42 ‘Ja, gezegend Hij die komt’
De HEER zal met u zijn!
De HEER zal u bewaren.
Verheft uw harten!
Wij hebben ze tot de HEER geheven.
Zegenen wij de HEER, onze God!
Goed is het en passend!
(1) Advent
Ja waarlijk, goed is het en passend,
dat wij U zegenen,
HEER, God van Israël,
aan wie Gij uw woorden hebt toevertrouwd,
uw zeggen en schrijven, –
in Jakob en in zijn zaad
hebt Gij voor ons bewaard
een overblijfsel van kennis,
een schelp van inkeer,
uw paarlemoer van licht, –
tot dit volk hebt Gij geroepen:
dat Gij het zijt!
Dat Gij in áántocht zijt!
En Gij hebt uw profeet verwekt
uit haar die ‘onvruchtbaar’ werd genoemd,
die werd een prediker, die doopte
met water van het oordeel.
Daarom, met allen die naar hem hoorden,
met de boetvaardigen,
met allen die uw komst verwachten,
met heel de gemeente der heiligen,
zingen wij met hart en ziel:
(2) Kerst
Ja, waarlijk goed is het en passend,
dat wij U zegenen, HEER onze God,
en dat wij ons verblijden over uw majesteit,
die door geen nacht gehinderd wordt.
Gij die de aarde bemint
maar die het kwaad niet ophemelt, –
Gij roept de heiligen tot groter heiligheid,
en die het geweld liefhebben
verstrikt Gij in hun eigen leugens.
Gij beidt uw tijd!
En Gij houdt in gedachtenis
al het onbestraffelijke bloed
dat vergoten is op aarde,
van het bloed van Abel de rechtvaardige
tot het bloed van Zacharja, de profeet.
Daarom,
met allen die in hun bloed hebben bekrachtigd
dat Gij hun HEER zijt,
zingen wij U toe uit alle macht:
(3) Epifanie
Ja waarlijk, het is goed en passend,
het is onze zaligheid en vrede,
dat wij U zegenen, HEER onze God,
want Gij hebt ons weggerukt
uit de macht van de duisternis
en overgebracht in het rijk van de Zoon uwer liefde,
evenbeeld van uw majesteit,
weerklank van uw gebiedend woord
in de gestalte van een knecht,
zaad van Jakob, zoon van de Koning,
vredestichter, erfgenaam der aarde, –
Hij heeft de betovering der machten doorbroken,
de heerszucht aan banden gelegd
en het dwepen der menigten onder de voet gelopen:
want Hij heeft uw woord gedaan,
klaarheid en licht gebracht.
En daarom,
met allen die Hem volgen,
met de apostelen en profeten,
met de verlichte geesten en de onthechte zielen,
met de aartsvaders en met de kinderen,
met de serafiem en met de cherubiem,
zingen wij, dat het een lust heeft:
(4) Veertigdagentijd
Ja waarlijk, het is goed en passend,
dat wij de HEER onze God zegenen
en dat wij eer geven aan zijn Naam,
want Hij heeft zich getoond
de gebieder van hemel en aarde
om een verlosser te zijn van de mensen;
Hij staat niet toe,
dat wij aan blinde machten onderhevig zijn,
aan vreemde mogendheden dienstbaar;
Hij wil niet, dat wij sterven in onze betovering,
maar dat wij leven, –
daarom is Hij zijn volk voorgegaan
in wind en vuur,
in wolk en stem,
in wonder en gebod,
om voor hen een plaats te bereiden in het land,
en daarom zeggen wij tot Hem
met al zijn knechten en zijn volgelingen
en zingen wij van harte:
(5) Passiezondag
Ja waarlijk, het is goed en passend,
het is uw wil en ons leven,
dat wij U zegenen, HEER onze God,
want Gij hebt de knechtschap aanvaard
van Jezus, uw Zoon:
Hij werd gekneusd en gebroken
door de heersende machten,
Hij heeft zijn ziel, zijn bloed
uitgestort over de aarde als water;
in Hem werd onthuld
al onze ongerechtigheid, –
maar Hij heeft gehoorzaamheid geleerd
uit wat Hij geleden heeft,
en daarom zegenen wij U
met al de getuigen van zijn dood,
met al de profeten en apostelen,
met de hoofdman over honderd,
met zijn moeder en de leerling, die Hij liefhad:
wij buigen met de zon en de maan en de sterren
voor deze Rechtvaardige
en wij roepen zonder einde:
(6) Paastijd – I
Ja, waarlijk, het is goed en passend,
dat wij U zegenen, HEER,
Schepper van de hemelen en de aarde,
Stichter van het leven,
Aartsvijand van het kwaad.
