Inleiding
Inleiding
Het kerkgebouw is een gewoon gebouw, een bouwwerk van steen, hout, glas, tegenwoordig ook van beton en metaal. Het staat doorgaans tussen andere gebouwen van dezelfde materialen: woningen, kantoren, winkels en scholen. Toch onderscheidt het zich van die andere gebouwen en kan het zelfs indruk maken, bijvoorbeeld door het formaat, de vorm, de bouwstijl, de uitstraling. Iedereen kan zien: dit is een kerk, hier gaan mensen naar toe om te bidden, te zingen, een preek te horen, catechese te volgen, te vergaderen. En hoewel een kerkgebouw net als alle andere gebouwen een huis is met vier muren en een dak, is het toch een andersoortig gebouw.
Tot ongeveer halverwege de twintigste eeuw was een kerkgebouw zo gebouwd dat iedereen het als zodanig kon herkennen. Zo was het bedoeld. De kerk in een dorp of een stad torende hoog boven de omringende bebouwing uit. Zelfs een kerk zonder toren of met een eenvoudige dakruiter verhief zich boven de huizen. In de jaren zestig en later van de vorige eeuw verschijnen er ook kerkgebouwen die ogen als een gewone zaal, niet of nauwelijks te onderscheiden van andere gebouwen.
Opvallend aan de oudere kerkgebouwen is dat ze gebouwd zijn met dure en duurzame materialen. Waren huizen voor boeren en burgers vanouds van hout en stro, mettertijd ook van baksteen, een kerk werd vrijwel altijd gebouwd met steen, vaak met gebruikmaking van natuursteen, zelfs in onze streken die arm zijn aan natuursteen. Het kerkdak werd bedekt met leien of koper. De stoere vorm en de ruime hoogte werden niet enkel ingegeven door de behoefte om veel kerkgangers een plek te geven, zij waren ook uitdrukking van de meerwaarde die men aan het kerkgebouw wilde geven als huis van God. Het gebouw was de uitdrukking van een gezamenlijk beleefd geloof.
Geschiedenis in vogelvlucht
In de eerste eeuwen van het christendom bestonden er nog geen duidelijk herkenbare kerkgebouwen. Men kwam samen in een of ander huis. Alleen aan de binnenkant was te zien dat zo’n huis dienst deed als cultusruimte voor de gemeente. Na de kerkvrede in de vierde eeuw gaven de eerste christelijke keizers opdracht om basilieken te bouwen: ruime koningszalen met een royale uitstraling. Heel bewust koos men niet voor de klassieke tempel met zuilengalerijen en een donkere besloten binnenruimte waar de godheid werd geacht te vertoeven. De basilieken zijn grote, open zalen, neutrale ruimten, die door de liturgie karakter en geleding kregen. Gaandeweg kregen deze koninklijke godshuizen allerlei betekenissen toegedicht. Eén van de betekenissen die grote invloed heeft gehad op de vormgeving van de christelijke kerkbouw is die van het hemelse Jeruzalem. De gemeente van Christus, wekelijks, of ook dagelijks bijeen in haar kerkgebouw, werd geacht volk Gods onderweg naar het nieuwe, hemelse Jeruzalem te zijn. De kerkvader Augustinus werkte deze gedachte uit in zijn boek De Stad Gods. Talrijk zijn de verwijzingen in liturgische geschriften, in hymnen en vooral in kerkwijdingsrituelen. Het kerkgebouw, zo belijdt men, is niet zo maar een gebouw, dit is een ontzagwekkende plaats, het huis Gods, de poort naar de hemel (vergelijk Genesis 28:17). Wie in dit huis deel heeft aan de liturgie, krijgt zo ook deel aan de hemelse toekomst. Kunstenaars, beeldhouwers, schilders en andere handwerkslieden werken dit visioen uit in de vormgeving van de kerken van het christelijke Europa.
