28 ‘Gij, louter licht’
Die wij kennen als een Vader,
die zichzelf ter sprake bracht
in een mensenkind,
een broeder –
Gij, louter licht
en bron van eeuwig leven,
wij zegenen U!
Want Gij hebt ons beschaamd
met uw goedheid, uw liefde.
Gij vult onze leegte met overvloed.
Gij roept ons tot leven met nieuwe namen.
Gij, louter licht
en bron van eeuwig leven,
wij zegenen U!
Zo vaak heeft uw liefde
al vrucht gezet in mensen;
met hen en met alles
wat ademt van genade
zingen wij hier:
Gij, louter licht
en bron van eeuwig leven,
wij zegenen U!
Wij zegenen U
om het hoge Woord van den beginne,
dit Licht in ons duister,
dit brood uit de hemel,
de Zoon naar uw hart,
gezonden opdat wij allen U kennen,
voorgoed zullen leven,
gekozen tot vrienden.
Hij, Licht uit Licht,
woord van den beginne,
Jezus Messias!
Hij, vrucht uit de schoot van uw volk Israël,
de wijnstok op wie wij allen zijn geënt.
Uw liefde voor Hem is de bron waaruit wij drinken.
Hij opent ons de ogen,
is het Licht dat ons vooruit gaat.
Hij, ware herder,
woord van den beginne,
Jezus Messias!
Hij heeft zich gegeven, verloren als graan
gezaaid in de aarde, belofte van toekomst,
Hij was in de wereld, Hij stierf aan de nacht.
Geen grotere liefde:
zijn laatste adem gaf ons het leven.
Hij was als brood, gebroken, gedeeld,
levend brood:
zijn lichaam voor ons.
Hij werd onze beker,
een overvloed van bruiloftswijn:
zijn bloed voor ons.
Wij gedenken zijn dood, wij vieren het leven:
hier reiken wij elkaar wat Hij ons gaf.
Hij, Lam van God,
brood uit de hemel,
Jezus Messias!
Erfgenamen van zijn vrede,
wij, voorgoed genoemd zijn lichaam,
dat wij woning zijn voor U.
Dat wij ranken van zijn hart zijn, vruchten dragen,
die hemel en aarde verheugen.
Gij, louter licht
en bron van eeuwig leven,
wij zegenen U!
Liturgische gezangen 89
Hierna volgt het Gebed des Heren (bladzijde 169-170)