Gij hebt uw Zoon gewekt
uit de groeve van de dood,
de afgrond hebt Gij toegesloten,
de chaos hebt Gij terzijde gesteld,
Gij geeft bevel, Gij geeft het leven.
Dat willen wij belijden
met de blijde boodschappers,
de engel in de tuin,
de vrouwen in de vroege morgen,
de apostelen in het voetspoor van uw profeten,
en daarom zingen wij
met de vogels in de bomen,
met de bomen in de wind,
wij zingen zonder einde:
(7) Paastijd – II
Ja, waarlijk, het is goed en passend,
het komt U toe en het is ons behoud,
dat wij U zegenen, Gever van het leven.
Vanuit de hemelen hebt Gij uw Woord gezonden,
Jezus Messias,
die is de weg gegaan van heel de aarde,
vanwaar Hij is teruggekeerd tot U.
Gij hebt zijn dienst bekroond met heerlijkheid,
Hem hebt Gij alle zeggensmacht gegeven
om borg te staan voor iedere creatuur.
Alles hebt Gij in zijn hand gesteld,
opdat er niets verloren ga,
en daarom zeggen wij
met allen die in zijn Naam geloven,
met zijn discipelen en met zijn bloedgetuigen,
met de vier wezens en de vierentwintig oudsten,
en zingen zonder einde:
(8) Zomertijd
Ja waarlijk, goed is het en passend,
het komt U toe en het is ons behoud,
dat wij U zegenen, dag aan dag,
o God en Vader, die alles bestiert,
die in de verborgenheid
alle dingen zet naar uw hand,
die met uw woord als een zwaard
een kloof hebt gesteld tussen goed en kwaad, –
die het bruisen der volkeren als van vele wateren
bedwingt met uw heilige toorn,
die naar uw welbehagen uw kleine gemeente verzamelt
tot uw heraut en wachter op de muur,
om barmhartigheid te doen aan alle levende ziel.
Daarom heffen wij aan de hymne van uw glorie
met al de zonen van Israël,
met de dochters van Sion,
en roepen uit uw Geest:
(9) Voleindingszondagen
Ja waarlijk, goed is het en passend,
dat wij U zegenen, HEER onze God,
want daartoe hebt Gij ons gemaakt
en daartoe alleen hebt Gij
de dag van uw wraak tegengehouden, –
Gij doorbreekt het razen van de volken
met de stemmen van de heiligen,
met hun zuchten en profeteren;
Gij weerstaat en verhindert de ijdele plannen
door de toekomst van uw Zoon;
en daarom hebben wij ons hart in de hemelen
met alle oprechten die naar U reikhalzen,
met alle verdrukten die tot U roepen,
met alle ootmoedigen die U dienen,
met alle engelen die uw aangezicht zien,
en wij zeggen tot U:
Heilig, heilig, heilig,
HEER God van alle machten.
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in de hoge.
Gezegend Hij die komt in de naam van de HEER.
Hosanna in de hoge.
Ja, gezegend Hij die komt,
zachtzinnig onder de mensen,
met het geheim van de aarde op de tong,
de besnedene van hart,
die de wil van God tot de zijne maakt,
toegenegen en ootmoedig,
de Mensenzoon, aan wie gegeven wordt
heerschappij en glorie en het koninkrijk:
dat Hem alle volken eren zullen.
Gezegend Hij, gelijk Hij gekomen is,
als een lam bij wie de wolven huizen,
die werd gedoopt omdat het betaamde
aldus alle gerechtigheid te volbrengen,
die tot de zieken en gekrenkten is gegaan
en zich de verstrooiden heeft aangetrokken,
die spijs heeft vermeerderd voor velen
en woorden gaf van geest en leven;
die alzo in de nacht, dat Hij werd overgeleverd,
het brood nam in zijn handen,
het zegende en brak en zei:
Neemt en eet, dit is mijn lichaam voor u,
doet dit tot mijn gedachtenis.
En evenzo na de maaltijd
sprak Hij een dankgebed,
en nam Hij de beker van de dankzegging en zei:
Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed
tot vergeving van zonden;
drinkt allen hieruit, tot mijn gedachtenis.
Gezegend Hij, gelijk Hij komen zàl,
gezeten op wolken,
en alles aan Hem ondergeschikt;
dan zal Hij de tranen van de ogen wissen,
en de dood zal niet meer zijn;
dan zal een ieder eer geven aan God:
‘Hosanna in de hoge!’
Maranatha!
Hierna volgt het Gebed des Heren (bladzijde 169-170)