In de beleving van onze voorouders in de toen nog ongedeelde kerk was het kerkgebouw een heilige plaats. Met eerbied betrad men de kerkruimte, omdat men haar beleefde als vervuld van Gods tegenwoordigheid. Tegelijk kon (het schip van) de kerk ook functioneren als openbare ruimte: een plaats van ontmoeting, een plaats van handel soms. Die dubbelfunctie van sacraal en profaan gebruik werd in die dagen als vanzelfsprekend beschouwd, maar wel op de even vanzelfsprekende voorwaarde dat altaar en ‘verkeersruimte’ hun eigen plaats hadden.
Reformatie
Tijdens de Reformatie in ons land wordt het kerkgebouw ontdaan van zijn sacrale betekenis. Vooral de Reformatie in haar calvinistische gestalte heeft daar sterk toe bijgedragen. Niet alleen worden de beelden verwijderd en verdwijnen schilderingen onder witkalk, het gehele gebouw verliest zijn sfeer van heiligheid. Het Woord van God staat voortaan centraal en dat kan overal gepredikt worden. Toch is altijd het besef gebleven dat de plek waar het Woord tot klinken wordt gebracht en waar de sacramenten worden gevierd een bijzondere plek is. Het kerkgebouw houdt een speciaal karakter als een plaats die ook buiten de eredienst eigen aandacht en bijbehorend respect verdient. Dit betekent dat alle niet-religieuze functies die in de voor-reformatorische tijden nog wel binnen de kerkmuren plaatsvonden, gaandeweg worden uitgebannen. Het netten boeten, het uithangen van de scheepszeilen, het drogen van brandweerslangen, het handelen en flaneren, al deze gebruiken verdwijnen uit de kerk. De kerkdeur gaat door de week dicht en het kerkgebouw is enkel ‘s zondags en hooguit voor een viering in de avond geopend. De belangrijkste functie van het protestantse kerkgebouw wordt die van het huis van de verzamelde gemeente onder het Woord.
In de waardering van het kerkgebouw is een groot verschil waarneembaar tussen rooms-katholieken en protestanten. De katholieke eerbied voor het gebouw vindt haar verklaring in een zekere mate van heiligheid die eraan wordt toegekend. Protestanten zullen dit woord niet zo gauw in de mond nemen. Hun houding is ambivalent en blijkt in de loop van de tijd ook veranderlijk. Op het eind van de twintigste eeuw lijkt bij veel protestanten een nieuwe beleving te ontstaan: een nauwelijks te benoemen achting voor het kerkgebouw, waarin men uitdrukkelijk een andersoortige plek wil herkennen.
Een ander huis
Hoe ambivalent en veranderlijk de protestantse visie op het kerkgebouw wellicht mag zijn, zelfs voor de gereformeerde traditie is het kerkgebouw toch ‘een ander huis’. In het gebruik, en dus ook bij de ingebruikneming, van dit huis komt dit besef tot uitdrukking. Ondanks de grote huiver op protestants erf om dit ‘anders zijn’ specifiek onder woorden te brengen uit vrees te sacraal te worden, blijkt impliciet en soms expliciet het oudtestamentisch spraakgebruik over geheiligde plekken een rol te spelen. De plaats waar God zijn volk wil ontmoeten, is voor Israël een geheiligde plek. God kiest zich een plaats, een makom (Mokum)
op aarde om zich te verbinden aan zijn mensen (vergelijk Exodus 20:24; 1 Koningen 8:29). Híj bepaalt de plaats. Zelf wordt Hij niet door die plaats bepaald. Er is dus in het bijbelse verstaan niet zozeer sprake van heilige plaatsen als wel van geheiligde plaatsen, plekken waar Hij zijn Naam doet wonen en waar de geschiedenis van God met de mensen afleesbaar is. Zijn vrijmacht kiest zich een onderpand op de aarde onder de hemel. Dit stuk aarde is daarmee ook onderpand van de toekomst wanneer heel de aarde zal getuigen van zijn heilige Naam en alle tong Hem zal belijden. De plek die God kiest, is vooral een pleisterplaats onderweg. Hij woont immers in een tent, de tent der ontmoeting, tijdelijk en verplaatsbaar. Zelfs in de tijd van de tempel in Jeruzalem blijft het relativerende besef aanwezig dat geen enkel huis Hem ooit kan bevatten. Zoals God onderweg is naar de toekomst die Hij in gedachten heeft, zo zet Hij ons ook in beweging. Een treffend en beproefd beeld van het menselijk bestaan is dat van de pelgrimstocht. Wij zijn pelgrims die op weg zijn naar de hemelse stad die Hij voor ons bereid heeft. Om de tocht daarheen te volbrengen zijn er pleisterplaatsen nodig. Kerkgebouwen zijn zulke plekken, plekken om op verhaal te komen. De Heer houdt daar verblijf, waar mensen zijn verhaal willen horen.
