22 ‘Wij zegenen U, o Koning Zebaôth’
De HEER zal met u zijn!
De HEER zal u bewaren.
Verheft uw harten!
Wij hebben ze tot de HEER geheven.
Zegenen wij de HEER, onze God!
Goed is het en passend!
Ja waarlijk, goed is het en passend,
dat wij U zegenen, o Koning Zebaôth,
die groot zijt boven alle goden en machten,
die troont in uw hof, heerlijker dan Salomo,
die uw wijsheid en uw gratie
vermenigvuldigt over de aarde,
die uw Woord zaait
en liefde oogst van akker tot akker,
vrucht van uw Geest;
die de onderste wateren bevolkt met eerbied
en de kruinen der bomen met vrolijkheid!
Daarom, met alle levende ziel
in de diepte beneden
en in de hoogte hierboven,
willen wij U dienen en lofzeggen
en van geen ophouden weten,
en wij zingen U toe:
Heilig, heilig, heilig,
HEER God van alle machten.
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in de hoge.
Gezegend Hij die komt in de naam van de HEER.
Hosanna in de hoge.
U, HEER-God,
die de hemelen en de aarde hebt geschapen
met alles wat daarin is,
en die de mens hebt gemaakt
in uw beeld en tot uw gelijkenis, –
U zegenen wij
om uw Woord, dat Gij geplant hebt in ons midden,
Jezus Messias,
zaad van Abraham, zoon van David,
uw Eerstgeborene,
die gehoorzaamheid heeft betoond
naar de lering van Mozes
van ganser harte, met al zijn verstand,
met heel zijn ziel.
Zo heeft Hij al uw beloften bevestigd
en ons binnengeleid in het groene land
dat overvloeit van melk en honing;
daar heeft de Wijsheid van voor alle tijden
haar huis gebouwd en haar tafel toegericht,
het brood bereid en de wijn gemengd.
Wij zegenen U om uw Zoon, uw onvolprezen gave,
in wie gegeven is
al wat Gij ons wilt schenken
en al wat U toekomt van onze hand, –
zo zijt Gij God-met-ons,
in Hem die alles heeft welgedaan,
die de bedrukten heeft opgericht,
de zieken genezen
en de hongerigen gespijzigd,
voor wie het geen roof was
aan U gelijk te zijn,
en die in de gestalte van een knecht
ons heeft aangenomen als het zijne;
die ons tot broeders heeft gemaakt,
omdat Hij al onze boosheid heeft gedragen
en in zijn liefde is gegaan tot het uiterste, –
die in de nacht, dat Hij werd overgeleverd,
het brood nam in zijn handen,
het zegende en brak, en zeide:
Neemt en eet, dit is mijn lichaam voor u,
doet dit tot mijn gedachtenis!
En evenzo na de maaltijd
sprak Hij een dankgebed,
Hij nam de beker der dankzegging en zeide:
Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed,
dat voor u en voor velen wordt vergoten
tot vergeving van zonden;
zo dikwijls als gij deze beker drinkt
zult gij het doen tot mijn gedachtenis.
Amen.
Zo dan, o HEER onze God,
gedenken wij dankbaar uw barmhartigheid en trouw,
de knechtschap van uw Zoon,
die nedergedaald is ter helle,
die Gij hebt opgewekt ten derde dage,
die Gij verhoogd hebt in uw heerlijkheid
om Hem de plaats te geven aan uw rechterhand,
vanwaar Hij komen zal als rechter
over levenden en doden.
Wij bidden U:
zend over ons uw Geest die levend maakt,
die ons heeft ingelijfd tot uw vergadering,
hier staande voor uw aangezicht
en gehouden aan uw Woord, –
dat wij onze Messias niet vergeten noch verzuimen,
maar opgewekt betuigen
om samen met alle volken
zijn erfdeel te verwachten.
Door Hem en met Hem en in Hem
zijt Gij geheiligd en gezegend en gedankt,
HEER onze God, almachtige Vader,
in de eenheid van de heilige Geest,
op deze dag en op alle dagen
en tot in alle eeuwigheid.
Maranatha!
Hierna volgt het Gebed des Heren (bladzijde 169-170)