VII - Riten en symbolen
Riten en symbolen
De manier waarop in de eredienst uiting wordt gegeven aan houdingen en handelingen brengt iets tot uitdrukking van de geloofsovertuiging van de gemeente. De vormen waarin de eredienst gestalte aanneemt, zijn een reactie op de overtuiging dat God ons in de eredienst handelend tegemoet treedt en met ons in zijn huis wil verkeren. Wij vieren de eredienst met heel ons lichaam, en niet alleen met hoofd en hart, zoals in Psalm 95 staat:
Komt, maakt thans muziek voor de Heer...
Treden wij voor zijn aanschijn met lofzang...
Nadert, buigen deemoedig wij neer,
knielen wij voor de Heer die ons maakte.
Houdingen
De houdingen die ons worden aangereikt, zijn het gaan, staan, buigen, zitten of knielen. Het opgaan naar Jeruzalem, zoals dat in de Psalmen van de opgang (120-134) wordt bezongen, beeldt de weg uit van de gemeente die optrekt naar het huis van de Heer. Tegelijk ook is het een uitdrukking van de pelgrimage naar het beloofde land, het koninkrijk der hemelen. Voor de gedoopte gemeente is het recht staan voor de Heer een van de belangrijkste houdingen. Het is de gebedshouding van synagoge en kerk. De handen zijn daarbij geheven, open naar boven. Het is een houding die de bereidheid tot horen en gehoorzamen uitdrukt (Ez. 2: 1). Staan verwijst ook naar de opstanding van de Heer, waarin wij door de doop mogen delen. Buigen is een teken van ontzag, eerbied en erkentelijkheid. Het knielen heeft de betekenis gekregen van schuld belijden en smeken. Het is een teken van ootmoed en van concentratie. In het persoonlijk geloofsleven is het vooral een teken van gebed en aanbidding geworden. Zitten is een teken van rust, om actief te kunnen luisteren of om vanuit de innerlijke rust te komen tot persoonlijk gebed. Zitten is een goede luisterhouding.
Een dienst van de Schrift en de Maaltijd van de Heer wordt gekenmerkt door een eigen dynamiek waarin houdingen en handelingen samen opgaan. De bewegingen in de dienst geven afwisselend en in onderlinge samenhang uitdrukking aan een 'gaan' en een 'verzameld-zijn-rondom'. Altijd zijn het bewegingen die uitgaan van de gehele vierende gemeenschap. Wanneer bijvoorbeeld bij de doop wegens ruimtegebrek niet allen, maar alleen ouders, doopgetuigen, kinderen en voorgangers om de doopvont kunnen staan, zal toch de gezamenlijkheid beleefbaar moeten worden gemaakt. Dit kan doordat de gemeente staat wanneer de dopelingen zich onder een lied rond de doopvont scharen. Ook staat heel de gemeente wanneer zij als doopgetuige antwoordt op de betreffende vraag en wanneer de bediening van de doop wordt besloten met een gezongen lofprijzing.
Handelingen en houdingen
In de dienst van de Schrift en de Maaltijd van de Heer komen wij diverse handelingen en houdingen tegen.
Gedurende de intrede zal de gemeente staan. Als het kerkgebouw daartoe de ruimte biedt, kan de intrede daadwerkelijk beginnen op de drempel met een gebed van toenadering. Gaandeweg trekt de gemeente dan zingend naar haar plaatsen rond Schrift en Tafel. In het gaan of staan wordt ook de ontmoeting met de Levende tot uitdrukking gebracht: voor zijn Aangezicht komen wij samen. Het hart van de intrede is het opgaan met de heilige Schrift. Daarin immers roept de Aanwezige ons tot leven. Dit betekent dat ook de Bijbel meegedragen en op een eigen plaats neergelegd kan worden. Als men geen apart accent wil leggen op de intrede van de voorgangers, kunnen deze voorafgaand aan de dienst hun plaatsen innemen.
Wanneer de voorganger de gemeente groet, kan hij/zij met beide handen het gebaar van de geopende handen maken. Het is hetzelfde gebaar als de gebedshouding: wij staan open voor God en voor elkaar.
Bij het horen naar de Schriften zal de gemeente zitten. Behalve wanneer zij, zoals bij de lezing van het evangelie, een accent wil leggen op het begroeten van de opgestane Heer in ons midden. Dan staat zij op als begroeting en teken van eerbied.
De gebeden worden ofwel zittend, knielend of staand gebeden. Het is lang gebruikelijk geweest in ieder geval in de paastijd staand te bidden: teken van dankzegging aan de opgestane Heer. Knielen is, zoals hierboven beschreven, een teken van smeken. Ook dat kan een zinvolle gebedshouding zijn. Onze kerkgebouwen kennen veelal geen andere mogelijkheid dan staan of zitten. De vraag is steeds opnieuw hoe de gemeente haar geloofshouding ook in de lichaamstaal tot uitdrukking kan en wil brengen.
De vredegroet als teken van verbondenheid kan op allerlei wijze uitgewisseld worden: een handdruk, een kus, een omhelzing. Het gaat daarbij om mensen die elkaar in de ogen mogen zien en elkaar een handreiking doen om Christus’ wil. Het is in veel gemeenten een ongedwongen en veelzeggend teken van wederzijdse vergevingsgezindheid en van gemeenschapsoefening geworden.