Het begrip ‘heilig’ speelt hoe dan ook een rol bij dergelijke plekken. Mozes ontmoet de Heer in de woestijn Sinai en wordt gesommeerd zich van zijn schoenen te ontdoen omdat de plaats heilig is (Exodus 3:5), dat wil zeggen: uitgelezen, uitgenomen uit het gewone en bestemd voor een doel dat verder reikt dan het gewone, vol uitstraling en kracht. Heiliging voltrekt zich aan mensen, hecht zich aan tijden, maar ook aan een plaats en zeker ook aan een voorwerp. Mensen, tijden, plaatsen en voorwerpen worden tot een bijzondere bestemming gemarkeerd, in dienst genomen voor een bestemming die het gewone en alledaagse overstijgt. Ze komen daarmee in het krachtenveld van het geloof te staan, in het perspectief en de dynamiek van Gods heilige Geest.
Iets dergelijks is – in alle voorzichtigheid – wellicht eveneens over het kerkgebouw te zeggen. Heiliging vormt de achtergrond van het ritueel waarmee de gemeente het gebouw en dat wat het bevat in gebruik neemt voor de specifieke dienst waartoe het is ontworpen en gemaakt.
Stapsgewijs toevertrouwd worden
Omwille van de heiliging van het kerkgebouw, de plaats die dit gebouw inneemt en alles wat in dit gebouw voor de eredienst een functie heeft, is het zinnig verschillende momenten te onderscheiden. Immers, wanneer een gemeente een kerkgebouw in gebruik neemt, wordt zij daaraan stap voor stap toevertrouwd. Gaandeweg raakt zij daarin thuis en wordt duidelijk dat het gebouw en de voorwerpen die zich in het gebouw bevinden, haar tot zegen mogen strekken.
Elk moment in dit proces van thuis geraken is te markeren met een zegening. Naar de letterlijke betekenis van het woord ‘zegenen’ (van het Latijnse signare) heeft dit een aanwijzende betekenis. De zegen tekent. Hij geeft duiding aan datgene dat gezegend wordt. De bijbehorende woorden maken dit duidelijk. Zo wordt bij de ingebruikneming het gebouw en wat zich erin bevindt, ‘toegewijd’ aan datgene waar het voor bedoeld is: de dienst van God aan mensen en van mensen aan God. En zo mogen we het een huis van God noemen en tegelijk een huis van de gemeente. Een huis dat enerzijds natuurlijk door de gemeente zelf tot stand is gebracht, niet zelden door het brengen van grote financiële offers, maar dat anderzijds een geschenk is, een gave van Godswege, die zij toevertrouwd krijgt. Een bijzonder huis in ieder geval, speciaal voor de dienst van woord en gebed, van sacrament en lofprijzing, een huis van waaruit de zorg voor de samenleving vorm kan krijgen.
