IV - Leesroosters
Leesroosters
De kerken van reformatorische en katholieke traditie en de kerken van de reformatie onderling herkennen elkaar in toenemende mate in een ordening van de Schriften op zon- en feestdagen in het kader van het liturgisch jaar. De reformatorische kerken in Nederland willen daarbij met name recht doen aan hun verworteling in de traditie van Israël. Israël leest geordend de Schriften om de weg van Gods openbaring te volgen; zo ook de christelijke kerk om de weg van zijn openbaring in Christus te gaan.
Pasen en Pinksteren, de herfsttijd als tijd van verwachting van de advent van het Koninkrijk der hemelen, bieden tezamen met Kerst en Epifanie het kader voor een geordend bestaan in liturgie, leer en leven van de gemeente door heel het jaar heen. Ook in dit opzicht geldt het aloude principe van de eredienst: lex orandi, lex credendi – wat de kerk bidt. is de uitdrukking van haar geloof.
De hele dienst staat in het teken van het gebed, de biddende omgang met de heilige Schrift en de viering van de sacramenten. De ordening van zondagen, feest- en gedenkdagen volgens het liturgisch jaar is te vinden in het Tijdeigen.
Het Tijdeigen is opgebouwd uit de volgende elementen:
- introitus;
- gebed van de dag;
- lezing uit het Oude Testament;
- graduale of antwoordpsalm;
- lezing uit de brieven;
- halleluja(lied);
- lezing uit het evangelie;
- gebed over de gaven;
- dankzegging of slotgebed.
Luthers Leesrooster
Het klassieke liturgische jaar in zijn huidige lutherse gestalte gaat voorop. De Evangelisch-Lutherse Kerk brengt haar leesrooster met een lange en respectabele traditie, die teruggaat tot in de voor-reformatorische kerk, mee in het Samen op Weg-proces. Bovendien is deze eenjarige ordening meer dan slechts een leesrooster. Zij biedt ook de complete reeks introitus-psalmen, de bijbehorende gebeden van de dag en zondagsliederen. De lutherse jaarcyclus is ongewijzigd overgenomen, inclusief de toevoeging van een eerste lezing uit het Oude Testament en de graduale-psalmen (1976) en de herziening van de introitusteksten en zondagsliederen (1992). De naam van de zondag blijft in gebruik voorzover ontleend aan de eerste psalm, respectievelijk de antifoontekst, en voorzover zij is ingeburgerd.
Tellingen van de zondagen
Dit liturgisch jaar biedt overigens ook het kader voor andere leesroosters. Tevens moet duidelijk zijn dat Pasen (altijd gedateerd op de zondag na de eerste volle maan in de lente) de spil is waarom het hele feestjaar draait. Daarbij worden de zondagen in principe benoemd in het spoor van het feest waarop zij volgen. Met het oog op een evenwichtige inpassing van andere leescycli in het klassieke liturgische jaar en om duidelijk te maken dat Pasen het hart is van het liturgisch jaar, blijven wij met de lutheranen spreken van ‘zondagen van Epifanie’. Het aantal hangt ervan af wanneer de veertig dagen voor Pasen beginnen. In de zomer en herfst is gekozen voor een benaming die recht doet aan de wisseling van het seizoen eind september, in de buurt van de seizoenswisselingsdagen (quatertemperdagen). De wisselzondagen na Trinitatis – het aantal daarvan hangt, evenals bij de zondagen na Epifanie, ervan af hoe vroeg of laat Pasen valt – heten alleen tot 21 juni ‘zondagen na Trinitatis’. Vanaf 21 juni tot 21 september tellen wij ‘zondagen van de zomer’ en daarna ‘zondagen van de herfst’. De gang van de zondagen van de herfst via de drie zondagen van de voleinding en de vier van de Advent naar het Kerstfeest en Epifanie is in feite één doorgaande beweging.
