VI - Liturgische taal
Liturgische taal
De taal waarin mensen met elkaar verkeren, kan niet worden verstaan los van de gemeenschap die haar gebruikt in haar onderlinge verkeer. Zo is de liturgische taal de taal van de kerk die eredienst viert: een kerk die door de eeuwen heen zichzelf ziet als de gemeente van Christus, aan wie het is toevertrouwd de lofzang en het getuigenis gaande te houden. De gemeenschappelijke taal veronderstelt een gedeelde wereld van geloof. Deze gedeelde geloofswereld wordt gevoed en gebouwd door taal waarin God en mensen met elkaar verkeren. Deze taal ontspringt aan de heilige Schrift. Het zijn de woorden van Godswege gesproken worden. Om dat te onderstrepen kan elke schriftlezing besloten worden met de woorden: 'Zo spreekt de Heer', zoals in de orden staat aangegeven. Het antwoord van de gemeente 'Wij danken God' zegt in één adem wat het hart van eredienst is: God te prijzen. De taal waarin de mens op zijn beurt omgang zoekt met God en de naaste, in en buiten de eredienst, zegt iets over de aard van die mens. Muus Jacobse zegt het zo: 'Zo vaak ik woorden voor U vond, heb ik mij in mijn woord vermomd' (Lied 944). Liturgische taal is dus allereerst geloofstaal. Zij bedoelt allereerst de kern van het bijbels-christelijk geloofsverstaan vast te houden en te confronteren met ieder actueel geloofsverstaan. Vervolgens is ze een specifieke geloofstaal, omdat het gaat om een sobere en geconcentreerde, poëtische en symbolische verwoording van de geloofsgeheimen. Ten derde is de liturgische taal een vorm van geloofstaal die dient om in de eredienst hardop te worden gesproken en gezongen. Slechts daar komt zij tot haar recht. Zij is geheel en al gebonden aan de samenkomst van de gemeente, in kerk en huis. Dit is haar beperking en haar kracht.
De taal van de eredienst is te onderscheiden in een aantal aspecten van de omgang tussen God en de gemeente.
In de aanbidding van de gemeente wordt God beleden als de Gans Andere. Een teken van deze aanbidding is te vinden in acclamaties uit de Openbaring van Johannes. De gemeente in hemel en op aarde is verenigd in de lofzang voor Gods troon. Wij raken hier direct al aan de grenzen van de taal: muziek die de aanbidding verder draagt dan woorden reiken. De taal van de aanbidding brengt een eerbetoon aan de overweldigende heerlijkheid van God en bezingt Gods verbazingwekkende liefde voor zijn schepping. Soms kan deze aanbidding overgaan in een welsprekende stilte.
De lezing van de heilige Schrift en de prediking proclameren het woord van God. Hun taal roept verwondering op en opent de oren van de hoorders voor de creativiteit van Gods openbaring. Onze vanzelfsprekendheden worden doorbroken.
In haar dankzegging looft de gemeente God om zijn genadig handelen met deze wereld in Christus. In die zin is de dankzegging tegelijkertijd een belijdenis van het geloof. De taal van de dankzegging heeft eveneens het karakter van een proclamatie.
De eredienst is de plaats waar woorden worden gevonden voor de toewijding. Het gaat daarin om de taal van de diepste persoonlijke relaties: vertrouwen, schuld en vergeving, vragen om ontferming en uitzicht. De taal van de toewijding is expressief: wat wordt gezegd geschiedt, wat tot dan toe niet werd gezegd was nog niet aan het licht gekomen.
Voorbede en plaatsbekleding vragen om de meest directe verbinding tussen de liturgische taal van de gemeente en de taal van krant en televisie, de taal van alledag. Oorlog en vrede, honger en overvloed, werk en werkloosheid worden in de tegenwoordigheid gebracht van Gods ontferming en de verwachting van zijn rijk.
De laatste karakteristiek van de liturgische taal is dan ook die van de verwachting. De taal van de eredienst is visionair. Messiaanse beelden bepalen in hoge mate de taal van de gemeente.
De taal van de eredienst maakt deel uit van een breder taalveld waarin de gemeente leeft. De sociale en culturele context van de kerk is mede bepalend voor de wijze waarop de taal van de eredienst kan worden gesproken en gehoord. Deze context is het best in beeld te brengen door enkele invalshoeken of spanningen te benoemen.
De taal van de kerk is traditioneel in die zin dat zij in gedachtenis roept wat is geschied. Dat is geen vrijbrief voor archaïsmen. Evenmin is de opdracht tot actualiseren een uitnodiging tot eendimensionaal taalgebruik. Altijd houdt liturgische taal een verwijzend karakter. Zij biedt ruimte om in ieders leven gehoord en beleefd te worden.
De verschillen in niveau en stijl van opvoeding en opleiding, sociale en culturele ervaringen vormen zo mogelijk een nog grotere moeilijkheid voor de onderlinge communicatie in de eredienst dan de tegenstelling tussen traditioneel en hedendaags taalgebruik.
De universaliteit van God in schepping en verbond, bevrijding en verwachting schept verplichtingen ten aanzien van de inclusiviteit van de taal van de eredienst. De gezamenlijkheid van mannen en vrouwen stelt kritische vragen aan het veelal masculiene beeld- en taalgebruik ook in de eredienst. Uitgangspunt bij het oproepen en beantwoorden van de vragen die hier rijzen, is het gegeven dat de eredienst een sterk dialogisch karakter draagt. Dat wil in dit geval zeggen dat alle beelden die worden opgeroepen alleen in gesprek met andere beelden hun eigen rol kunnen spelen. Daarbij valt te bedenken dat als specifiek mannelijk of vrouwelijk ervaren beelden veelal sterk historisch bepaald zijn. Ook hier moet de beeldtaal van de eredienst veelal opnieuw worden gevonden en getoetst.
In de eredienst is de geschreven taal altijd hulpmiddel: allereerst om de gezamenlijkheid te stimuleren en te bewaren, vervolgens om als uitgangspunt te dienen voor de ontwikkeling van de eigen geloofstaal. De consistentie en de soberheid van de taal spelen daarbij een belangrijke rol. Beelden dienen onderlinge samenhang te vertonen, opdat de hoorder zich de beeldvorming eigen kan maken en erbij kan verwijlen. Zo kan de taal van de eredienst bijdragen aan de vorming en verandering van geloof en gedrag. Voorgegeven taal, bijvoorbeeld in de gebeden, en vrije improvisatie sluiten elkaar daarbij niet uit, maar veronderstellen elkaar en kunnen niet zonder elkaar. Juist hiertoe wil dit DIENSTBOEK een handreiking bieden om het zoeken en vinden van geloofswoorden in de gemeente te stimuleren.