De bouw
Een kerkgebouw is altijd gesitueerd in een concrete omgeving: een dorp, een stad of een wijk van een stad. Het markeren van de eigen plek in dorp of stad gaat veelal vergezeld van het slaan de eerste paal, het leggen van de eerste fundamenten en/of het leggen van de eerste steen. Omdat deze voorbereidende handelingen zich vanzelfsprekend in de openbare buitenruimte afspelen, zullen ze een zeker seculier karakter dragen. Niettemin is het goed mogelijk dergelijke momenten een liturgisch karakter of liturgische omraming te geven, waardoor duidelijk wordt dat deze plek en dit gebouw voor de omgeving betekenis en waarde hebben. Met het bouwen van deze kerk krijgt de omgeving in stad of dorp immers een toegevoegde betekenis. Bovendien herinneren de voorbereidende bouwhandelingen de gemeente aan het fundament waarop zij gebouwd is: Jezus Christus zelf. Hij is de ‘hoeksteen die God heeft uitgekozen om zijn kostbaarheid; wie daar op vertrouwt, komt niet bedrogen uit’. (1 Petrus 2:6; vergelijk Efeziërs 2:20–22). Tegelijk wordt zij zich op dergelijke momenten ook haar roeping gewaar: ‘Laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn’ (1 Petrus 2:5).
In de liturgische vormgeving van de betreffende vieringen zal men proberen om de diepere zin van de handelingen onder woorden te brengen, en wel zodanig dat ook de niet geoefende verstaander zich aangesproken weet.
Bij de eerste steen is het belangrijk te bedenken welke tekst men daarop aanbrengt. In elk geval zal het teken van het kruis niet ontbreken en hoort de datum en het jaartal op de steen. Anders dan vroeger toen men de eerste steen van nieuwgebouwde protestantse kerken voorzag van namen van de ambachtsheer of de dan aanwezige kerkvoogden, is het betekenisvol om de naam van het kerkgebouw of een andere tekst, bijvoorbeeld een schriftwoord, op die eerste steen aan te brengen. De tekst kan iets weergeven van het programma waar deze kerk voor staat.
In de wereld van bouwondernemingen is het bereiken van het hoogste punt van een gebouw een algemeen gewaardeerd moment, waarop traditioneel ‘pannenbier‘ wordt geschonken. Dit moment mag niet ontsnappen aan de aandacht van de geloofsgemeenschap. Zij zal zich hiertoe verantwoordelijk weten als
opdrachtgeefster. Er wordt hiervoor echter geen liturgisch materiaal aangeboden.
Ingebruikneming van het kerkgebouw
De ingebruikneming van het voltooide kerkgebouw is voor de kerkelijke gemeenschap een indrukwekkend en vreugdevol moment. Het gebouw wordt nu daadwerkelijk toevertrouwd aan de gemeenschap en andersom. De ingebruikneming zal worden gemarkeerd door een aantal handelingen waarin doel en betekenis van het gebouw voor ieder duidelijk worden: voor de kerkelijke gemeente zelf, voor de bredere oecumenische verbanden en voor de seculiere wereld waarin het gebouw een plaats heeft. De gemeente ontvangt in dit nieuwe gebouw haar godshuis, de zusterkerken in stad, dorp of wijk verheugen zich met haar om dit feestelijk moment en de omgeving waarin het gebouw is gesitueerd, ervaart een zichtbare plek van waaruit deze geloofsgemeenschap aanwezig wil zijn.
Afhankelijk van de betekenis die men aan het bijzondere, geheiligde karakter van gebouw en attributen toe wenst te kennen is een meer en minder ruim gebruik van rituele momenten
voorstelbaar. Daarom worden in dit dienstboek een uitgebreide en verkorte orde aangeboden. Voorondersteld wordt dat de juridische overdracht van het gebouw aan de kerkelijke gemeenschap plaats heeft gehad vóór het moment van de ingebruikneming.
De volgende stappen zijn te onderscheiden:
– (opgang naar en) intrede in het kerkgebouw
Aan deze optrekkende beweging is de symboliek verbonden
van het volk Israël dat de tempel te Jeruzalem binnentreedt.
