14 ‘Met heel uw gemeente’
(Veertigdagentijd)
De HEER zij met u.
Zijn Geest in ons midden.
Heft uw harten omhoog.
Wij heffen ons hart op tot God.
Brengen wij dank aan de HEER, onze God.
Hij is het waard onze dank te ontvangen.
Ja, met recht en met reden, o God,
spreken wij onze lofzegging uit,
hier en nu, overal en altijd,
omdat Gij met ons meetrekt,
door alle weerbarstigheid heen,
op de lange en moeizame weg
uit ons eigen, doods verleden
naar uw toekomst van leven.
Gij draagt ons door de diepten,
beschermt ons als wij vallen;
wij mogen schuilen in uw hoede,
geborgen zijn wij in uw trouw.
De roepende mens geeft Gij gehoor:
‘Ik zal er zijn’ is uw antwoord
ten dage van grote benauwdheid
of in de angst van de nacht.
Daarom eren wij uw grote Naam,
met Mozes, gids in de woestijn,
met Elia, bode van uw woord,
met alle getuigen van de weg
die Gij met uw volk bent gegaan;
met hen voegen wij ons in het koor
van alle hemelse machten:
Heilig, heilig, heilig,
o HEER van alle machten,
hemel en aarde zijn vol van uw heerlijkheid.
Hosanna in de hoge!
Gezegend Hij die komt in de Naam van de HEER!
Hosanna in de hoge!
Ja, gezegend is Jezus, die met zijn komst
ons leven met uw Naam heeft verbonden
en met al wat daarin besloten ligt
aan mededogen, liefde en genade;
die in al zijn beproevingen
uw woord gehoorzaam is geweest
en ons, mensen, trouw is gebleven;
die zo alle gerechtigheid,
waarvan wet en profeten spreken,
ten volle vervuld heeft;
die op de avond voor zijn dood
zijn liefde voor ons heeft bezegeld
met de tekenen van deze gaven,
toen Hij een brood nam,
de dankzegging daarover uitsprak,
het brak en aan de zijnen gaf
met de woorden:
Dit is mijn lichaam voor u;
doet dit tot mijn gedachtenis!
Ook toen Hij na de maaltijd de beker nam,
de dankzegging daarover uitsprak,
en die aan de zijnen gaf
met de woorden:
Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed;
doet dit, zo dikwijls ge die drinkt, tot mijn gedachtenis!
[Acclamatie]
Zo gedenken wij dan, grote God,
het geheim van de Gekruisigde,
Jezus Christus, de Rechtvaardige,
die Gij uit de dood hebt opgewekt.
Zend, bidden wij, uw heilige Geest
over deze gaven van brood en wijn,
tekenen van uw toekomst, uw belofte
aan heel uw volk onderweg.
Beweeg ons door uw Geest tot vrede,
tot gerechtigheid en liefde
voor heel uw schepping en al uw mensen.
Samen met alle nu levenden
die wij aan U opdragen:
hen met wie wij vreugde beleven
en hen over wie wij zorgen hebben .....,
samen ook, lieve God, met onze doden,
die wij uit handen hebben moeten geven
en die wij voor U en elkaar gedenken .....,
en samen met alle geloofsgetuigen,
die onze gidsen zijn geweest
op weg naar het land van belofte .....,
zo, verenigd met heel uw gemeente,
al de uwen, in hemel en op aarde,
loven wij, God van liefde, uw Naam,
zegenen wij, God van genade, uw glorie,
en prijzen wij, God van belofte, uw trouw –
door Hem en met Hem en in Hem,
Jezus Christus, onze Heer,
die ons bijeen zal brengen in uw Rijk
waar wij om bidden met de woorden:
Onze Vader ...
Hier volgt het Gebed des Heren (bladzijde 169-170)