8 ‘Hoe zullen wij U danken’
(Herfsttijd II)
Hoe zullen wij U danken,
HEER onze God?
Ons hart is onrustig in ons
en vol van bange vragen.
Onze ogen staren zich blind
op muren van feiten.
Oorverdovend is het helse lawaai
van een wereld in oproer.
Wij hebben geen stem
om daar boven uit te komen,
en het is of Gij U stil houdt,
of Gij nergens zijt, o God.
Maar om de verhalen
die ons aan U herinneren,
om de momenten
dat wij U naast ons wisten,
hebben wij de moed om ons te scharen
in de wijde kring van uw aanbidders,
onze stem te laten horen
tegen al wat U kleineert
en bescheiden mee te zingen
met het grote lied
dat voor en na gezongen is:
Heilig, heilig, heilig,
HEER God van alle machten.
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in de hoge.
Gezegend Hij die komt in de naam van de HEER.
Hosanna in de hoge.
Hoe kunnen wij U danken,
wat hebben wij te bieden,
HEER onze God,
met deze vuile handen
en deze gebarsten stem,
met dit verdeelde hart
en dit vertwijfelde bestaan?
Maar om Jezus, uw Mens in ons midden,
komen wij vrijmoedig tot U
met onze woorden van lof en liefde,
die Hij ons in de mond gaf
en deze tekenen van brood en wijn
die Hij in onze handen legde,
want Hij heeft in de nacht van de overlevering
het brood genomen,
daar de dankzegging over uitgesproken,
het gebroken en aan zijn discipelen gegeven,
en gezegd:
Neemt en eet,
dit is mijn lichaam dat voor u gegeven wordt,
doet dit tot mijn gedachtenis.
Zo heeft Hij ook de beker genomen,
daar de dankzegging over uitgesproken,
hem rondgegeven
en gezegd:
Drinkt allen daaruit,
deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed
dat voor u en voor velen vergoten wordt
tot vergeving van zonden.
Doet dit, zo dikwijls gij die drinkt,
tot mijn gedachtenis.
Zijn dood gedenken wij,
zijn opstanding belijden wij,
zijn toekomst verwachten wij.
Maranatha.
Bijeen tot zijn gedachtenis
bieden wij U aan
onszelf en al wat van ons is,
geschonden en gehavend,
en bidden wij U, o God:
beziel ons van uw Geest,
dat wij in staat zijn
om te doen wat ons is voorgedaan,
te breken en te delen
ten dienste van uw Rijk.
Want zo kunnen wij U danken,
zo maken wij U groot,
zo krijgt uw Naam betekenis
onder de mensen,
nu en alle dagen
tot op de dag dat alles nieuw zal zijn,
door Jezus Christus, onze Heer.
Amen.
Hierna volgt het Gebed des Heren (bladzijde 169-170)