Ook herinneren opgang en intrede de gemeente aan de toekomst die haar is toegezegd: het nieuwe Jeruzalem waarheen
zij als pelgrim op weg is. Dit onderdeel van de ingebruikneming zal zowel een plechtig als vrolijk karakter dragen. De
overgang van buiten naar binnen, op de drempel van het gebouw, is een moment van bijzondere betekenis;
– zegening of toewijding van de doopvont
Eenmaal in het gebouw binnengetreden verzamelt de gemeente
of een vertegenwoordiging daarvan (kerkenraad, gemeenteleden) zich rond de doopvont. Men komt immers tot de kerk
door de doop. Door het water van de doop wordt de gemeente
gevormd als een lichaam dat deelt in de dood en opstanding
van haar Heer;
– zegening of toewijding van het orgel en/of een ander muziekinstrument
Wanneer reeds aanwezig wordt het orgel gezegend en/of een
ander muziekinstrument dat in dit gebouw de gemeente zal
ondersteunen in haar lofzang;
– zegening of toewijding van de plek waar de Schriften gelezen en uitgelegd worden
Voorafgaand aan het daadwerkelijk lezen van de Schrift wordt
een zegengebed uitgesproken over allen die in deze ruimte het
Woord van God zullen voorlezen en horen;
– zegening of toewijding van de avondmaals- of altaartafel en het bijbehorend gerei
Voorafgaand aan de viering van het Avondmaal zal de plek
waar de Maaltijd gevierd wordt, de tafel, alsook het gerei dat
daarvoor bestemd is, met een zegengebed in dienst worden genomen.
Wanneer het kerkgebouw een dagkapel, stilte- of gebedsruimte kent, komt ook deze ruimte in aanmerking om te worden bedacht bij de ingebruikneming van het kerkgebouw. Iets dergelijks geldt tevens voor de nevenruimten van het gebouw, die voor niet-
liturgische doeleinden gebruikt zullen worden.
Specifieke onderdelen van het kerkgebouw
Een afzonderlijk hoofdstuk vormt de ingebruikneming van specifieke onderdelen van het kerkgebouw: klokken, orgel en/of andere muziekinstrumenten, avondmaalsgerei, kunstwerken (ramen, kruis en dergelijke), paramenten. Vaak worden deze in de loop van de tijd toegevoegd aan het kerkgebouw en zijn dus bij de oplevering enkel nog een wenselijkheid. Deze elementen spelen niettemin een bijzondere rol in de geregelde eredienst en door hun plek en uitstraling verwerven zij een eigen plek in de aandacht van de geloofsgemeenschap. Om die reden is het denkbaar dat ook deze onderdelen met een viering en een zegening aan de gemeenschap worden overgedragen en zo hun betekenis wordt duidelijk gemaakt. Daartoe leent zich met name de zondagse eredienst, maar een afzonderlijk moment is eveneens voorstelbaar.
Heringebruikneming van het kerkgebouw
Verder zijn er orden opgenomen voor de heringebruikneming van een veranderd, gerestaureerd of gerenoveerd kerkgebouw. Voor de restauratie of renovatie is het kerkgebouw een tijdlang aan gewoon kerkelijk gebruik onttrokken geweest en heeft de gemeente waarschijnlijk elders in een zaal gekerkt of gastvrijheid ondervonden bij buren. Soms is men blijven kerken in een hoek of beuk van de kerk die verder geheel in de steigers stond. Na de voltooiing van de werkzaamheden wordt het kerkgebouw weer in zijn geheel teruggegeven aan de geloofsgemeenschap. Afhankelijk van de aard en de omvang van de verbouwing en van de wensen van de betrokken gemeente zal dit ritueel eenvoudig of meer uitgebreid zijn. In zekere zin lijkt het op het ritueel van de ingebruikneming van kerkgebouwen. Een duidelijk verschil is echter dat een zegening van het gebouw en wat zich daarin bevindt, niet meer nodig is. Die heeft immers destijds bij de ingebruikneming plaatsgevonden en die zegen heeft aan kracht nog niets ingeboet. Wel is het nodig om als gemeente het gebouw weer binnen te treden en de plekken waar gedoopt, verkondigd en maaltijd gevierd wordt, langs te gaan om er zo opnieuw vertrouwd mee te raken. In elk geval moet uit de viering duidelijk worden dat dit gebouw, veranderd en aangepast, opnieuw in dienst wordt genomen en dat de lijn van geregeld vieren weer wordt hernomen.
