32 ‘Naar U zijn wij op weg’
Vader,
naar U zijn wij op weg.
Wij danken U voor uw liefde,
die zin en richting geeft aan onze pelgrimstocht.
Gij zegent ons met uw goddelijke onrust.
Gij houdt ons af van valse tevredenheid.
Gij laat ons wegen gaan door donkere diepten,
ook als wij ons daarvoor niet sterk genoeg voelen.
Gij ondersteunt ons door mensen die ons begeleiden,
die ons sterk maken als wij zwak zijn,
die ons troosten en bemoedigen,
als wij denken niet meer verder te kunnen.
Wij danken U voor allen
die vóór ons op weg gegaan zijn naar U toe:
voor Abraham en Sara,
voor Mirjam en Mozes,
voor David en Ester.
Maar wij danken U vooral voor Hem
die zo hartstochtelijk met ons op weg is:
Jezus Christus.
Hij is een licht op ons pad.
Hij opent ons de ogen
en sterkt ons met zijn gaven,
opdat wij in zijn voetspoor kunnen treden.
In de nacht voordat Hij stierf,
nam Jezus brood en dankte U, Vader.
Hij gaf het aan zijn vrienden
als voedsel voor onderweg
en Hij zei:
Neemt en eet, gij allen.
Dit is mijn lichaam, voor u gegeven.
Daarop nam Hij een beker wijn
en dankte U opnieuw.
Hij gaf hem aan zijn vrienden
als drank voor onderweg
en Hij zei:
Neemt en deelt hem met elkaar.
Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed
dat voor u en alle mensen is vergoten,
opdat de schuld vergeven wordt.
Doet dit opdat Ik u nabij zal zijn.
Zo danken wij U, Vader,
voor de woorden en het voorbeeld van Jezus
die ons is voorgegaan.
Door zijn leven leert Hij ons te geloven in U
en de pelgrimstocht van het leven te wagen.
Door zijn dood biedt Hij ons uitzicht,
ook wanneer alles ons ontvalt.
Door zijn opstanding maakt Hij ons uw liefde bekend,
uw liefde die allen vernieuwt.
Vader,
zend ons uw Geest,
opdat wij op uw weg
licht voor onze ogen hebben,
kracht voor onze leden
en vrienden op de anders zo eenzame weg.
Geef dat wij U zoeken,
U ontmoeten en U kennen,
als wij onze weg gaan.
Dat bidden wij door Jezus Christus
die onze weg is naar U toe.
Amen.
Hierna volgt het Gebed des Heren (bladzijde 169-170)