Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud
Vindplaats van geloof, hoop en liefde
subline-curl
Dienstboek

Inleiding

Bewerk hoofdstuk Split hoofdstuk

Inleiding

 

 

Samenvatting van de uitgangs-punten

Bij de herziening van de Proeven voor de Eredienst aflevering 3 Doop en Belijdenis (1993) heeft de Redactie Dienstboek zich laten leiden door de onderstaande uitgangspunten. Ze zijn nauw verwant met de uitgangspunten van de oorspronkelijke proeve, die door de kleine synode op 16 mei 1992 als richtinggevend voor de verdere uitwerking van Doop en Belijdenis zijn aan-

vaard.

 

1. Door de doop worden mensen in de gemeente van Christus, het Lichaam van de Heer, opgenomen.

 

2. Met Christus worden wij gedoopt in zijn dood om met Hem mee te worden opgewekt (Romeinen 6:4). De orde voor de bediening van de doop krijgt gestalte vanuit de viering van het paasfeest. Daarnaast worden in deze orde voor de doop de aspecten van verbond, reiniging en bekering uitgewerkt.

 

3. In de doop komt Gods heil tot ons als belofte. Deze belofte is eerder dan ons leven en gaat altijd aan ons geloof vooraf. De genade van God draagt schepping en verlossing. De doopbediening kan daarom niet geconditioneerd worden door enige daad van geloof die wij stellen.

 

4. In de orden I wordt dit onvoorwaardelijk karakter geaccentueerd door de vragen aan de ouders en doopgetuigen te stellen na de doophandeling. Het is ook mogelijk, zoals in de orden II gebeurt, de vragen te stellen voorafgaand aan de doophandeling zonder daarmee de doop afhankelijk te maken van het geloof van de dopeling of hen die de dopeling in de kerk hebben gebracht.

 

5. Zowel de doop van zuigelingen als die van volwassenen is een volledige doop. In de orden van dienst wordt dat zichtbaar door parallelle vormen.

 

6. Wie als zuigeling is gedoopt, zal op een later moment de doop actief beamen.

 

7. De doopgedachtenis is een weerkerende acte van beaming van

de doop. Deze vindt in principe plaats tijdens de viering van het

paasfeest. Wanneer de doop (met name aan zuigelingen) op andere

zondagen door het jaar geschiedt, worden de leden van de gemeente als doopgetuigen keer op keer bij hun eigen doop bepaald.

 

8. De openbare belijdenis is de individuele beaming van de doop, verbonden met de doopgedachtenis van heel de gemeente.

 

9. De doop is innerlijk met het avondmaal verbonden, doordat tafelgenoten in principe gedoopt zijn.

 

10.De Redactie Dienstboek heeft in de (doop)orden de onderdelen opgenomen die het breed gedragen BEM- (Baptism, Eucharist and Ministry: Doop, eucharistie en ambt) of Lima-rapport van de Wereldraad van Kerken (1982) aanreikt: de verkondiging van de Schriften over de doop; het aanroepen van de heilige Geest; het verzaken van het kwade; een belijdenis van het geloof in Christus en de heilige Drie-eenheid; het gebruik van water; het verklaren dat de gedoopten een nieuwe identiteit hebben verworven als zonen en dochters van God en als leden van de kerk, geroepen om getuigen te zijn van het evangelie. De Redactie Dienstboek geeft zich verder rekenschap van dooporden die vanuit deze basis zijn ontwikkeld, in het bijzonder van de oecumenische dooporde (1992) die door Raad van Kerken in Nederland is aanvaard.

 

11.De orden maken het mogelijk dat ouders in dezelfde dienst waarin hun kind wordt gedoopt, eerst zelf gedoopt worden en/of openbare belijdenis afleggen.

 

12.De structuur van de orden van dienst voor de doop van volwassenen, voor de doop van kinderen en voor de doopgedachtenis en belijdenis is in hoofdlijnen identiek. Alleen de gelofte kan op twee plaatsen voorkomen. De elementen van die structuur zijn: onderwijzing en presentatie, doopgebed, belijdenis: afwending en toewending, geloften (orden II), doop en handoplegging, geloften (orden I), verwelkoming, loflied.

 

Presentatie van wie zich op de doop voorbereiden

In dit Dienstboek is een orde opgenomen, waarin volwassenen die zich bij de gemeente voor de doop aanmelden, aan de gemeente gepresenteerd worden; bij dit begin van hun weg naar de doopvont ontvangen zij een zegen.

Deze orde kan ook gebruikt worden als het begin van een kort dooponderricht aan een zes- of zevenjarige voorafgaand aan haar/zijn doop. Wanneer de gewoonte bestaat regelmatig met de kinderen een traject te volgen dat, uitloopt op hun eerste deelname aan de viering van de Maaltijd van de Heer, zou het dooponderricht aan kinderen hierbij kunnen aansluiten.