Buitengebruikstelling van een kerkgebouw
Doorgaans even aangrijpend als de ingebruikneming is het definitieve afscheid van een kerkgebouw. Waar een kerkgebouw overbodig is geworden door het samengaan van (wijk)gemeenten om
redenen van bezuiniging of inkrimping is dat een weemoedig moment. Men is aan het gebouw gehecht geraakt, omdat men er zelf
is gedoopt, getrouwd, andere gedenkwaardige momenten heeft
gevierd of vandaar uit een dierbare heeft begraven. Een dergelijk
afscheid is dan ook een gevoelig verlies voor ieder die zich met
het kerkgebouw vertrouwd weet, en brengt een proces van rouw
en verdriet teweeg. Het is om pastorale redenen wenselijk dit
ogenblik met rituelen te markeren, het kerkgebouw als het ware
‘uit te zegenen’. De hiervoor bedoelde ordeningen maken het mogelijk om gefaseerd afscheid te nemen van alle onderdelen die de
beleving van het kerkgebouw bijzonder maakten, maar tevens om
de betrokkenen niet met lege handen achter te laten en perspectief te bieden op een nieuwe start elders. De bestemming van de
uit de kerk weg te dragen liturgische attributen is daarom van
grote betekenis en kan dan ook met gebaren worden gemarkeerd.
Ingebruikneming van klokken
Het bijzondere van kerkklokken is dat zij in de wijde omtrek te horen zijn. Zij zijn de uitdrukking van datgene wat de kerk behoort te doen: het verkondigen van het evangelie tot aan de einden der aarde.
In het leven van de gemeente hebben klokken verschillende
functies. Zij roepen allereerst de gemeente op tot de eredienst op
zon- en feestdagen. Beschikt de kerk over meerdere klokken, dan
is het mogelijk daarmee uitdrukking te geven aan de liturgische
seizoenen en feesten door in bepaalde combinaties te luiden. Ook
luiden zij bij belangrijke gebeurtenissen in de gemeenschap (huwelijk, dood, uitvaart). Aan de manier van luiden kan de omgeving horen om welke gebeurtenis het gaat. Een goed gebruik is
verder dat een klok wordt geluid tijdens het bidden van het gebed
des Heren. Zo mag de wereld weten dat er voor haar gebeden
wordt. Voor velen is het een teken om zelf het Onze Vader te bidden en zich zo verbonden te voelen met de gemeente die bijeen
is. In veel streken – ook die overwegend protestant zijn – kent
men ten slotte de gewoonte van het Angelus-luiden (eenmaal,
soms ook drie maal daags: ’s morgens, ‘s middags en ’s avonds).
Het Angelus herinnert de wereld aan de menswording van Christus en roept gelovigen op tot persoonlijk gebed.
De Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt,
en zij heeft ontvangen van de heilige Geest.
…
Zie, de dienstmaagd des Heren;
mij geschiede naar uw woord.
…
En het Woord is vlees geworden
en het heeft onder ons gewoond.
…
Heer,
wij hebben door de boodschap van de engel
de menswording van Christus, uw Zoon, leren kennen.
Wij bidden U:
stort uw genade in onze harten,
opdat wij door zijn lijden en kruis
gebracht worden tot de heerlijkheid van zijn verrijzenis.
Door Christus, onze Heer.
Amen.
