31 ‘Van alle dagen deze morgen’
(v: voorganger, k: kind)
v:
Danken wij de goede God!
k:
Ja, wij willen voor Hem zingen.
(indien gesproken: Ja, wij willen Hem aanbidden.)
k:
Van alle dagen deze morgen,
van heel de wereld deze plaats,
van alle gaven brood en beker,
van alle mensen jij naast mij.
v:
God, die alles hebt geschapen,
het geheim van het morgenlicht
en de zon hoog aan de hemel,
lucht voor vogels, vrije zielen,
helder water voor de vissen –
heel de aarde een mensentuin:
k:
Zelf gaf U ons stem en woorden
om te zingen: ‘God is goed!’
Van alle dagen deze morgen,
van heel de wereld deze plaats,
van alle gaven brood en beker,
van alle mensen jij naast mij.
v:
Zoals overal ter wereld,
zoals overal de mensen
met verbazing en ontzag
zeggen wij hier: ‘Heilig, heilig,
heilig is de HEER van allen,
en gezegend Hij die komt.
k:
Heilig is de HEER van allen,
en gezegend Hij die komt.’
Van alle dagen deze morgen,
van heel de wereld deze plaats,
van alle gaven brood en beker,
van alle mensen jij naast mij.
v:
Zo gezegend als die ene
is er nooit in heel de wereld,
is er nooit van alle dagen
is er nooit een mens geweest,
nooit een mens geweest als deze:
Jezus, Christus, Hij, uw Zoon.
k: Nooit een mens geweest als deze:
Jezus, Christus, Hij, uw Zoon.
Van alle dagen deze morgen,
van heel de wereld deze plaats,
van alle gaven brood en beker,
van alle mensen jij naast mij.
k:
Altijd wist Hij waar verdriet was,
wie alleen was, kende Hij.
v:
Feesten heeft Hij opgevrolijkt,
in zijn hand werd water wijn.
Met twee vissen en vijf broden
leerde Hij de mensen leven
voor elkaar zo goed als God.
Voor elkaar zo goed als God.
Van alle dagen deze morgen,
van heel de wereld deze plaats,
van alle gaven brood en beker,
van alle mensen Jij naast mij.
Hij naast ons. Zijn hele leven
gaf Hij weg als een geschenk
tot de dood toe voor zijn vrienden
licht en leven, wijn en brood.
v:
Zo heeft Hij de laatste avond
dat Hij met hen samen was,
zelf het brood voor hen gebroken
en gezegd: ‘Dit is mijn lichaam.
Neem het, eet. En denk aan Mij.’
Vol met wijn schonk Hij de beker,
loofde U en gaf hem rond.
‘Als je deze beker rondgeeft,
deel je in mijn dood en leven,
deel je in mijn nieuw verbond.’
k:
Als wij brood en wijn rondgeven,
delen wij zijn dood en leven,
k:
delen wij zijn nieuw verbond.
Maranatha! Tot Hij komt.
Van alle dagen deze morgen,
van heel de wereld deze plaats,
van alle gaven brood en beker,
van alle mensen jij naast mij.
v:
Geest van God, help ons te leven
door dit brood en deze wijn
als die mens van alle mensen:
Na deze morgen alle dagen
op deze plaats en waar ter wereld
van nu af gevend vele gaven
van alle mensen wij naast Hem.
Liturgische gezangen 91
Hierna volgt het Gebed des Heren (bladzijde 169-170)