Een geschikt moment voor de presentatie van volwassenen en/of kinderen die de heilige doop verlangen, is in een dienst aan het begin van de veertig dagen.

 

De zegening van zuigelingen op de weg naar de doop

Om verschillende redenen kunnen ouders er voor kiezen niet de doop te vragen voor kinderen (zuigelingen) die aan hen worden toevertrouwd. Zij zijn dankbaar en blij met deze kinderen en nemen zich voor hen in de kring van de gemeente vertrouwd te maken met het geloof dat zij zelf belijden. Zij hopen dat hun kinderen later de doop zullen verlangen. Dat kan op het moment dat de kinderen gaan deelnemen aan de viering van de Maaltijd van de Heer. Het is ook mogelijk dat de kinderen de doop pas zullen willen ontvangen op volwassen leeftijd.

Vragen ouders om een zegen voor hun kinderen in het midden van de gemeente, dan verstaan we deze zegening als aanvang: zij worden op de weg naar de doopvont gezet. Hiermee sluiten we min of meer aan bij de oude traditie van het catechumenaat als voorbereiding op de doop. We beseffen dat de dooppraktijk in het vroege christendom anders was dan nu. Aan de doop van mensen en hun huis ging een periode van catechumenaat vooraf. Vanaf de vierde eeuw werd de doop echter steeds verder uitgesteld. Het catechumenaat kon jaren duren en veranderde van doopvoorbereiding tot een halfchristelijke levensstaat. Kinderen werden pas gedoopt als hun ouders die stap zetten. Tot die tijd was hun plek in de kerk die van catechumeen. Ze werden ingeschreven, getekend met het kruis en kregen (als teken tegen bederf en zonde) zout te proeven. Genoemde elementen helpen ons een eigentijds ritueel te ontwikkelen voor het zegenen van zuigelingen op de weg naar de doop. Orde 1 is hiervan een proeve.

Het zegenen van een pasgeborene wordt ook wel ‘opdragen’

genoemd. Bijbels gesproken betekent dit het ‘biddend aanbevelen

bij God’. Het kan verwarrend zijn wanneer nu ook andere teksten

gaan meeklinken. Samuël werd door zijn moeder naar het huis

van de Eeuwige gebracht (1 Samuël 1:24-20): om hem aan de

Eeuwige af te staan. En het evangelie over de opdracht van de

Heer in de tempel meldt dat Jozef en Maria Jezus ‘naar Jeruzalem brachten om hem aan de Heer voor te stellen (NBG)/om Hem

aan te bieden aan de Heer (KBS)/om hem te wijden aan de Heer

(NBV)’ (Lucas 2:22). Wanneer het ‘opdragen’ aan deze verhalen

doet denken, maakt dat de term ongeschikt voor het zegenen van

kinderen in de kerk. Van een associatie met een offer dat aan God

wordt opgedragen, of het wijden van onze kinderen aan God door

hen af te staan, is hier geen sprake. Daarom is hier gekozen voor

het ‘zegenen’ dat een ‘biddend aanbevelen’ insluit.

 

Doop en belijdenis

 

Tijd

Bepalend voor het moment waarop de doop kan worden bediend, is de uiteindelijke keuze van de kerken van de Reformatie om de doop in het midden van de gemeente te bedienen. Omdat in de doop het accent ligt op de inlijving in het Lichaam van Christus, wordt de doop bediend in de samenkomst der gemeente. De viering van de dag van de Heer als gedachtenis van zijn opstanding is daarom de meest passende gelegenheid om de doop te bedienen.

Er zijn momenten in het liturgisch jaar die zich in het bijzonder lenen voor een doopviering. Het spreekt voor zich dat in eerste

instantie wordt gewezen op de paasviering van de gemeente. Daar

waar het gebruik ingang heeft gevonden de Paaswake te vieren als

het hart van het paasfeest, zullen zeker in deze nacht de doop, belijdenis en doopgedachtenis plaatsvinden. In andere gemeenten

zal dat de Paasmorgen zijn. Doop en belijdenis kunnen ook op de

vijftigste paasdag plaats vinden; met Pinksteren viert de gemeente

immers dat de Geest van de Heer een nieuw begin maakt.

Bij het bepalen van tijd en gelegenheid dient te worden bedacht hoe een verbinding kan worden gelegd met het noodzakelijke dooponderricht. Vanouds geldt de veertigdagentijd als periode van voorbereiding op de doop in de Paasnacht, en de adventstijd als voorbereiding op de doop met Epifanie (de zondag van de doop van de Heer).

 

Plaats in het kerkgebouw

De plaats van de bediening van de doop in het kerkgebouw vraagt aparte overweging. Uitgangspunt daarbij is, zoals boven uiteengezet, dat de bediening van de doop om een eigen gestalte vraagt. Bestaat de mogelijkheid om een eigen ruimte te creëren voor de doopvont met de daarbij behorende paaskaars, dan zal men zoeken naar een plaats waar zoveel mogelijk gemeenteleden ‘omstanders’ kunnen worden (vgl. Dienstboek – een proeve, deel I,

blz. 939). Zo kan worden ervaren dat zij deelgenoten zijn in de bediening van de doop.

