Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud
Vindplaats van geloof, hoop en liefde
subline-curl
Dienstboek

26 ‘Machtige God’

Bewerk hoofdstuk Split hoofdstuk

Machtige God,

met alle eerbied

noemen wij uw naam,

die Gij gegeven hebt

aan wat er leeft en ademhaalt.

De hemel en het land,

het licht van deze dag

en ook wijzelf, God,

zijn er dank zij U,

die al van mensen houdt

vóór zij geboren zijn.

Wij noemen U van harte

onze God en Vader,

die doet wat Gij zegt

en ons in leven houdt,

die naar ons zoeken blijft

tot Gij ons in den vreemde vindt,

omwille van uw Zoon,

de eerste van ons allen.

In stad en land,

in mensen en machten,

in levenden en doden

wordt Gij vermoed en uitgesproken,

tot deze aarde eens

de stad van vrede is,

het nieuw Jeruzalem,

waar alle leed geleden is

en al ons kwaad vergeten.

Luister dan ook,

als wij U zegenen, God,

en zeggen zonder einde:

Heilig, heilig, heilig,

HEER God van alle machten.

Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.

Hosanna in de hoge.

Gezegend Hij die komt in de naam van de HEER.

Hosanna in de hoge.

HEER onze God,

Gij zijt heilig en goed –

en zó bekend met ons

dat onze namen staan

geschreven in uw hand.

Geen mens zult Gij vergeten

dank zij Jezus Christus,

de Zoon van uw genade,

die Gij hebt voortgebracht

en uitgezonden hebt

om tranen te drogen

van mensen die geslagen zijn,

om het hart te helen

van mensen die gebroken zijn,

om brood te worden voor vandaag

en de vrede zelf te zijn.

Wij danken U

dat Hij ons ruimte geeft

en vrijheid schept.

Wij danken U

dat Hij de naam geworden is

voor heel ons leven

ten einde toe.

Want in de nacht

dat Hij zijn leven gaf,

nam Hij brood in zijn handen,

Hij zegende U, Hij brak het

en gaf het aan zijn leerlingen

met de woorden:

Neemt en eet hiervan, gij allen,

want dit is mijn lichaam,

dat voor u gegeven wordt.

Ook nam Hij de beker,

zegende U weer,

en gaf hem aan zijn leerlingen

met de woorden:

Neemt deze beker

en drinkt hier allen uit,

want deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed

dat voor u en voor allen vergoten wordt

tot vergeving van de zonden.

Blijft dit doen om Mij te gedenken.

Als wij dan eten van dit brood

en drinken uit deze beker,

verkondigen wij de dood des Heren

totdat Hij komt.

HEER onze God,

zo gedenken wij Hem

die weet wat lijden is

en de dood heeft gezien,

die Gij hebt opgewekt

en een naam gegeven hebt

hoog boven alle namen.

Jezus de Heer is Hij,

Die Is En Blijven Zal,

– uw rechterhand –

en tot Hij komt,

verkondigen wij Hem

door deze levensbeker

en door dit brood

dat wordt gedeeld.

Wij bidden U:

zend dan uw Geest in ons,

die over deze aarde gaat,

en maak ons tot een volk

dat recht doet

om gerechtigheid;

maak leven en welzijn

toch groter en sterker

dan oorlog en dood;

en laat ons mensen zijn

die woningen bouwen 

voor uw stad van vrede;

breek het geweld in ons

en breng ons thuis bij U

uit kracht van Hem,

de Mensenzoon,

hier in ons midden.

Dan zal uw naam

geheiligd zijn op aarde,

en komen zal uw koninkrijk

door Hem en met Hem

in kracht en in Geest

tot in eeuwigheid.

Amen.

Hierna volgt het Gebed des Heren (bladzijde 169-170)

27 ‘Wij danken U, heilige Vader’

Wij danken U, HEER God almachtig,

dat Gij een God van mensen zijt,

dat Gij U niet geschaamd hebt

onze God genoemd te worden,

dat Gij ons kent bij onze naam,

dat Gij de wereld in uw handen houdt.

Want daarom hebt Gij ons geschapen

en daartoe ons geroepen in dit leven,

dat wij met U verbonden zouden zijn,

uw mensenvolk op deze aarde.

