VIII - Het kerkgebouw
Het kerkgebouw
De kerkruimte
'Vieren' kun je overal, in een schuur, in een vergaderruimte. Toch blijkt in de geschiedenis dat mensen die voor de eredienst, de ontmoeting met de Heer van de Kerk, bijeenkomen 'meer wensen'. Dat ‘meer’ heeft kerkruimten doen ontstaan, ruimten voor de samenkomst van de gemeente, kerkruimten waarin is getracht functionele en emotionele aspecten te combineren. Deze vloeien voort uit en verwijzen naar de emotie van het gezamenlijk beleven van het grote geheim dat in de verkondiging van de Schriften en in de viering van de Maaltijd des Heren, in lofzang en gebed gestalte krijgt. Het kerkgebouw moet naar ruimte en tijd die ontmoetingen met God en met de mensen met elkaar verbinden. Bij het gebruik dat van de ruimte gemaakt worden gaat het om de vraag: hoe 'woont' de gemeente in haar eredienst en in de ruimte die daarvoor wordt gemaakt. Juist bij die inzet kunnen fundamentele vragen aan de orde komen: waarom een open of juist een besloten ruimte? Wat zijn de concentratiepunten? Zijn de stoelen en de banken doel of hulpmiddel? Hoe wordt ruimte geboden aan een gewenste beweeglijkheid? Wil of kan de gemeente zich om de doopvont scharen? Heeft de lezenaar en/of preekstoel voldoende relatie met de daaromheen gezeten gemeente? Is rekening gehouden met de kring rond de tafel of kiest een gemeente voor een zittend of een lopend avondmaal en kan dat dan ook? Vindt een cantorij zijn plaats in de kring van de gemeente of er tegenover? Het zijn evenzovele vragen – en er zijn er nog veel meer –die aan de orde komen als de vierende gemeente de inzet is van de in te richten kerkruimte. Kerkbouw is gemeente-opbouw!
Liturgisch centrum
In de jaren vijftig wordt het zogenaamde liturgisch centrum ontdekt, zowel in nieuw gebouwde kerken als in die gebouwen die een opknapbeurt kregen. In feite dekt deze betiteling 'liturgisch centrum' geen ander verschijnsel dan dat er sprake is van een soort podium, waarop het benodigde liturgisch meubilair in enigerlei verband is geplaatst. Naast de kansel een lezenaar, een avondmaalstafel die de meeste zondagen dienst doet als 'werktafel', en een doopvont met paaskaars completeren de aankleding van het liturgisch centrum. De laatste is dan nogal eens een moeilijk inpasbare sta-in-de-weg. Soms ook worden de attributen zoals het avondmaalsgerei iedere kerkdienst uitgestald. Is dat niet een symbool van een symbool? Het lijkt erop dat het dan niet zinvol kan functioneren als werkzame verwijzing naar de viering van de Maaltijd des Heren.
De eerste vraag is steeds hoe in de eredienst de gemeente de verschillende onderdelen van de dienst op een eigenlijke wijze gestalte kan geven en daaraan kan deelnemen rond doopvont, kansel/lezenaar en altaartafel. In elk geval zal elke gemeente die voor de vraag van (her)inrichting van haar kerkgebouw wordt gesteld zich realiseren, dat een tweedeling tussen een stoelen/banken-pakket en een quasi sacramenteel podium weinig ruimte biedt aan de verlangde beweeglijkheid van de eredienst. Op deze wijze kan ook recht worden gedaan aan de wijze waarop de gemeente zich rond doopvont, schrift en tafel wil scharen.
De doopvont
De doop vindt plaats 'in het midden van de gemeente'. Dit zegt uiteraard iets over het karakter van de bediening van de doop: inlijving in het Lichaam van Christus. Dat kan ook zo letterlijk mogelijk worden verstaan als een plaatsbepaling waarbij de gemeente geen toeschouwster is, maar een actieve doopgetuige. De doop vindt dan ook plaats zowel in de paasviering als in de daaruit voortvloeiende zondagse eredienst. Vanuit deze overwegingen kan de doop letterlijk en figuurlijk 'op de drempel' van eredienst en kerkgebouw plaats kan vinden. Maar ook kan de doop worden bediend na de Schriftdienst, die dan als toeleiding en 'lering' kan gelden: daar waar geloofsbelijdenis en gebeden hun plaats vinden. Zowel op de drempel van de dienst als na de Schriftdienst zal de gemeente als geheel 'om de dopeling(en) heen staan': zij is immers doopgetuige. Een goede plek voor de doopvont is dus daar waar de gemeente een grote kring rond dopeling en doopvont kunnen vormen. Is dat niet mogelijk, omdat de kerkruimte te klein is of omdat er vele kerkgangers zijn, dan is het soms onvermijdelijk dat de vont op een enigszins verhoogde plaats staat, hoewel de doopsymboliek eerder om een afdalen dan om een verhoging vraagt. Een definitieve plaats voor de doopvont is niet strikt noodzakelijk. Dit betekent dat een doopvont verplaatsbaar kan zijn. Wel zal een doopvont steeds bij de eredienst steeds in de kerk aanwezig zijn als teken van de doop en de doopgedachtenis, waardoor Christus zijn gemeente nodigt bij Hem kind aan te huis te willen wezen.