 

Plaats in de zondagmorgendienst

De invoeging van de bediening van de doop in de zondagmorgendienst biedt een tweetal mogelijkheden.

Waar de doopvont en paaskaars in de omgeving van de ingang van de kerk een plaats gevonden hebben en de gemeente hieromheen verzameld kan worden, is het mogelijk de bediening van de doop te plaatsen aan het begin van de dienst. Daarmee wordt ieders doop als weerkerende gedachtenis bij elk opgaan naar het huis van de Heer tot uitdrukking gebracht.

Een andere reden om de doop bij de intrede in de eredienst te bedienen is de wens de eenheid van de dienst van de Schrift en de viering van de Maaltijd des Heren niet te verbreken. In beide gevallen kan de dienst als volgt worden begonnen:

(Groet)

Bemoediging

Gebed van toenadering

Psalm

bijv. Psalm 42 (1, 2, 4 en 7), ontleend aan de klassieke doopviering

in de Paasnacht

Bediening van de doop

 

Na het loflied wordt de dienst voortgezet met het gebed van de zondag of gebed om verlichting met de heilige Geest.

 

Ook kan de bediening van de doop worden ingevoegd na de preek.

Vanouds vinden daar de geloofsbelijdenis en de gebeden hun

plaats. In de diensten, waar de doop een eigen accent krijgt, is deze

plaats daarom zeer passend. De preek kan dan tevens dooponder-

richt zijn. Zo worden – naar oorspronkelijk reformatorisch gebruik

– prediking, onderricht en doopbediening direct met elkaar verbonden. Een mogelijke inpassing kan als volgt geschieden:

Prediking

(Doop)lied

bij de doop van kinderen worden tijdens het zingen van dit lied de

dopelingen binnengebracht

Bediening van de doop

 

Na het loflied wordt de dienst voortgezet met de gebeden en de inzameling van gaven.

 

Structuur van de viering

De liturgische gestalte van de bediening van de doop van kinderen en volwassenen vindt haar uitgangspunt in de fundamentele samenhang van belijdenis en doop. De orde voor de bediening van de doop tekent de weg die de dopeling gaat:

- de onderwijzing dient als samenvatting van het voorafgaande dooponderricht;

- in de presentatie worden de dopelingen aan de gemeente bekendgemaakt. Gevraagd wordt naar het verlangen van de dopelingen de doop te ontvangen, of van de ouders/doopgetuigen

dat hun kinderen gedoopt zullen worden;

- het doopgebed gedenkt hoe God vanaf Noach mensen door water heen redt en zuivert van schuld. Met een beroep op Gods

heilsdaden wordt gebeden dat in het teken van water de Geest

vaardig mag worden over de dopeling;

- in de belijdenis: afwending en toewending wijst heel de gemeente de machten van het kwaad terug en belijdt zij haar geloof in God de Vader en de Zoon en de heilige Geest;

- de doop door overgieting of onderdompeling betekent aan de dopeling de redding uit de dood en de reiniging tot nieuw leven;

- de handoplegging is een zichtbaar gebed om de gave van de Geest;

- doop en handoplegging kunnen worden gevolgd door verkla-

rende handelingen die mede de komende weg van de dopelingen of geloofsleerlingen aanduiden;

- volwassenen leggen bij hun doop en/of belijdenis een gelofte

af, waarbij zij hun plaats in kerk en samenleving aanvaarden.

Ouders en getuigen aanvaarden in de gelofte als hun taak degenen die zijn gedoopt te bewaren bij hun doop. Deze gelofte

kan zowel na (orden I) als voor (orden II) de bediening van de

doop plaatsvinden;

- in de verwelkoming worden de gedoopten, de getuigen en heel de gemeente met elkaar verbonden op de weg van het gebed

en een leven in de verwachting van het koninkrijk van God.

 

In schema gebracht ontstaat daarbij het volgende beeld:

 

 

vaste elementen variabele elementen

 

presentatie

onderwijzing

presentatie

doopvraag (in orden I)

vraag naar de naam

persoonlijke

verantwoording

 

doopgebed

 

belijdenis

afwending en toewending

 

geloften (in orden II)

gemeente

geloofsleerling/dopeling

ouders/getuigen

doopvraag

vraag naar de naam (bij volwassenen)

 

doop en handoplegging

gebed om de Geest (bij volwassenen)

doop

handoplegging

bekleding met het

doopkleed

overhandiging van de

doopkaars

 

geloften (in orden I)

geloofsleerling/dopeling

ouders/getuigen

 

verwelkoming

begroeting door gemeente

vredegroet

 

loflied