Ingebruikneming van een orgel of ander muziekinstrument
Het orgel heeft als kerkelijk muziekinstrument een lange geschiedenis. Reeds in de dertiende eeuw werd het als instrument ter afwisseling en begeleiding van de zang gebruikt en nog steeds dragen het orgel en zijn bespeler zo bij aan de luister van de liturgie en de verrijking van de zang van de gemeente. De vaak rijke klankschakeringen maken het instrument uitermate geschikt om de verschillende momenten in de liturgie de kleur te verlenen. De samenklanken en melodielijnen die veel orgelmuziek kenmerken en door slechts één bespeler met behulp van één muziekinstrument worden opgewekt, vertonen parallellen met de diversiteit binnen de gemeente die in de zang tot eenheid komt. ‘Heel de mensheid stemme saam in de drieklank van uw naam.’ (Liedboek voor de Kerken, Gezang 313:7)
Alle mogelijke muziekinstrumenten kunnen een functie hebben in de eredienst. Bekend zijn de Posaunenchöre bij onze oosterburen, de speelgroepen – die met name in het derde kwart van de afgelopen eeuw in veel kerken van zich lieten horen – en de piano die op diverse plaatsen de functie van het orgel heeft overgenomen.
Ingebruikneming van voorwerpen voor de eredienst
Avondmaalsgerei, liturgische kleding, antependia en kunstwerken zijn in de eredienst toegespitste zaken met een bijzondere betekenis. Ze hebben allereerst een praktische functie en verwijzen tevens naar datgene wat in de liturgie gevierd wordt. Wanneer deze elementen voor het eerst in gebruik worden genomen, past het er een zegengebed bij uit te spreken. Ze worden immers afgezonderd van hun gewone gebruik en bestemd voor of toegewijd aan de eredienst.
Avondmaalsgerei
Broodschaal en avondmaalsbeker(s) vormen het ‘vaatwerk’ voor de viering van de Maaltijd des Heren. Ze zijn doorgaans gemaakt van duurzaam materiaal (zilver, aardewerk). Brood en beker hebben in de liturgie een symbolische betekenis. Ze verwijzen immers naar de Heer zelf, die zich in deze tekenen present stelt.
Liturgische kleding
Onder liturgische kleding verstaat men het gewaad dat gedragen wordt om de deelname aan de eredienst te accentueren. Zo is bijvoorbeeld bij de Herrnhutters tot in onze dagen het gebruik bekend om in de zondagse eredienst kleding met een wit accent te dragen. Het is de kleur die verwijst naar het doopbestaan van heel de gemeente. Het eigene van een liturgisch gewaad is dat het de drager tekent in de rol die deze in de eredienst vervult: deelgenoot van de vierende gemeente of ook een bijzondere rol daarin, bijvoorbeeld: voorganger, lector, cantor, dopeling, doopgetuige. Zo verbindt het liturgisch gewaad het gemeenschappelijke aspect van de eredienst, al naar gelang de rol, met het persoonlijke ‘gezicht’ van de drager van de betreffende (be)kleding. Binnen- en buitenkant, persoon en uiterlijk van elk eredienst vierend gemeentelid staan in een herkenbare wisselwerking met elkaar. In de loop van de tijden is de gewoonte om een liturgisch gewaad te dragen beperkt tot wie een voorgangersrol vervullen. Daarmee verdween de reminiscentie van het eenvoudige witte (onder)gewaad, de albe, als verwijzing naar het doopbestaan van heel de gemeente en viel alle accent op het ambtsteken van de voorgangers, de stola, die over de albe gedragen wordt.