Lezenaar en/of kansel
De lezenaar en de kansel hebben met name een functie bij de dienst van de Schrift: van daaraf wordt de Schrift gelezen en uitgelegd. De lezenaar is daarbij geen afgeleide van de kansel, eerder is het omgekeerde het geval. Ook kunnen de gebeden vanachter de lezenaar worden gezegd. Daarnaast wordt de lezenaar benut voor een aantal activiteiten die niet tot de eredienst in strikte zin behoren: afkondigingen, enzovoort. De volgende handelingen kunnen vanaf de lezenaar plaatsvinden:
- mededelingen (deze kunnen ook vanuit het midden / te midden van de gemeente worden gedaan en zijn dan niet noodzakelijk aan de lezenaar gebonden);
- bemoediging en gebed van toenadering;
- lezingen uit de bijbel;
- de verkondiging.
Omdat de hierboven omschreven onderdelen een zelfstandige plaats in de eredienst hebben en in eerste instantie niet met de tafel en de maaltijd zijn verbonden, heeft de lezenaar en/of kansel een eigen plaats in de kerkruimte. Over de lezenaar kan een antependium worden gehangen. Ook leeslinten in de bijbel zijn behulpzaam bij het opslaan indien er meerdere lezingen plaatsvinden.
De tafel
De avondmaals- of altaartafel neemt, tezamen met kansel en/of lezenaar en doopvont een centrale positie in. De feitelijke plaats is daarbij sterk afhankelijk van architectuur en indeling van de kerkruimte. Vanuit de viering van de Maaltijd des Heren is van belang dat de tafel een eigen plaats heeft met voldoende ruimte daaromheen, zodat de gemeente staand of zittend – een kring kan vormen of bij een lopende viering de gemeente ordelijk kan komen en gaan. Ook de zichtbaarheid van de tafel als teken van de Heer die in het midden van de gemeente aanwezig wil komen in de gestalte van brood en wijn, is van belang als aandachtspunt voor de gemeente tijdens de eredienst. Vanuit de verbondenheid van de dienst van de Schrift en de Maaltijd van de Heer is dan ook te pleiten voor een vaste opstelling van de avondmaalstafel, ook op zondagen waarop het avondmaal niet wordt gevierd.
Aandachtspunten bij het gebruik van de tafel
Over de tafel kan een kleed of een antependium worden gelegd, waarmee de kleur van het kerkelijk jaar of de specifieke gebeurtenis wordt aangeduid. Bij de viering van de Maaltijd van de Heer is de tafel wit gedekt.
De gebeden worden vanachter de tafel gezegd. Zo wordt een verbinding gelegd met de voorbede en de gaven die eveneens hier plaats vinden.
Als de diaconale gaven van de gemeente worden gezien in relatie met de gaven van brood en wijn, dan kunnen zij – al dan niet met gebed – op de tafel worden gelegd.
Schaal en beker hebben een functie bij de viering van de Maaltijd des Heren. Wanneer zij buiten de viering op tafel staan, zijn zij meer getuige van wat ontbreekt dan verwijzing naar wat komen gaat. Het is dus een vraag, in hoeverre de plaatsing van schaal en beker als symbool iets toevoegt aan het beeld dat de tafel zelf reeds oproept.
Een zeer bescheiden lezenaar, bijvoorbeeld van plexiglas, ten behoeve van het Dienstboek kan bij de tafelviering en/of de gebeden schuin links of rechts van de voorganger/voorbidder worden geplaatst. Het midden van de tafel blijft de plaats voor brood en wijn.
De bijbel vindt geen plaats op tafel, althans niet om daar uit te lezen. De eigen plaats is de lezenaar of de kansel. In sommige tradities wordt de bijbel gesloten op tafel gelegd wanneer daar niet uit gelezen wordt: een plaats waar hij met eerbied rust.
Twee of meer kaarsen op of naast de tafel worden ontstoken als een teken dat het samenzijn van de gemeente wordt toegewijd aan de Heer.
De tafel is een nadrukkelijk aandachts- en concentratiepunt. Daarom zal de inrichting ervan altijd ordelijk en sober zijn. De tafel is zeker geen plaats waar de voorganger de (on)nodige boeken even neerlegt. Daarvoor kan beter ruimte in of bij de lezenaar worden gemaakt.
De cantorij en het orgel
Naast het strofelied is in de afgelopen decenniën in het spoor van de liturgische ontwikkelingen een brede stroom van beurtzangen binnen het bereik van de gemeente gekomen. Deze kunnen worden gezongen in wisselzang van groepen gemeenteleden, of van cantor/cantorij en gemeente. Mede door deze ontwikkelingen is een cantorij in vele gemeenten niet meer weg te denken. Een directe relatie tussen gemeente, cantorij en orgel is hierbij een absolute voorwaarde.
