16 ‘Met heel uw gemeente’
(Zomertijd)
De HEER zij met u.
Zijn Geest in ons midden.
Heft uw harten omhoog.
Wij heffen ons hart op tot God.
Brengen wij dank aan de HEER, onze God.
Hij is het waard onze dank te ontvangen.
Ja, met recht en met reden, o God,
spreken wij onze lofzegging uit,
hier en nu, overal en altijd,
omdat Gij, God van hemel en aarde,
aan de mensen adem hebt gegeven,
uw levensgeest aan wat geschapen is
tot eer en heerlijkheid van U.
Wij danken U, Koning der wereld,
om de zeven geesten voor uw troon,
die Gij uitzendt over de aarde
als boden van licht en van vuur.
Want alle vlammende protesten
tegen onrecht en leugen
en alle vurige pleidooien
voor waarheid en gerechtigheid
zijn het werk van uw Geest;
en alle gebeden uit de diepte,
alle hooggestemde lofzang,
zij worden naar U toegedragen
op de vleugels van de Geest.
Daarom loven wij uw Naam,
met Mozes, Mirjam en Maria,
met Petrus en met alle getuigen
die de Geest hebben ontvangen
en van U hebben geprofeteerd.
Zo zingen wij U toe:
Heilig, heilig, heilig,
o HEER van alle machten,
hemel en aarde zijn vol van uw heerlijkheid.
Hosanna in de hoge!
Gezegend Hij die komt in de Naam van de HEER!
Hosanna in de hoge!
Ja, gezegend is Jezus, die met zijn komst
ons leven met uw Naam heeft verbonden
en met al wat daarin besloten ligt
aan mededogen, liefde en genade;
die van uw Geest vervuld is geweest,
en zijn zending heeft aanvaard
om lerend en genezend rond te gaan;
die de treurenden getroost,
de gebrokenen geheeld heeft
en de zijnen liefhad tot het einde;
die op de avond voor zijn dood
zijn liefde voor ons heeft bezegeld
met de tekenen van deze gaven,
toen Hij een brood nam,
de dankzegging daarover uitsprak,
het brak en aan de zijnen gaf
met de woorden:
Dit is mijn lichaam voor u;
doet dit tot mijn gedachtenis!
Ook toen Hij na de maaltijd de beker nam,
de dankzegging daarover uitsprak,
en die aan de zijnen gaf
met de woorden:
Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed;
doet dit, zo dikwijls ge die drinkt, tot mijn gedachtenis!
[Acclamatie]
Zo gedenken wij dan, grote God,
het geheim van de Gekruisigde,
Jezus Christus, de Rechtvaardige,
die Gij uit de dood hebt opgewekt.
Kom, o Geest des HEREN, kom,
daal op deze gaven neer,
vernieuw het geschonden gelaat
van de mensenwereld, deze aarde,
en doe uw vruchten in ons groeien:
vrede, vreugde en gerechtigheid.
Samen met alle nu levenden
die wij aan U opdragen:
hen met wie wij vreugde beleven
en hen over wie wij zorgen hebben .....,
samen ook, lieve God, met onze doden,
die wij uit handen hebben moeten geven
en die wij voor U en elkaar gedenken .....,
en samen met alle geloofsgetuigen,
die onze gidsen zijn geweest
op weg naar het land van belofte .....,
zo, verenigd met heel uw gemeente,
al de uwen, in hemel en op aarde,
loven wij, God van liefde, uw Naam,
zegenen wij, God van genade, uw glorie,
en prijzen wij, God van belofte, uw trouw –
door Hem en met Hem en in Hem,
Jezus Christus, onze Heer,
die ons bijeen zal brengen in uw Rijk
waar wij om bidden met de woorden:
Onze Vader ...
Hier volgt het Gebed des Heren (bladzijde 169-170)