Meditatie over het Avondmaal
Kort voor zijn heengaan heeft Jezus
in het houden van een maaltijd met zijn leerlingen
uitdrukking gegeven aan zijn laatste bedoelingen.
Hun heeft Hij opdracht gegeven
om dat op dezelfde wijze te blijven doen
na zijn heengaan.
De maaltijd heeft altijd en overal
voor de mensheid
een eigen taal gesproken.
Vooral feestelijke en bevrijdende gebeurtenissen
worden bij voorkeur met een maaltijd gevierd.
De maaltijd die Jezus stichtte,
sprak naast deze algemeen menselijke taal
vooral de taal van het Oude Testament.
De weg van God met Israël
loopt van de ene naar de andere maaltijd:
van de Paschamaaltijd
– de jaarlijks herdachte bevrijding uit Egypte –
naar de maaltijd van de grote toekomst,
wanneer de HEER op de Sion zijn feestmaal aanricht.
Met Jezus was die toekomst begonnen,
juist voor mensen die er niet op hadden kunnen hopen.
Zichtbaar werd dit met name bij maaltijden
waar Jezus aanzat samen met tollenaren en zondaren.
Tijdens de laatste maaltijd vóór zijn dood,
voegde Jezus aan de gewone ingrediënten van de maaltijd,
brood en wijn,
de nieuwe heilsbetekenis toe
van zijn ophanden vrijwillige dood.
Alle verhalen over ontmoetingen van Jezus na de opstanding
staan in het teken van de maaltijd.
Van nu af aan
gaat ook de weg van Christus’ gemeente
van maaltijd tot maaltijd.
In het vieren van de maaltijd
grijpt zij vooruit op de maaltijd
van de voltooide vreugde en gemeenschap.
Tegelijk kijkt ze terug
naar de weg van Jezus
waarin haar die toekomst ontsloten is.
En ze weet dat haar nu verhoogde Heer
in de Geest
als de gastheer van haar vieringen
tegenwoordig blijft.
Deze maaltijd
is de meest omvattende uitdrukking van het heil.
In een telkens herhaalde verbondsvernieuwing
ligt heel de heilsweg geconcentreerd voor ons.
Het verleden van Christus’ offer,
de toekomst van het rijk van God
en het heden van de tegenwoordigheid van Christus in de Geest
komen erin samen.
Tevens valt hier
de gemeenschap met God samen
met de gemeenschap
van de leden van het Christus-lichaam onderling.
In deze viering
kijken we tegelijk terug en vooruit,
tegelijk naar boven (naar de verhoogde Heer),
rondom ons (naar de mensen)
en vóór ons (naar de tafel met de tekenen van brood en wijn).
De verbondsweg van kruis en opstanding,
van berouw en vergeving,
van zelfverloochening en verrijzenis
wordt ons steeds opnieuw voorgetekend.
Daarom heerst aan deze tafel een dubbele stemming:
van schuldbesef en schroom enerzijds,
van bevrijding en uitzicht op de toekomst anderzijds.
Maar het tweede heeft de overhand op het eerste.
De gemeente beseft de prijs
die haar Heer heeft moeten betalen
en durft toch op zijn gezag dit feest te vieren.