Gezien deze relatie dient aan de plaats van het orgel in de kerkruimte zorgvuldige aandacht te worden gegeven. Het orgel heeft allereerst een liturgische functie. Het is, zoals gezegd, direct verbonden met het zingen van de gemeente in al haar geledingen. Het gaat om de begeleiding van de gemeentezang en de cantorij. Zo heeft het orgel een eigen functie gekregen als het erom gaat allerlei bewegingen in de dienst te begeleiden of te ondersteunen. Daarnaast en daarin dient het orgel om het brede repertoire van muziek tot klinken te brengen als een onmisbare bijdrage aan de eredienst. Datzelfde geldt overigens ook voor de vele muziekinstrumenten die gebruikt kunnen worden.
Dit alles betekent dat wij er niet meer mee kunnen volstaan een orgel ergens boven de gemeente op te hangen, zodat de organist geen direct oog- en oorcontact met voorganger, cantor, cantorij en gemeente kan onderhouden. Verder moet de opstelling van het orgel op een liturgisch centrum ten sterkste worden ontraden. Doopvont, avondmaalstafel en lezenaar en/of kansel zijn elementen van het liturgisch meubilair die de gemeente bij de centrale liturgische handelingen van doop, Schriftverkondiging en de Maaltijd van de Heer bepalen. Het orgel en de cantorij voegen zich in het geheel van de gemeente die rond doopvont, lezenaar en tafel is geschaard.
Kleuren
De verbinding van specifieke kleuren met de seizoenen en feesten van het liturgisch jaar, vindt haar achtergrond zowel in algemene overwegingen vanuit de betekenis en werking van kleuren als in meer bijbelse overwegingen. Vanuit de eerste optiek wordt bijvoorbeeld rood met bloed verbonden; geel met energie; wit met zuiverheid; goud, als intensivering van wit, met feest; purper met waardigheid ; groen met groei; lichtblauw met hoop; donkerblauw, paars en zwart met inkeer, wanhoop en rouw.
De eerste verwijzing naar specifieke kleuren in de kerk betreft de kleur van de doop: de witte gewaden waarmee de dopelingen na hun doop worden bekleed. Het is dan ook de kleur bij uitstek voor een liturgisch gewaad: het tekent het priesterschap van alle gelovigen en kan dus elk gemeentelid gedragen worden. De insignes (bijvoorbeeld stola’s) die eigen zijn aan ambt of bediening, kunnen daarop worden aangebracht. Deze volgen de kleur van de dag.
Ook de antependia op lezenaar en avondmaalstafel en de leeslinten in de bijbel volgen de kleuren van het liturgisch jaar.
Zie voor nadere uitleg en de in de kerken in Nederland thans gebruikelijke kleursymboliek het hoofdstuk 'Liturgische kleuren'.
Kaarsen
Kaarsen in de kerk zijn het symbool van Christus, die zich het Licht der wereld noemde (Joh. 8: 12). Omdat Pasen het hart van het gedachtenisjaar van de kerk betekent, staat in veel kerken een paaskaars. Deze is allereerst het symbool van de opgestane en verheerlijkte Verlosser. De paaskaars vormt een herinnering aan de opdracht van iedere gelovige ‘licht in de Heer’ te zijn: ‘Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heer; wandelt als kinderen des lichts’ (Ef. 5: 8). En ten slotte verwijst de paaskaars naar de brandende lamp waarmee wij de Heer bij zijn komst tegemoet gaan (Mat. 25: 1-13). De paaskaars staat bij de doopvont: met Christus worden wij begraven om met Hem te worden opgewekt tot nieuwheid des levens (Rom. 6: 4). Op of naast de avondmaalstafel staan kaarsen, evenals soms bij de lezenaar: in de Schriften en bij de Maaltijd van de Heer verspreidt zich het licht waarbij wij leven.
Bloemen
Bloemen horen bij de aanbidding en het feest van de liturgie. Salomo versierde de tempel in Jeruzalem met bloemen in de knop van hout en goud. (1 Kon. 6: 29, 32, 35). Maar de geurende, levende frisheid van de bloem is niet te vervangen. In de bijbel is de bloem bij uitstek een symbool van vergankelijkheid. Bloemen verwelken, vallen af en vergaan ‘en haar plaats kent haar niet meer’. In de Bergrede zegt Jezus: Let op de leliën des velds, hoe zij groeien en hoe God ze in al hun kortstondigheid bekleedt met een pracht waar die van Salomo bij verbleekt. Mensen zijn als bloemen; het leven is kort, maar dat is geen reden om niet te groeien en te bloeien in Gods hof.
Door bloemen in de kerk te halen, stellen wij schoonheid in dienst van de aanbidding. Bloemschikken is bloemen ordenen voor hun dienst. Bij voorkeur blijven de bloemen door de week in de kerk voor wie daar komt om te bidden en een plaats van stilte en inkeer zoekt. Als dat niet mogelijk is, is een goed alternatief ze te brengen naar een zieke of iemand die een blijde gebeurtenis viert.