Gezegend zijt Gij,

de schepper van al wat bestaat,

gezegend zijt Gij

die ons de ruimte hebt gegeven

en tijd van leven,

gezegend zijt Gij

om het licht van onze ogen

en om de lucht die wij ademen.

U danken wij voor heel de schepping,

voor alle werken van uw handen,

voor alles wat Gij gedaan hebt in ons midden

door Jezus Messias.

Daarom, met alle levenden

en met allen die ons in geloof zijn voorgegaan,

huldigen wij uw naam,

daarom buigen wij voor U

en aanbidden U met de woorden:

of:

HEER onze God,

wij danken U dat wij geboren zijn,

dat wij bestaan, met moeite en vol vreugde,

dat wij sinds mensenheugenis U ter harte gaan.

Gij die de sterren roept en hun getal bepaalt,

Gij roept ook al uw mensen bij hun naam;

van verre kent Gij ons,

God van ver en van dichtbij,

Gij zijt het licht van onze ogen.

Gij zegt ons vrijheid toe, leven in overvloed –

wij houden U aan uw woord, HEER onze God.

Wij roepen U, met deze stem die Gij gegeven hebt,

wij aanbidden U met deze woorden:

Heilig, heilig, heilig,

HEER van alle machten,

hemel en aarde zijn 

vol van uw heerlijkheid.

Kom ons bevrijden,

Gij, Allerhoogste.

Gezegend die daar komt

in de naam van de HEER.

Kom ons bevrijden,

Gij, Allerhoogste.

Wij danken U, heilige Vader,

HEER onze God,

omwille van Jezus Messias,

uw veelgeliefde Zoon

die Gij geroepen en gezonden hebt

om ons te dienen en te verlichten,

om aan de armen uw koninkrijk te brengen,

om aan gevangenen verlossing te melden,

om voor ons allen en voorgoed

het evenbeeld te zijn en de gestalte

van uw mildheid en uw trouw.

Wij danken U voor deze onvergetelijke mens

die alles heeft volbracht wat menselijk is,

ons leven, onze dood, –

en zich met hart en ziel 

gegeven heeft aan deze wereld.

Want in de nacht waarin Hij werd overgeleverd,

heeft Hij het brood in zijn handen genomen.

Hij heeft zijn ogen opgeslagen naar U,

God, zijn almachtige Vader,

Hij heeft U dank gezegd,

het brood gebroken

en het aan zijn vrienden uitgedeeld

met de woorden:

Neemt en eet,

dit is mijn lichaam voor u.

Doet dit tot mijn gedachtenis.

Zo nam Hij ook de beker,

sprak een dankgebed uit en zei:

Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed

dat voor u en voor allen wordt vergoten

tot vergeving van zonden.

Telkens als gij deze beker drinkt,

zult gij het doen tot mijn gedachtenis.

Als wij dan eten van dit brood

en drinken uit deze beker,

verkondigen wij zijn dood 

totdat Hij komt.

Daarom, HEER onze God,

stellen wij hier dit teken van ons geloof,

en daarom gedenken wij nu

het lijden en sterven van uw Zoon,

zijn opstanding uit de dood,

zijn intocht in uw heerlijkheid;

dat Hij, verheven aan uw rechterhand,

voor ons ten beste spreekt,

en dat Hij komen zal

om recht te doen aan levenden en doden

op de dag die Gij hebt vastgesteld.

Wij smeken U,

zend over ons uw heilige Geest,

en geef aan deze aarde, die ons dierbaar is,

een nieuw gezicht.

Laat er toch vrede zijn

overal waar mensen wonen,

de vrede die Gij ons hebt toegezegd,

die machtiger is dan alle geweld,

uw vrede als een band,

een nieuw verbond tussen ons allen,

de levenskracht van Jezus Messias

hier in ons midden.

Dan zal uw naam geheiligd zijn,

HEER onze God,

door Hem en met Hem en in Hem,

overal op aarde

en in uw gemeente,

dit uur en alle dagen,

tot in eeuwigheid.

Amen.

Hierna volgt het Gebed des Heren (bladzijde 169-170)