De inzameling van de gaven verwijst, als het diaconale gaven betreft, naar de viering van de Maaltijd van de Heer. De gaven worden dan ook niet alleen ingezameld, maar ook naar de avondmaalstafel gebracht. Indien het avondmaal daadwerkelijk wordt gevierd, geschiedt dit samen met de gaven van brood en wijn. In een kerkgebouw waar de gemeente voor de viering van het avondmaal naar het koor van de kerk trekt, kunnen de gaven worden ingezameld aan de ingang van het koor en zo - bij wijze van spreken - door de gemeente zelf op tafel worden gelegd.
Met de gaven van brood en wijn, die zijn afgezonderd uit de diaconale gaven, vindt de toebereiding van de tafel plaats. Brood en wijn vormen het midden van de tafel. Bij een zittende viering staan aan de uiteinden, indien gebruikelijk, de schalen voor de diaconale gaven van de gemeente. Deze worden eveneens bij het aangaan aan de tafel ingezameld. Behalve brood en wijn, collecteschalen, kaarsen en eventueel bloemen, bevindt zich niets anders op tafel. Deze is immers het draagvlak van al datgene waarmee de Heer ons in zijn leven en in het leven van elkaar doet delen, een middelpunt van feest, bron en oorsprong van onze dienst in de wereld. Een dienstboek van de voorganger ligt schuin terzijde, opdat het handelen met brood en wijn niet belemmerd wordt. De gemeente moet gedurende de gehele viering van het Avondmaal het oog gericht kunnen houden op brood en wijn: zij zijn de tekenen waarin de Heer tot ons komt.
Er zijn verschillende vormen waarin het avondmaal gevierd kan worden: zittend rond de tafel, staand in een kring en gaande naar de tafel. Alle leggen daarbij hun eigen accenten. De tafel van de gemeenschap in het koninkrijk der hemelen, de kring van de tafelgenoten of de pelgrimerende gemeente die haar teerkost voor onderweg ontvangt. Het zijn alle goede mogelijkheden. Een gemeente kan al naargelang de tijd van het liturgisch jaar of de gelegenheid kiezen voor de vorm waarin zij de Maaltijd van de Heer wil vieren. Zo kunnen ook meerdere avondmaalsbelevingen hun plaats in het gemeenteleven (her)vinden. Alleen indien het kerkgebouw geen andere mogelijkheden biedt, is een communie die aan de gemeente op haar zitplaatsen wordt rondgereikt te aanvaarden. Deze wijze van communiceren biedt geen van de drie genoemde aspecten die eigen zijn aan de gemeenschap-stichtende werking van het Avondmaal.
Tijdens de viering van de Maaltijd van de Heer worden de vier kernhandelingen van het avondmaal nadrukkelijk met het handelen van voorganger en gemeente verbonden. Deze handelingen zijn: nemen, danken, breken en delen. Daarbij worden nemen en danken verbonden, terwijl ook breken en delen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het nemen en danken worden in het avondmaalsgebed tot uitdrukking gebracht als de voorganger bij de instellingswoorden achtereenvolgens het brood en de beker met wijn in handen neemt, zo dat de gemeente deze handeling kan zien. Het brood wordt dan echter niet gebroken, evenmin als er op dat moment wijn in de beker wordt gegoten. Iedere suggestie die wijst in de richting van het nabootsen van de handeling van Jezus dient vermeden te worden. Het gaat om het beleefbare samengaan van de dankzeggende gedachtenis met het oog op de tekenen van brood en wijn. De gebedshouding van de voorganger (en de gemeente) is die van de geopende handen (zie boven). Na het tafelgebed wordt het brood gebroken, de wijn in de bekers uitgegoten. Tijdens deze handelingen zingt de gemeente een begeleidend gezang, bv. het ‘Lam Gods’. Breken en uitgieten gaan terstond over in het delen van brood en wijn. De meest eigenlijke vorm van communie is wanneer het brood voortgaande door kerkenraadsleden of gemeenteleden voor elkaar gebroken wordt. Hierbij kan het accent ten volle komen te liggen op het ontvangen en daarom niet het zelf nemen. De geopende hand wordt daartoe uitgestrekt, die dan wordt ondersteund door de andere hand. Daarna zal men met de ondersteunende hand het brood naar de mond brengen. Kinderen die nog niet deelnemen aan het Avondmaal kunnen de handen worden opgelegd met een zegenspreuk. Zo delen zij in het fundamentele teken van de kring rond de tafel.
Het resterende brood en de wijn zijn met name bedoeld om te worden gedeeld met wie niet in het kerkgebouw aanwezig kunnen zijn. Daartoe gaan kerkenraads- en gemeenteleden twee aan twee de gemeente rond. De viering wordt dus als het ware voortgezet in de huizen van de gemeenteleden. Naast een kort voorbereidingsgebed en het Onze Vader zullen dus alleen de uitdelingswoorden worden gesproken. Wanneer het Avondmaal aan huis wordt bediend zonder dit deze aansluit op de zondagsviering zal een korte orde worden gebruikt. Een van de korte avondmaalsgebeden uit het Dienstboek is daartoe geschikt.
Bij de zending en de zegen staat de gemeente. De gebruikelijke houding van de voorganger is dat deze de handen uitspreidt over de gemeente. Het is het gebaar van de handoplegging, dus met de handpalmen naar beneden.