Gemeenschappelijk Leesrooster
Gelet op de ontwikkelingen in de huidige oecumene wordt in dit Dienstboek een Gemeenschappelijk Leesrooster (GL) voor onze kerken opgenomen, dat in feite een bewerking is van voorgaande leesroosters die ontwikkeld zijn door de Rooms-Katholieke Kerk, een groot aantal katholieke, anglicaanse en reformatorische kerken in de Verenigde Staten en de Oud-Katholieke Kerk in Nederland. De gang van zaken was dat het nieuwe rooms-katholieke lectionarium (OLM, 1969) in de Verenigde Staten is bewerkt onder auspiciën van een zestiental kerken tot het Common Lectionary (CL, 1983), inmiddels Revised Common Lectionary (RCL, 1992). Voordat dit proces echt op gang was gekomen, nam de Oud-Katholieke Kerk in Nederland het CL via de Episcopal Church in de Verenigde Staten over en herzag het hier en daar. Het ontving daarbij de naam Oud-Katholiek Lectionarium (OKL, 1993). Met name de antwoordpsalmen werden geheel opnieuw in het licht van de Nederlandse traditie op het terrein van het psalmzingen op een rij gezet. Dit OKL diende als uitgangspunt voor een revisie ten gebruike in de Samen op Weg-kerken. De aangebrachte wijzigingen zijn voorbereid door een werkgroep waaraan rooms-katholieke, oud-katholieke en remonstrantse adviseurs hebben deelgenomen. Omdat deze roosters van dezelfde structuur uitgaan, is het duidelijk dat deze de meest algemeen verbreide zullen zijn in de komende decenniën.
Kanttekeningen bij het Gemeenschappelijk Leesrooster
De eerste lezing is doorgaans uit de profetische boeken van het Oude Testament gekozen in verband met het Evangelie. Hoezeer de lezing van het Eerste Testament ook in en door de OLM is uitgebreid, hierin schuilt een beperking. De manier waarop het (R)CL dit probleem probeert op te vangen met enkele korte blokken baanlezing uit de profeten en wijsheidsliteratuur in de zomerperioden, is minder gelukkig. Daarmee wordt immers nog geen recht gedaan aan de liturgische structuur van de Thora. Bovendien is het verband tussen eerste en derde lezing afwezig. Bij de jongste revisie is vooral gekeken naar dat verband tussen eerste lezing en Evangelie. Binnen de structuur van OLM en OKL was het mogelijk hier en daar iets te verbeteren, bijvoorbeeld door de begrenzing van een pericoop iets bij te stellen. De enkele eerste lezingen uit de deutero-canonieke boeken werden vervangen. Bij elke verandering is nagegaan of de eerste lezing en de antwoordpsalm nog van toepassing zijn.
De psalmen ontvangen in dit rooster een eigen plaats als ‘tweede lezing’, in relatie met de eerste lezing uit het Oude Testament. Zoals eerder gezegd, heeft de gemeente met het zingen ervan een eigen aandeel in de verkondiging van de heilige Schrift tijdens de eredienst.
De lezingen uit de apostelgeschriften volgen in de OLM op de zondagen door het jaar een dusdanig eigen spoor, dat de apostelgeschriften niet tot hun recht komen. De lezingen uit de brieven zijn in het GL gehandhaafd, wanneer zij deel van het ensemble van lezingen uitmaken. Waar zij een eigenstandige baanlezing vormen zonder relatie met de eerste en evangelie-lezing, is van overneming afgezien. De brieven dienen op een andere, betere manier naar hun eigen aard en orde te worden gelezen.
Van zowel het Luthers Leesrooster (LL) als het GL geldt dat zij geheel en al georiënteerd zijn op de grote feesten, in het bijzonder het Paasfeest. Doorgaande lezing komt altijd op de tweede plaats, als op de eerste plaats lezenderwijs recht is gedaan aan de gang naar een feest toe en van een feest naar het volgende.
Aanvullend Leesrooster
Zeker in de reformatorische traditie kent men de gewoonte een bijbelboek te nemen en eenvoudig door te lezen tot het uit is. Om aan deze goede gewoonte recht te doen en toch een bescheiden aanwijzing te geven, is naar een ontwerp van H.A.J. Wegman door de hierboven genoemde werkgroep een leesrooster ontwikkeld, waarmee men in negen ‘jaargangen’ de gehele bijbel cursorisch leest. Dit Aanvullend Leesrooster (AL) wil:
- recht doen aan de doorgaande lezing van een bijbelboek, zoals die in de gereformeerde traditie steeds is beoefend;
- een handreiking doen aan gemeenten en voorgangers die met LL of GL slecht overweg kunnen;
- een suggestie doen voor leer-, middag- of avonddiensten;
- aanwijzingen geven voor de lezing van de Brieven van het Nieuwe Testament en de Geschriften van het Oude Testament die in de andere leesroosters onvoldoende of in het geheel niet tot hun recht komen.