In de Reformatie ontstond een grote diversiteit in de omgang met liturgische kleding. De lutherse traditie in (Noord-)Duitsland en Scandinavië handhaafde de liturgische kleding ten dele, maar de gereformeerde traditie schafte haar af. De predikanten in de gereformeerde traditie gingen in de kerkdienst voor in de ambtskleding die geleerden uit die dagen – zondags en door de week – gewoon waren te dragen: zwarte mantel, bef en (sinds de achttiende eeuw) driekanten steek. In de negentiende eeuw werd het dragen van een ambtsgewaad beperkt tot de officiële gelegenheden waarin de betreffende ambtsdragers een rol speelden: de predikant in de eredienst, de rabbijn en de voorzanger in de synagogale dienst, de hoogleraar in een academische bijeenkomst, de rechter en de advocaat in de rechtszitting. Daarmee werd de aanvankelijke publieke ambtskleding van de geleerden tot een ‘liturgisch’ gewaad. Illustratief voor dit uitgroeien van ambtsgewaad tot liturgisch gewaad is de ontwikkeling van de zwarte geklede jas tot een breed omhangende zwarte toga met bef en baret. Uiteindelijk beval de Hervormde synode in 1854 het dragen van een toga aan. De lutheranen in Nederland waren haar daarin al voorgegaan, zich daarmee aansluitend bij een ontwikkeling die ook in delen van Duitsland zijn beslag had gekregen De kerken die uit de Afscheiding en de Doleantie voortkwamen, braken met deze jonge traditie die door hen als typisch regentesk hervormd (en luthers) ervaren werd. Dit neemt niet weg dat de zwarte toga voluit erkenning heeft gekregen als een mogelijk liturgisch gewaad in zowel de lutherse als de gereformeerde traditie.
In de tweede helft van de twintigste eeuw ontstond in gemeenten waar de liturgische vernieuwing haar beslag kreeg, de behoefte om het vierende karakter van de eredienst mede tot uitdrukking te brengen in de kleuren van het liturgisch jaar en de kleding van de voorgangers. Conform de traditionele katholieke, lutherse en anglicaanse gewoonte richtte de aandacht zich daarbij allereerst op de stola. Zo verschijnt de gekleurde stola op de zwarte toga. In latere overwegingen ontstaat een vernieuwde aandacht voor de kleding van de voorganger als zodanig. De albe, het witte gewaad, raakt bij sommige lutherse, hervormde en gereformeerde predikanten in zwang, met daarop de predikantenstola.
De witte albe bepaalt de gemeente bij de dag des Heren als de dag van de opstanding (Marcus 16:5). Ze is bovendien een verwijzing naar de hemelse liturgie, waar de ‘grote schare die niemand tellen kan’ staat voor de troon van het Lam, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen (vergelijk Openbaring 7:9,13). Zoals gezegd: heel de vierende gemeente kan getekend worden door kleding waarin wit de boventoon voert. Tenslotte is dat de oorsprong van het dragen van een witte albe. Te denken valt dan aan wie belijdenis doen, aan dopelingen – oud en jong en aan zangers, lezers en voorbidders.
De stola (van het Griekse woord stolè: lang bovenkleed) kenmerkt de voorganger die in het ambt van predikant is bevestigd. Ze is een strook stof die over de toga of albe gedragen wordt in de liturgische kleur van de tijd. De stola verwijst naar het juk van Christus, dat op de schouders wordt gelegd als een lichte last (Matteüs 11:29–30).
Kleed en kleur hebben een symbolische betekenis en dragen bij aan de plechtigheid, feestelijkheid en schoonheid van de eredienst.
Antependia
Antependia (letterlijk: voorhangsels) geven in de eredienst kleur aan de diverse feesten en seizoenen. Ze kunnen hangen over de lezenaar en/of de kansel en de avondmaalstafel. Soms behoren er ook leeslinten in de Bijbel bij. Vaak zullen er op de antependia symbolische afbeeldingen zichtbaar zijn, die te maken hebben met de liturgische periode of het feest. Antependia dragen bij aan de verbeelding van de heilsgeheimen die de gemeente in de loop van het liturgisch jaar viert.
Kunstwerken
Ook kunstwerken dragen bij aan de verbeelding van het geloofsgeheim dat in de eredienst gevierd wordt. Onder kunstwerken verstaan we iconografische symbolen (zoals een kruis of een Christusmonogram), wandkleden, vensters of andere artistieke uitingen die in het kerkgebouw een definitieve plaats krijgen. God heeft als Schepper de mens begiftigd met de gave van creativiteit (Exodus 35:30–36:7). In de kunst mogen mensen hun Schepper loven en getuigen van de hoop op datgene wat men niet ziet.