huwelijks-overeenkomst inhoudt.

Vergelijkbare vragen kunnen zich voordoen in de situatie dat één van beide partners ‘niet-gelovig’ is. Op basis van vakkundige informatie, in goed overleg, met invoelingsvermogen en creativiteit zal het in veel gevallen mogelijk zijn een verantwoorde liturgie op te stellen, waarbij niemand overvraagd wordt, maar evenmin een van de partijen het gevoel kan krijgen dat er te veel water bij de wijn moet. Instant-recepten zijn niet voorradig. Hier ligt een eigen verantwoordelijkheid voor de betrokken pastores. Wellicht kunnen zij daarbij inspiratie putten uit een nuchtere opmerking van Luther: ‘Zoals ik met een heiden, jood, Turk of ketter kan eten, drinken, slapen, lopen, rijden, inkopen doen, spreken en handel drijven, zo kan ik ook met hem in het huwelijk treden en gehuwd met hem blijven. Stoor je niet aan dwaze wetten die dat verbieden. Men vindt wel christenen (en dat is de meerderheid), die in hun ongeloof een slechter karakter hebben dan joden, heidenen, Turken of ketters. Een heiden is net zo goed een man of vrouw, door God goed en net zo goed geschapen als Petrus en Paulus en Lucia, om maar te zwijgen van een nutteloze, valse christen’ (Vom ehelichen Leben, 1522).

 

Als de wegen uiteen gaan

Wanneer een huwelijk of andere levensverbintenis ontbonden wordt, kunnen mensen de behoefte voelen hun echtscheiding ook voor Gods aangezicht een plaats te geven. Woorden en gebeden voor een dergelijke situatie zijn in dit dienstboek opgenomen onder het hoofdstuk ‘Bediening van de verzoening’. Hier vindt men enkele bewoordingen die binnen de gemeenschap van de kerk, thuis of in het kerkgebouw kunnen klinken. Zij geven stem aan verdriet, schuld, onmacht of verlatenheid, misschien vergeving en nieuwe toekomst. Ook wordt een gebed aangeboden, waarin de kinderen genoemd worden. Dit dienstboek biedt geen volledige orde van dienst – een kerkdienst ter gelegenheid van een echtscheiding laat zich immers moeilijk denken. De handreiking kan gebruikt worden als beide partners aanwezig zijn.