Het AL bestaat, zoals gezegd, uit negen ‘jaargangen’ van vier seizoenen en sluit dus niet onmiddellijk aan bij het kerkelijk jaar. Desondanks kan men er moeilijk aan voorbijzien dat op de kerkelijke kalender de lente het seizoen is waarin Pasen wordt gevierd en de winter de tijd die aanvangt met het Kerstfeest. Ieder ‘seizoen’ is verdeeld in dertien zondagen. Met de feesten is geen rekening gehouden. Het ligt voor de hand dat men in de praktijk er wel rekening mee houdt, dat bijvoorbeeld op enige zondag in de lente het Pinksterfeest wordt gevierd.
De negen jaargangen dienen slechts de overzichtelijkheid. Het is niet de bedoeling dit rooster jaren achtereen slaafs te volgen. Men neme in een zeker jaar een seizoen uit één van de jaargangen en het volgende seizoen een andere kolom uit een andere jaargang. Zo ontstaat er vanzelf de nodige afwisseling. Bijvoorbeeld, wanneer men begint met in de lente de Thora te lezen (Exodus-Numeri), kan men in de zomer naar de 6e jaargang grijpen (Galaten/Kolossenzen) of via de 9e jaargang het evangelie van Lucas lezen. Op deze wijze wordt een verbinding gelegd tussen het AL en het GL (respectievelijk OLM en OKL).
Binnen de bijbelboeken die eerst aan een seizoen waren toegewezen, zijn de pericopen slechts globaal afgebakend. Deze betreffen vaak meer dan één hoofdstuk. Men zal dus slechts een kleiner stuk, naar eigen keuze, willen lezen. Ook de toewijzing van hoofdstukken aan een zondag is allerminst dwingend.
De grotere bijbelboeken, met name de vijf boeken van Mozes en de vier evangeliën, zijn meer cursorisch behandeld dan de kleinere. Wil men aan de Thora werkelijk in doorgaande lezing recht doen, dan staat daarvoor de driejarige Thora-cyclus ter beschikking. Deze kan geheel of gedeeltelijk, maar in elk geval voor een langere periode dan dertien zondagen gevolgd worden. De synoptische evangeliën komen in het GL uitvoerig aan de orde. Men kan evenwel het AL gebruiken om andere accenten te leggen of die gedeelten te lezen die anders worden overgeslagen.
Het AL voorziet slechts in één schriftlezing. Het wordt aan de voorgangers overgelaten of dat voldoende is, of in deze leemte zelf te voorzien.
Thora-rooster
De Thora wordt in de aangeboden aanwijzing gedurende een cyclus van drie jaar uitgeschreven langs het liturgisch jaar, waarbij rekening gehouden wordt met de daarin voorkomende feesten, in het bijzonder het Paasfeest. Van de soms tamelijk grote sedarim (pericopen) geldt hetzelfde als hierboven bij het AL is opgemerkt. In de praktijk zal men vaak een korter gedeelte voorlezen. De Psalmen zijn als verkondigings- en antwoordpsalmen op de rij af naast de vijf boeken van de Thora gezet. Of daarmee een historische bedoeling in ere wordt hersteld, is omstreden en onzeker. In de praktijk blijkt de driejarige Thora-cyclus tezamen met de 150 Psalmen echter een goede oefening voor discipline.
In het LL, het GL en de Thora-cyclus wordt aangesloten bij een bestaande praktijk – hetzij bij een eeuwenoude traditie (LL), hetzij bij de ontwikkelingen in de oecumene sinds Vaticanum II (GL), hetzij bij experimentele ontwikkelingen in onze kerken sinds de jaren zeventig (de Thora-cyclus, die op haar beurt geworteld is in de joodse traditie). In het AL is geprobeerd het geheel van de Schrift een plaats toe te kennen binnen de wisseling der seizoenen.
Er is in beginsel nog een ander type leesrooster denkbaar, dat vanuit een meer pastoraal-georiënteerde interesse is opgebouwd uit ‘elementaire’ lezingen, die tot het geestelijke bezit van iedere gelovige zouden moeten behoren. Wellicht kan een dergelijk leesrooster te zijner tijd opgenomen worden in een herzien Dienstboek.